Opmerkingen vooraf
37 Meteen zij erop gewezen dat de rechthebbenden op een pensioen of een rente die verschuldigd zijn op grond van de wetgeving van een of meerdere lidstaten, ook al verrichten zij geen beroepswerkzaamheden, op grond van hun aansluiting bij een socialezekerheidsregeling onder de bepalingen van verordening nr. 1408/71 inzake werknemers vallen, tenzij op hen bijzondere bepalingen van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 5 maart 1998, Kulzer, C-194/96, Jurispr. blz. I-895, punt 24, en18 december 2007, Habelt e.a., C-396/05, C-419/05 en C-450/05, Jurispr. blz. I-11895, punt 57).
38 Volgens vaste rechtspraak kan overigens een prestatie worden beschouwd als een socialezekerheidsprestatie wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met een van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (zie met name arresten van 27 maart 1985, Hoeckx, 249/83, Jurispr. blz. 973, punten 12-14, en Scrivner, 122/84, Jurispr. blz. 1027, punten 19-21; 20 juni 1991, Newton, C-356/89, Jurispr. blz. I-3017, en 16 juli 1992, Hughes, C-78/91, Jurispr. blz. I-4839, punt 15).
39 Het is bekend dat een toenemend aantal personen in de Unie ten gevolge van de afname van hun zelfstandigheid, vaak wegens hun vergevorderde leeftijd, afhankelijk wordt van anderen bij het uitvoeren van elementaire dagelijkse handelingen.
40 Pas sinds kort is het risico van een dergelijke hulpbehoevendheid (hierna: „risico van hulpbehoevendheid”) in de socialezekerheidsregelingen van meerdere lidstaten specifiek verzekerd. Dit risico staat niet uitdrukkelijk vermeld in de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 opgesomde lijst onder de soorten prestaties die vallen binnen de werkingssfeer van deze verordening.
41 Zoals blijkt uit punt 38 van het onderhavige arrest, bevat deze lijst immers een uitputtende opsomming, zodat een tak van sociale zekerheid die niet erin wordt vermeld, niet als zodanig kan worden gekwalificeerd, zelfs indien de rechthebbenden een wettelijk omschreven positie wordt toegekend die recht geeft op een uitkering (zie met name arrest Hoeckx, reeds aangehaald, punt 12; arrest van 11 juli 1996, Otte, C-25/95, Jurispr. blz. I-3745, punt 22, en arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 20).
42 Daarom heeft het Hof, op basis van de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en rekening houdend met de constitutieve bestanddelen van de prestaties van de Duitse verzorgingsverzekering, in de punten 22 tot en met 25 van het reeds aangehaalde arrest Molenaar in wezen geoordeeld dat prestaties als die welke worden toegekend in het kader van het Duitse stelsel van verzorgingsverzekering, ook al hebben zij specifieke kenmerken, dienen te worden beschouwd als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.
43 Dienaangaande heeft het Hof in het bijzonder opgemerkt dat prestaties als de Duitse verzorgingstoelage met name erop gericht zijn een aanvulling te vormen op de prestaties krachtens de ziektekostenverzekering, waaraan zij qua organisatie overigens gekoppeld zijn, teneinde de gezondheid en het leven van de hulpbehoevende te verbeteren (arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 24). Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de Duitse verzorgingstoelage, die een financiële ondersteuning vormt die het levenspeil van hulpbehoevende personen over het geheel genomen kan verbeteren doordat de extra kosten die hun situatie met zich brengt, worden gecompenseerd, moet worden gelijkgesteld met de „uitkeringen” als bedoeld in met name artikel 28, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 (zie arrest Molenaar, reeds aangehaald, punten 35 en 36).
44 Deze analyse kreeg navolging in andere zaken met betrekking tot de Duitse verzorgingsverzekering (zie arresten van 8 juli 2004, Gaumain-Cerri en Barth, C-502/01 en C-31/02, Jurispr. blz. I-6483, punten 19-23 en 25-26, en 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski, C-208/07, Jurispr. blz. I-6095, punt 40).
