Eerste en tweede vraag
19 Met de eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek en artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer gebreken van goederen die zijn gebleken nadat deze goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, maar waarvan is bewezen dat zij reeds daarvóór bestonden, nadien krachtens een contractuele garantieverplichting leiden tot vergoedingen door de fabrikant-verkoper aan de koper ten belope van de reparatiekosten die deze laatste door zijn afnemers in rekening worden gebracht, deze vergoedingen kunnen leiden tot een vermindering van de transactiewaarde van deze goederen en bijgevolg van de douanewaarde ervan die op basis van de tussen de fabrikant-verkoper en de koper aanvankelijk overeengekomen prijs was opgegeven.
20 Ter beantwoording van deze vragen zij er allereerst aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de communautaire regeling inzake de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren, dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit (arresten van 6 juni 1990, Unifert, C-11/89, Jurispr. blz. I-2275, punt 35, en , Sommer, C-15/99, Jurispr. blz. I-8989, punt 25). De douanewaarde moet dus de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen (zie arrest van , Compaq Computer International Corporation, C-306/04, Jurispr. blz. I-10991, punt 30).
21 Zoals uit de vaststellingen van de verwijzende rechterlijke instantie blijkt, verkocht de Japanse fabrikant-verkoper nieuwe voertuigen aan Mitsui. De opgegeven douanewaarde van de ingevoerde goederen kwam in het hoofdgeding overeen met de prijs die aanvankelijk was overeengekomen tussen de fabrikant-verkoper en Mitsui. Daar de fabrikant-verkoper een driejarige garantie voor technische of andere gebreken van de verkochte nieuwe voertuigen had verleend, diende hij Mitsui nadien de kosten te vergoeden die in voorkomend geval voor deze laatste in het kader van deze garantie jegens derden waren ontstaan.
22 Indien na de datum waarop een voertuig is ingevoerd blijkt dat dit voertuig op het tijdstip van de invoer ervan gebreken vertoonde, is de werkelijke economische waarde ervan, zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lager dan de transactiewaarde die is opgegeven op het tijdstip waarop het in het vrije verkeer is gebracht.
23 Het is juist dat artikel 29, leden 1 en 3, van het douanewetboek niet uitdrukkelijk regelt hoe latere wijzigingen van de transactiewaarde, die de grondslag voor de berekening van de douanewaarde vormt, moeten worden behandeld.
24 De werkelijk betaalde of te betalen prijs is evenwel een gegeven dat eventueel moet worden gecorrigeerd, wanneer zulks noodzakelijk is om de vaststelling van een willekeurige of fictieve douanewaarde te voorkomen (zie in die zin arrest van 12 juni 1986, Repenning, 183/85, Jurispr. blz. 1873, punt 16).
25 Het Hof heeft inzonderheid reeds geoordeeld dat wanneer goederen waarvan de waarde moet worden vastgesteld, bij aankoop onbeschadigd waren doch vóór de inklaring schade hebben opgelopen, de werkelijk betaalde of te betalen prijs naar evenredigheid van de ingetreden schade moet worden verminderd ingeval het om een onvoorziene vermindering van de handelswaarde van de goederen gaat (zie reeds aangehaald arresten Repenning, punt 18, en Unifert, punt 35).
26 Evenzo kan in het hoofdgeding de werkelijk betaalde of te betalen prijs wegens een verborgen gebrek waarvan is bewezen dat het bestond vóórdat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht en nadien tot vergoedingen krachtens een contractuele garantieverplichting heeft geleid, worden verlaagd naar evenredigheid van de vermindering van de handelswaarde van de goederen en bijgevolg ertoe leiden dat de douanewaarde van deze goederen achteraf wordt verminderd.
27 Zoals uit de punten 5 en 6 van de considerans van verordening nr. 444/2002 blijkt, heeft artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening op dit punt een oplossing geformuleerd die reeds in artikel 29 van het douanewetboek zelf is aangegeven. Voormeld artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening regelt onder welke voorwaarden een wijziging van de voor de in het vrije verkeer gebrachte goederen werkelijk betaalde prijs ten gunste van de verkoper door de koper in aanmerking kan worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde. Het betreft hier drie cumulatieve voorwaarden. Deze zijn vervuld wanneer kan worden bewezen dat de goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten gebreken vertoonden, dat de prijswijziging voortvloeit uit de uitvoering van een contractuele garantieverplichting die voortvloeit uit een vóór het in het vrije verkeer brengen van de genoemde goederen gesloten koopovereenkomst, en dat met de gebreken van de goederen niet reeds in het verkoopcontract rekening is gehouden.
