Ontvankelijkheid
33 Volgens Part Service is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk. De gestelde vragen houden geen enkel verband met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Het vraagstuk is zuiver hypothetisch en houdt geen verband met communautaire bepalingen en/of beginselen.
34 Volgens vaste rechtspraak kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens, die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 19 februari 2002, Arduino, C-35/99, Jurispr. blz. I-1529, punt 25, en 11 juli 2006, Chacón Navas, C-13/05, Jurispr. blz. I-6467, punt 33).
35 In casu is evenwel aan geen enkele van deze voorwaarden voldaan.
36 In de verwijzingsbeschikking beschrijft de nationale rechter, die een btw-geschil moet beslechten, namelijk in detail het feitelijk en juridisch kader van het geschil in het hoofdgeding.
37 Vervolgens stelt hij het Hof vragen over het op de btw toepasselijke gemeenschapsrecht, in het bijzonder over het gemeenschapsbegrip „misbruik”, om te kunnen beoordelen of de handeling die het voorwerp is van het hoofdgeding, een dergelijk misbruik oplevert en dus aan de btw is onderworpen.
38 De gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht houdt dus verband met een reëel geschil en met het voorwerp van het hoofdgeding en is niet hypothetisch.
39 De gestelde vragen zijn dus ontvankelijk.
De eerste vraag
40 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat van misbruik sprake is wanneer verkrijging van belastingvoordeel het wezenlijke doel is van de betrokken handeling of handelingen, of dat daarvan slechts sprake is wanneer enkel een dergelijk belastingvoordeel en geen andere economische doelen worden nagestreefd.
41 In het hoofdgeding staan vrijstellingen van de btw ter discussie. Juist met betrekking tot dergelijke vrijstellingen schrijft artikel 13 van de Zesde richtlijn de lidstaten voor, „alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen”.
42 In de punten 74 en 75 van voormeld arrest Halifax e.a. heeft het Hof om te beginnen in het kader van de uitlegging van de Zesde richtlijn geoordeeld dat sprake is van misbruik wanneer:
-
de betrokken handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend;
-
uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.
43 Vervolgens heeft het Hof in punt 81 van zijn arrest, in zijn aan de verwijzende rechter als leidraad bij zijn uitlegging in het hoofdgeding verstrekte nadere verduidelijkingen, opnieuw erop gewezen dat de handelingen in wezen het verkrijgen van belastingvoordeel tot doel moet hebben.
44 Derhalve heeft het Hof met zijn vaststelling in punt 82 van dat arrest, dat met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen hoe dan ook uitsluitend het verkrijgen van belastingvoordeel werd beoogd, deze omstandigheid niet als voorwaarde voor het bestaan van misbruik gesteld, maar alleen beklemtoond dat in het bij de verwijzende rechter aanhangige geding de ondergrens voor kwalificatie van een handelwijze als misbruik zelfs was overschreden.
45 Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord dat de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat sprake is van misbruik wanneer verkrijging van belastingvoordeel het wezenlijke doel van de betrokken handeling of handelingen is.
De tweede vraag
46 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in feite te vernemen of handelingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor de toepassing van de btw als misbruik in de zin van de Zesde richtlijn kunnen worden beschouwd.
47 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat een ondernemer zich bij zijn keuze tussen vrijgestelde en belaste handelingen kan laten leiden door een aantal factoren, waaronder fiscale overwegingen in verband met het btw-stelsel. Wanneer de belastingplichtige kan kiezen tussen twee handelingen, verplicht de Zesde richtlijn hem niet die te kiezen waarvoor de hoogste btw is verschuldigd. De belastingplichtige heeft integendeel het recht om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft (voormeld arrest Halifax e.a., punt 73).
48 Wanneer een handeling echter een aantal prestaties omvat, is het de vraag of zij als één enkele handeling moet worden beschouwd dan wel als verschillende onderscheiden en zelfstandige prestaties die afzonderlijk van elkaar moeten worden beoordeeld.
49 Deze vraag is voor de btw van bijzonder belang, met name voor de toepassing van het belastingtarief of van de in de Zesde richtlijn vervatte vrijstellingsbepalingen (zie arresten van 25 februari 1999, CPP, C-349/96, Jurispr. blz. I-973, punt 27, en 27 oktober 2005, Levob Verzekeringen en OV Bank, C-41/04, Jurispr. blz. I-9433, punt 18).
50 Uit artikel 2 ervan vloeit voort dat elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd (zie voormelde arresten CPP, punt 29, en Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 20).
51 In bepaalde omstandigheden moeten echter verschillende formeel onderscheiden prestaties, die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling wanneer zij niet zelfstandig zijn.