45 Wat betreft bepaalde prestaties van sociale zekerheid die vallen onder andere nationale regelingen dan de Duitse regeling van hulpbehoevendheid, heeft het Hof eveneens in wezen geoordeeld dat prestaties die op objectieve gronden worden toegekend op basis van een bij wet vastgelegde situatie en tot doel hebben de gezondheidstoestand en het leven van de hulpbehoevende te verbeteren, moeten worden beschouwd als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 (zie in die zin arresten van 8 maart 2001, Jauch, C-215/99, Jurispr. blz. I-1901, punt 28; 21 februari 2006, Hosse, C-286/03, Jurispr. blz. I-1771, punten 38-44, en 18 oktober 2007, Commissie/Parlement en Raad, C-299/05, Jurispr. blz. I-8695, punten 10, 61 en 70).
46 Het Hof heeft bovendien gepreciseerd dat het er niet toe doet dat de betrokken prestatie bedoeld is om, gelet op de hulpbehoevendheid van de persoon, een ander pensioen dan een prestatie bij ziekte aan te vullen (zie arrest Jauch, reeds aangehaald, punt 28) en dat de toekenning van de prestatie niet noodzakelijk gebonden is aan de betaling van een prestatie van de ziektekostenverzekering (zie in die zin, arrest Hosse, reeds aangehaald, punt 43). Het is dienaangaande evenmin van belang dat een bepaalde prestatie, in tegenstelling tot de prestaties die in de reeds aangehaalde arresten centraal stonden, niet hoofdzakelijk tot doel heeft om als aanvulling te dienen op prestaties van ziektekostenverzekering (zie in die zin arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 70).
47 Uit het voorgaande volgt dat hoewel het Hof, nu verordening nr. 1408/71 geen bepalingen betreffende het specifieke risico van hulpbehoevendheid bevat, bepaalde prestaties in verband met dat risico heeft gelijkgesteld met „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van genoemde verordening, het Hof niettemin steeds heeft erkend dat prestaties inzake het risico van hulpbehoevendheid hoogstens een aanvulling zijn op de „klassieke” prestaties bij ziekte die stricto sensu onder deze bepaling vallen (hierna: „prestaties bij ziekte stricto sensu”) en niet noodzakelijk een integrerend bestanddeel ervan uitmaken.
48 Dienaangaande moet namelijk worden opgemerkt dat, anders dan prestaties bij ziekte stricto sensu, prestaties betreffende het risico van hulpbehoevendheid — aangezien zij doorgaans van lange duur zijn — in beginsel niet zijn bestemd om voor korte tijd te worden uitgekeerd. Overigens, zoals blijkt uit met name de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, valt niet uit te sluiten dat prestaties betreffende het risico van hulpbehoevendheid, ook al moeten zij worden beschouwd als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, met name door de toepassingsmodaliteiten ervan eigenschappen kunnen hebben die feitelijk eveneens in zekere mate aansluiten bij de takken invaliditeit en ouderdom als bedoeld sub b en c van genoemd artikel 4, lid 1, zonder dat zij strikt kunnen worden geïdentificeerd als behorend tot de ene dan wel de andere tak.
49 De vraag van de verwijzende rechter dient tegen de achtergrond van deze overwegingen te worden beantwoord.
Mogelijkheid om in een situatie als die in het hoofdgeding aansluiting bij de Duitse verzorgingsverzekering te handhaven op grond van de vrijwillig voortgezette verzekering
50 In casu is het Bundessozialgericht van oordeel, zoals blijkt uit met name punt 30 van het onderhavige arrest, dat een persoon in een situatie als die van da Silva Martins alleen op grond van het Duitse recht in beginsel de mogelijkheid heeft om aansluiting bij de Duitse verzorgingsverzekering op grond van de vrijwillig voortgezette verzekering te handhaven voor het tijdvak met ingang van 1 augustus 2002, ook al is zijn verplichte aansluiting bij het Duitse ziektekostenverzekeringsfonds met ingang van zijn verklaring van vertrek uit Duitsland niet meer mogelijk.
