Bij het Hof ingediende opmerkingen
18 In deze zaak zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Agra, de Italiaanse, de Tsjechische en de Griekse regering, alsook de Europese Commissie.
19 Agra geeft het Hof in overweging om hetzij als voorwaarde voor de toepassing van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek te beschouwen dat binnen de verjaringstermijn van drie jaar ten minste een procedurele handeling is verricht, hetzij vast te stellen dat het aan de nationale rechtsorde is om de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling te definiëren.
20 De douaneautoriteiten zijn volgens haar weliswaar bevoegd om ten behoeve van de administratieve procedures vast te stellen dat zich een vervolgbaar feit heeft voorgedaan, maar de rechtszekerheid eist dat deze autoriteiten binnen de verjaringstermijn van drie jaar tot handelen overgaan.
21 Agra beroept zich in dit verband op de uitlegging die door de Corte suprema di cassazione (cassatierechter) is gegeven aan artikel 84 TULD en artikel 221 van het douanewetboek, namelijk dat voor de stuiting van de termijn van drie jaar een handeling van deze autoriteiten binnen deze termijn vereist is.
22 De opvatting van de Griekse regering komt er in essentie op neer dat de verjaring van de douaneschuld wordt geschorst wanneer de geconstateerde inbreuk op de douanewetgeving vervolgbaar is en uiteindelijk de bevoegde douaneautoriteit heeft belet, het juiste bedrag van de rechten te bepalen. De Griekse regering stelt dan ook voor, de prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat een feit ingevolge artikel 221, lid 3, van het douanewetboek niet verjaard kan zijn wanneer de douaneschuld is ontstaan door een vervolgbare handeling.
23 De Italiaanse en de Tsjechische regering, alsmede de Commissie, zijn in wezen van mening dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek niet in de weg staat aan een regeling als de in geding zijnde en dat deze bepaling verwijst naar het nationale recht voor alle kwesties betreffende de verjaring van douaneschulden die zijn ontstaan als gevolg van een strafbaar feit.
24 De Commissie stelt in dit verband vast dat deze bepaling noch een verjaringstermijn bevat, noch de gronden voor schorsing of stuiting van een dergelijke termijn. In het bijzonder eist deze bepaling geen schorsing van de verjaring tijdens een eventuele beroepsprocedure, anders dan in lid 3 van dit artikel het geval is.
25 Volgens de Tsjechische regering en de Commissie heeft de nationale wetgever echter geen absolute vrijheid. In de eerste plaats moet de wetgeving van de lidstaten zich conformeren aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. In de tweede plaats dient een beperking van de verjaring te worden gerechtvaardigd door doeleinden van algemeen belang, noodzakelijk te zijn en evenredig aan het nagestreefde legitieme doel.
26 De verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met genoemde beginselen kan het best worden onderzocht door de verwijzende rechter.
Antwoord van het Hof
27 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het niet aan het Hof is om zich in het kader van een procedure krachtens artikel 234 EG uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het recht van de Unie. Wel is het Hof bevoegd de nationale rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het recht van de Unie te verschaffen welke die rechter in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen (arrest van 23 september 2004, Spedition Ulustrans, C-414/02, Jurispr. blz. I-8633, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Blijkens de beslissing van de verwijzende rechter vraagt deze zich af of bepalingen die voorschrijven dat, wanneer de niet-betaling van douanerechten het gevolg is van een strafbaar feit, de verjaringstermijn ingaat op de datum waarop het vonnis of arrest in de strafzaak onherroepelijk is, met het recht van de Unie verenigbaar zijn.
29 Aldus bezien moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 221, leden 3 en 4, van het douanewetboek in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als de onderhavige, die bepaalt dat, wanneer de niet-betaling van douanerechten haar oorsprong vindt in een strafbaar feit, de verjaringstermijn ingaat op de dag waarop het vonnis of arrest in de strafzaak onherroepelijk is geworden.
30 Allereerst stelt artikel 221, lid 3, eerste zin, van het douanewetboek volgens vaste rechtspraak een verjaringsregel, die inhoudt dat de mededeling van het te betalen bedrag aan in- of uitvoerrechten niet meer mag geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan (zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, Jurispr. blz. I-2049, punt 39, en 16 juli 2009, Snauwaert e.a., C-124/08 en C-125/08, Jurispr. blz. I-6793, punt 28).
31 Artikel 221, lid 3, tweede zin, van het douanewetboek bepaalt dat deze verjaringstermijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 van dit wetboek voor de gehele duur van de procedure van beroep.
32 In afwijking van de in punt 30 van dit arrest genoemde regel bepaalt artikel 221, lid 4, van het douanewetboek dat de douaneautoriteiten, wanneer zij als gevolg van een vervolgbare handeling niet in staat zijn geweest het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, de genoemde mededeling onder de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden nog na het verstrijken van de genoemde termijn mogen doen (arrest Snauwaert e.a., reeds aangehaald, punt 29).
33 In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek zelf geen verjaringstermijn bevat, evenmin als gronden voor schorsing of stuiting van de toepasselijke verjaring. In het bijzonder eist lid 4 van dit artikel, anders dan lid 3, geen schorsing van de verjaring tijdens de duur van een eventuele beroepsprocedure.
34 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, door slechts te refereren aan „de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden”, naar het nationale recht verwijst voor de regelgeving inzake de verjaring van de douaneschuld, wanneer deze het gevolg is van een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht, vervolgbaar was.
35 Nu het recht van de Unie ter zake geen gemeenschappelijke regels stelt, is het dus aan elk van de lidstaten om regels te stellen voor de verjaring van douaneschulden die niet konden worden vastgesteld vanwege een vervolgbaar feit (zie naar analogie arrest van 16 oktober 2003, Hannl-Hofstetter, C-91/02, Jurispr. blz. I-12077, punten 18-20, en arrest Molenbergnatie, reeds aangehaald, punt 53).
36 Gelet op al het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 221, leden 3 en 4, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat, wanneer de niet-betaling van douanerechten haar oorsprong vindt in een strafbaar feit, de verjaringstermijn van de douaneschuld ingaat op de dag waarop het vonnis of arrest in de strafzaak onherroepelijk is geworden.