52 Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer reeds na een zuiver objectief onderzoek blijkt dat een of meer prestaties een hoofdprestatie vormen, terwijl de of de andere prestaties moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen (zie in die zin voormelde arresten CPP, punt 30, alsook Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 21). Een prestatie moet in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie worden beschouwd, wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (voormeld arrest CPP, punt 30, en de omstandigheden van het hoofdgeding die tot dit arrest hebben geleid).
53 Eveneens kan worden gesproken van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn (zie in die zin voormeld arrest Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 22).
54 De nationale rechter moet beoordelen of de hem voorgelegde gegevens kenmerkend zijn voor één enkele handeling, ongeacht hoe zij contractueel is uitgewerkt.
55 In deze context kan hij zich genoodzaakt zien zijn analyse uit te breiden door naar aanwijzingen te zoeken die duiden op misbruik, het begrip dat aan de orde is in de prejudiciële verwijzing.
56 In het kader van een prejudiciële procedure kan het Hof hem in voorkomend geval nadere verduidelijkingen verstrekken als leidraad bij zijn uitlegging (voormeld arrest Halifax e.a., punt 77).
57 De door de verwijzende rechter beschreven handelingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, bezitten de volgende kenmerken:
-
de twee bij de leasing betrokken vennootschappen maken deel uit van dezelfde groep;
-
de prestatie van de leasemaatschappij (IFIM) wordt opgesplitst: het kenmerkende element van de financiering wordt aan een andere vennootschap (Italservice) overgelaten, waar het wordt onderverdeeld in krediet-, verzekerings- en bemiddelingsprestaties;
-
de prestatie van de leasemaatschappij wordt dus beperkt tot de verhuur van de auto;
-
het door de klant betaalde totaalbedrag is nauwelijks hoger dan de koopprijs van het goed;
-
op zich beschouwd lijkt deze prestatie dus economisch niet rendabel, zodat de levensvatbaarheid van de onderneming niet alleen door de contracten met de klanten kan worden verzekerd;
-
de leasemaatschappij ontvangt de tegenprestatie voor de leasing slechts door cumulatie van de door de klant betaalde vergoedingen en de door de andere vennootschap van dezelfde groep betaalde bedragen.
58 Ter beoordeling of deze handelingen als misbruik kunnen worden beschouwd, moet de nationale rechter allereerst nagaan of het beoogde resultaat een belastingvoordeel is waarvan de toekenning in strijd zou zijn met een of meerdere doelen van de Zesde richtlijn, en vervolgens of dit het wezenlijke doel van de gekozen contractuele oplossing was (zie punt 42 van onderhavig arrest).
59 Wat het eerste criterium betreft, kan de verwijzende rechter in aanmerking nemen dat het verwachte resultaat de verkrijging van het belastingvoordeel van de vrijstelling krachtens artikel 13, B, sub a en d, van de Zesde richtlijn is voor de prestaties die de leasemaatschappij door haar medecontractant laat verzorgen.
60 Dit resultaat lijkt in strijd met het doel van artikel 11, A, lid 1, van de Zesde richtlijn, namelijk dat alles wat als tegenprestatie wordt of moet worden verkregen van de zijde van de ontvanger in de belastingheffing wordt betrokken.
61 Aangezien de verhuur van voertuigen in het kader van een leaseovereenkomst een dienstverrichting in de zin van de artikelen 6 en 9 van de Zesde richtlijn vormt (zie met name arresten van 21 maart 2002, Cura Anlagen, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 19, en 11 september 2003, Cookies World, C-155/01, Jurispr. blz. I-8785, punten 44 en 45), is een dergelijke handeling normaal gesproken onderworpen aan de btw, waarvan de maatstaf van de heffing overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, van de Zesde richtlijn moet worden vastgesteld.
62 Wat het tweede criterium betreft, kan de nationale rechter bij de door hem te verrichten beoordeling het louter kunstmatige karakter van de handelingen in aanmerking nemen, alsmede de juridische, economische en/of persoonlijke banden tussen de betrokken ondernemingen (voormeld arrest Halifax e.a., punt 81). Uit dergelijke omstandigheden kan blijken dat verkrijging van een belastingvoordeel het wezenlijke doel is geweest, ook al hebben daarnaast economische doelen op het vlak van bijvoorbeeld marketing, organisatie en garantie mogelijk een rol gespeeld.
63 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord dat het aan de verwijzende rechter staat, in het licht van de in het onderhavige arrest verschafte uitleggingsgegevens na te gaan of handelingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor de toepassing van de btw als misbruik in de zin van de Zesde richtlijn kunnen worden beschouwd.