51 De verwijzende rechter lijkt echter te oordelen dat verordening nr. 1408/71 zich, althans op het eerste gezicht, verzet tegen handhaving van de aansluiting van een persoon in een situatie als die in het hoofdgeding bij de verzorgingsverzekering op grond van de vrijwillig voortgezette verzekering.
52 In de eerste plaats moet dus worden onderzocht of, zoals de nationale rechter van oordeel lijkt te zijn, de conflictregels van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zich ertegen verzetten dat een persoon in een situatie als die van da Silva Martins aansluiting bij de Duitse verzorgingsverzekering handhaaft op grond van de vrijwillig voortgezette verzekering, wanneer een dergelijke persoon na wijziging van de woonstaat vanaf dat tijdstip overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub f, van genoemde verordening in beginsel onder de socialezekerheidsregeling van deze nieuwe woonstaat valt (zie inzake dit laatste punt arrest van 20 januari 2005, Laurin Effing, C-302/02, Jurispr. blz. I-553, punt 41).
53 Dienaangaande klopt het dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die voorschrijven welke wettelijke regeling van toepassing is op werknemers die zich binnen de Unie verplaatsen, met name beogen te bereiken dat de betrokkenen in beginsel slechts aan het socialezekerheidsstelsel van één enkele lidstaat zijn onderworpen, om samenloop van toepasselijke nationale wettelijke regelingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan te vermijden (zie met name arresten van 12 juni 1986, Ten Holder, 302/84, Jurispr. blz. 1821, punten 19 en 20, en 14 oktober 2010, Schwemmer, C-16/09, Jurispr. blz. I-9717, punt 40). Dit beginsel van eenheid van socialezekerheidsregeling wordt uitgedrukt in met name artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 (zie in die zin arresten van 7 juli 2005, van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03, Jurispr. blz. I-6101, punt 38, en 20 mei 2008, Bosmann, C-352/06, Jurispr. blz. I-3827, punt 16).
54 Dit beginsel van eenheid van socialezekerheidsregeling wordt eveneens uitgedrukt in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1408/71. Volgens de bewoordingen van het eerste streepje van deze bepaling is de verzekerde, ingeval de toepassing van de wetgeving van twee of meer lidstaten leidt tot gelijktijdige aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering en een stelsel van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, uitsluitend onderworpen aan het stelsel van verplichte verzekering.
55 Deze bepaling is echter niet van toepassing in een situatie als die in het hoofdgeding.
56 Op grond van artikel 15, lid 1, van deze verordening zijn de daar opgesomde bepalingen, waaronder met name artikel 13, dat het in punt 53 van het onderhavige arrest uiteengezette beginsel uitdrukt, niet van toepassing op de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering, tenzij voor een van de in artikel 4 bedoelde takken van sociale zekerheid in een lidstaat alleen een stelsel van vrijwillige verzekering bestaat. Zoals blijkt uit met name de punten 19 tot en met 23 van het onderhavige arrest, is dit voorbehoud niet relevant in een situatie als die in het hoofdgeding, omdat de Duitse verzorgingsverzekering doorgaans een verplichte verzekering is. Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is dit beginsel van eenheid van socialezekerheidsregeling dus niet van toepassing op een situatie als die in het hoofdgeding.
57 Gelezen in het licht van de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 1408/71 moet artikel 15, lid 2, ervan overigens aldus worden uitgelegd dat ermee wordt beoogd te vermijden dat een persoon voor een en hetzelfde risico tweemaal premies moet betalen onder twee verschillende socialezekerheidsstelsels, een verplicht en een vrijwillig stelsel, met alle verwikkelingen die daaruit ontstaan. Deze bepaling vindt echter geen toepassing op een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de bijdragen van de betrokken vrijwillig voortgezette verzekering en verplichte verzekering betrekking hebben op risico's die, zelfs indien zij overeenkomstig de in de punten 42 tot en met 46 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 gelijk te stellen zijn, blijkens de punten 39, 40, 47 en 48 van dit arrest niet identiek zijn, te weten het risico van hulpbehoevendheid respectievelijk het risico van ziekte in de strikte zin van artikel 4, lid 1, sub a, van deze verordening.