28 Evenzo vormen de betalingen die een verkoper krachtens een garantieovereenkomst aan een koper doet ter vergoeding van de reparatiekosten die de koper door zijn eigen afnemers in rekening worden gebracht, een „wijziging” van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, aangezien het begrip „wijziging van de prijs” in voornoemd artikel 145 van de uitvoeringsverordening betrekking heeft op verschillende situaties, waaronder die van een vermindering van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
29 Bijgevolg moeten de eerste twee vragen aldus worden beantwoord dat artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek en artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer gebreken van goederen die zijn gebleken nadat deze goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, maar waarvan is bewezen dat zij reeds daarvóór bestonden, nadien krachtens een contractuele garantieverplichting leiden tot vergoedingen door de fabrikant-verkoper aan de koper ten belope van de reparatiekosten die deze laatste door zijn eigen afnemers in rekening worden gebracht, deze vergoedingen kunnen leiden tot een vermindering van de transactiewaarde van deze goederen en bijgevolg van de douanewaarde ervan die op basis van de tussen de fabrikant-verkoper en de koper aanvankelijk overeengekomen prijs was opgegeven.
Derde vraag
30 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen van het Hof te vernemen of artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening van toepassing is op importen waarvoor de douaneaangiften zijn aanvaard vóór 19 maart 2002, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002, waarbij bedoeld artikel 145 is gewijzigd.
31 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel deel uitmaken van de communautaire rechtsorde. Uit dien hoofde moeten zij door de gemeenschapsinstellingen worden geëerbiedigd (zie onder meer arrest van 26 april 2005, „Goed Wonen”, C-376/02, Jurispr. blz. I-3445, punt 32 en aangehaalde rechtspraak).
32 Ofschoon het rechtszekerheidsbeginsel zich er in het algemeen tegen verzet dat een gemeenschapshandeling reeds vóór de publicatie van deze handeling van kracht is, kan hiervan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (zie onder meer arrest „Goed Wonen”, reeds aangehaald, punt 33), of wanneer er blijkens de bewoordingen, de doelstellingen of de opzet van de betrokken communautaire regels zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend (zie in die zin arrest van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services, C-293/04, Jurispr. blz. I-2263, punt 21 en aangehaalde rechtspraak).
33 Noch de bewoordingen van de bepalingen of de overwegingen van de considerans van verordening nr. 444/2002, noch de voorbereidende werkzaamheden van deze handeling bevatten evenwel enigerlei aanduiding dat aan artikel 145 van de uitvoeringsverordening een dergelijke terugwerkende kracht moet worden toegekend.
34 Uit de notulen van het Comité douanewetboek (afdeling douanewaarde) (samenvatting van de conclusies die zijn vastgesteld op de bijeenkomst van 26 oktober 2001; TAXUD/906.2001, EN, blz. 3) blijkt veeleer dat deze „bepaling […] niet in de retroactieve toepassing ervan voorzag, en dat het evenmin de bedoeling was om daarin te voorzien, behalve indien het Comité zulks uitdrukkelijk zou wensen”. Dat was evenwel niet het geval.
35 Hoe dan ook mag blijkens de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest de werking die aan een bepaling van gemeenschapsrecht wordt verleend niet indruisen tegen de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
36 Ofschoon artikel 145 van de uitvoeringsverordening de rechtszekerheid beoogt te bevorderen door uitdrukkelijk te specificeren wanneer de wijziging van de prijs van de goederen in aanmerking kan worden genomen ingeval deze goederen op het tijdstip van hun invoer gebreken vertonen, zou toepassing van deze bepaling in gevallen zoals aan de orde in het hoofdgeding meebrengen dat afbreuk wordt gedaan aan het gewettigd vertrouwen van de Duitse marktdeelnemers. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft aangegeven, pasten de Duitse douaneautoriteiten immers de algemene termijn van drie jaar van artikel 236, lid 2, van het douanewetboek toe in gevallen waarin de transactiewaarde van de goederen voor het bepalen van de douanewaarde ervan werd gewijzigd omdat de goederen gebreken vertoonden.
37 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening niet van toepassing is op situaties die vóór 19 maart 2002 zijn ontstaan.
38 Blijkens het voorgaande moet de derde vraag aldus worden beantwoord dat artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening niet van toepassing is op importen waarvoor de douaneaangiften zijn aanvaard vóór 19 maart 2002.