58 Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat verordening nr. 1408/71 zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding niet verzet tegen de vrijwillig voortgezette aansluiting bij de Duitse verzorgingsverzekering.
59 Bijgevolg verzet verordening nr. 1408/71 zich niet ertegen dat een persoon in een situatie als die van da Silva Martins in beginsel een vrijwillige aansluiting, krachtens Duits recht, bij de Duitse verzorgingsverzekering kan handhaven, ook al is deze persoon gedurende hetzelfde tijdvak overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub f, van deze verordening eveneens verplicht aangesloten bij de Portugese socialezekerheidsregeling.
Uitlegging van de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 1408/71
60 De verwijzende rechter benadrukt dat in Portugal, anders dan in Duitsland, geen aparte socialezekerheidsregeling voor het specifieke risico van hulpbehoevendheid bestaat. Hij stelt de vraag of artikel 28 van verordening nr. 1408/71 derhalve niet aldus moet worden uitgelegd dat het in de plaats van artikel 27 van deze verordening van toepassing is op een situatie als die in het hoofdgeding, zij het uitsluitend inzake prestaties voor het risico van hulpbehoevendheid, en niet voor prestaties bij ziekte stricto sensu.
61 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 28 van deze verordening met name situaties betreft waarin de rechthebbende op pensioenen of renten die verschuldigd zijn op grond van de wettelijke bepalingen van twee of meer lidstaten, geen recht heeft op de prestaties bij ziekte op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont.
62 Bijgevolg lijkt de verwijzende rechter van oordeel te zijn dat personen in een situatie als die van da Silva Martins krachtens de Portugese wettelijke socialezekerheidsregeling geen aanspraak kunnen maken op uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid.
63 Blijkens met name de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest valt echter niet van meet af aan uit te sluiten dat het Portugese socialezekerheidsstelsel, ook al omvat het anders dan het Duitse stelsel geen apart stelsel dat uitsluitend het risico van hulpbehoevendheid dekt, niettemin in bepaalde uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid voorziet, zoals in het bijzonder aanvullende pensioenen naargelang van de graad van hulpbehoevendheid.
64 Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan, rekening houdend met de in de punten 42 tot en met 46 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, of de bewering klopt dat in Portugal geen socialezekerheidsprestaties voor het risico van hulpbehoevendheid bestaan (zie eveneens naar analogie arrest Jauch, reeds aangehaald, punt 26).
65 Gezien deze rechtspraak, die onder voorbehoud van de door deze rechtspraak gestelde criteria de gelijkstelling toelaat van socialezekerheidsprestaties voor het risico van hulpbehoevendheid met „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, moet in elk geval worden geconcludeerd dat artikel 28 van genoemde verordening niet van toepassing zijn kan op een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de betrokkene, die op grond van de wettelijke regeling van zijn woonstaat recht heeft op een ouderdomspensioen, op grond van diezelfde wettelijke regeling recht heeft op prestaties bij ziekte stricto sensu.
66 Overeenkomstig artikel 27 van verordening nr. 1408/71 ontvangt de rechthebbende op pensioenen of renten, die verschuldigd zijn krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, en die recht heeft op prestaties wegens ziekte op grond van de wettelijke regeling van de woonstaat, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat verschuldigd pensioen of rente.
67 In een situatie als die van het hoofdgeding staat het dus aan de Portugese Republiek, als een van de schuldenaars van een ouderdomspensioen van da Silva Martins, om als woonstaat van deze persoon ervoor te zorgen dat prestaties bij ziekte stricto sensu worden betaald (zie naar analogie arrest van 18 juli 2006, Nikula, C-50/05, Jurispr. blz. I-7029, punten 22 en 23).
68 Blijkens de punten 39 tot en met 46 van het onderhavige arrest moeten prestaties voor het risico van hulpbehoevendheid worden gelijkgesteld met „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Wanneer een voormalige migrerende werknemer rechthebbende op pensioenen is op grond van de wettelijke bepalingen van twee of meer lidstaten, waaronder de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, is het bijgevolg laatstgenoemde staat die desgevallend overeenkomstig artikel 27 van verordening nr. 1408/71 in beginsel prestaties voor het risico van hulpbehoevendheid moet leveren.
69 Gelet op de in de punten 40 tot en met 48 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen moet artikel 27 van verordening nr. 1408/71 in omstandigheden als die van het hoofdgeding, nu deze verordening geen bepalingen betreffende het specifieke risico van hulpbehoevendheid bevat, worden uitgelegd in het licht van de onderliggende doelstellingen van verordening nr. 1408/71, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de prestaties voor het risico van hulpbehoevendheid vergeleken met prestaties bij ziekte stricto sensu (zie met name naar analogie arresten van 6 maart 1979, Rossi, 100/78, Jurispr. blz. 831, punt 12, en 14 december 1989, Dammer, C-168/88, Jurispr. blz. 4553, punt 20).
70 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de krachtens artikel 48 VWEU vastgestelde bepalingen van verordening nr. 1408/71 moeten worden uitgelegd met inachtneming van het doel van dit artikel, namelijk bijdragen tot het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers (zie met name arrest van 12 oktober 1978, Belbouab, 10/78, Jurispr. blz. 1915, punt 5; arrest Jauch, reeds aangehaald, punt 20; arrest Hosse, reeds aangehaald, punt 24, en arrest van 11 september 2007, Hendrix, C-287/05, Jurispr. blz. I-6909, punt 52).
71 Aangezien artikel 48 VWEU in een coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten voorziet (zie met name arrest van 5 juli 1988, Borowitz, 21/87, Jurispr. blz. 3715, punt 23), raakt dit artikel niet aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het recht van de Unie de voorwaarden voor toekenning van prestaties krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen (zie in die zin arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 84, en arrest van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09, Jurispr. blz. I-9879, punt 99).
72 In het kader daarvan kan het primaire recht van de Unie een verzekerde niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat uit het oogpunt van de sociale zekerheid, onder meer wat de prestaties bij ziekte betreft, neutraal zal zijn. De toepassing, desgevallend krachtens bepalingen van verordening nr. 1408/71, na een wijziging van de woonstaat, van een nationale regeling die wat betreft socialezekerheidsprestaties minder interessant is, kan bijgevolg in beginsel verenigbaar zijn met de vereisten van het primaire recht van de Unie inzake het vrije verkeer van personen (zie met name naar analogie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punten 85 en 87).
73 Uit vaste rechtspraak blijkt echter dat een dergelijke regeling slechts verenigbaar is met het recht van de Unie wanneer met name deze nationale regeling de betrokken werknemer niet benadeelt ten opzichte van personen die al hun werkzaamheden uitoefenen in de lidstaat waar deze regeling van toepassing is, en wanneer zij niet zonder meer inhoudt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat (zie in die zin arresten van 19 maart 2002, Hervein e.a., C-393/99 en C-394/99, Jurispr. blz. I-2829, punt 51; 9 maart 2006, Piatkowski, C-493/04, Jurispr. blz. I-2369, punt 34, en 1 oktober 2009, Leyman, C-3/08, Jurispr. blz. I-9085, punt 45, en arrest Van Delft e.a., reeds aangehaald, punt 101).
74 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, zou het doel van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU niet worden bereikt indien de migrerende werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun uitsluitend door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen (zie met name in die zin arresten van 21 oktober 1975, Petroni, 24/75, Jurispr. blz. 1149, punt 13; 25 februari 1986, Spruyt, 284/84, Jurispr. blz. 685, punt 19, en 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a., C-59/95, Jurispr. blz. I-1071, punt 17, en arresten Jauch, reeds aangehaald, punt 20, en Bosmann, reeds aangehaald, punt 29).
75 De regeling van de Unie ter coördinatie van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid kan, gelet op met name het onderliggende doel ervan, behoudens uitdrukkelijke uitzondering in overeenstemming met deze doelstellingen, overigens niet op zodanige wijze worden toegepast dat de migrerende werknemer of zijn rechtverkrijgenden het recht verliezen op de uitkeringen die enkel krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend (zie met name arrest van 5 juli 1967, Colditz, 9/67, Jurispr. blz. 286, punt 293, en arresten Rossi, reeds aangehaald, punt 14, en Schwemmer, reeds aangehaald, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 Uit de rechtspraak volgt bovendien dat de artikelen 45 VWEU tot en met 48 VWEU, alsmede de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordening nr. 1408/71, met name tot doel hebben te voorkomen dat een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en in meer dan één lidstaat heeft gewerkt, zonder objectieve rechtvaardiging minder gunstig wordt behandeld dan een werknemer die al zijn arbeidsjaren in één lidstaat heeft vervuld (zie met name in die zin arresten van 5 mei 1977, Jansen, 104/76, Jurispr. blz. 829, punt 12; 7 maart 1991, Masgio, C-10/90, Jurispr. blz. I-1119, punten 17, 19 en 23; 22 november 1995, Vougioukas, C-443/93, Jurispr. blz. I-4033, punten 41 en 42, en 17 september 1997, Iurlaro, C-322/95, Jurispr. blz. I-4881, punten 23 en 30, en arrest Leyman, reeds aangehaald, punt 45).
77 Indien in een situatie als die in het hoofdgeding alleen het nationale recht de vrijwillig voortgezette aansluiting toelaat van een persoon in een situatie als die van da Silva Martins bij een aparte socialezekerheidsregeling voor het risico van hulpbehoevendheid, zonder dat verordening nr. 1408/71 eraan in de weg staat, en indien deze persoon gedurende de vereiste minimumperiode bijdragen heeft betaald om prestaties te kunnen ontvangen in geval van hulpbehoevendheid, kan de automatische schorsing van de betaling van alle prestaties in verband met dit stelsel bij verplaatsing van de woonplaats van de betrokkene naar een andere lidstaat van de Unie tot gevolg hebben, zoals de verwijzende rechter in wezen opmerkt en anders dan de Duitse regering en de regering van Verenigd Koninkrijk stellen, dat bijdragen zijn betaald die geen recht geven op een uitkering, ten minste voor de bijdragen die zijn betaald op grond van een voortgezette aansluiting na verplaatsing van de woonplaats.
78 Zo zou het niet stroken met het door artikel 48 VWEU nagestreefde doel, zoals dit blijkt uit met name de punten 70, 71 en 74 van het onderhavige arrest, indien een voormalige migrerende werknemer in een positie als die van da Silva Martins, uitsluitend om reden dat hij overeenkomstig artikel 27 van verordening nr. 1408/71 recht heeft op prestaties bij ziekte stricto sensu op grond van de wettelijke regeling van zijn woonstaat, alle voordelen zou verliezen die de tegenprestatie zijn voor de door hem in een voormalige werkstaat betaalde bijdragen in het kader van een autonoom verzekeringsstelsel dat niet het risico van ziekte in de strikte zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, maar het risico van hulpbehoevendheid dekt. Dit geldt a fortiori in de in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde hypothese, waarvan de verwijzende rechter de waarachtigheid moet nagaan, waarin in de woonstaat geen socialezekerheidsuitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid bestaan.
79 Bovendien zou een voormalige migrerende werknemer die na zijn beroepsloopbaan opnieuw in zijn land van herkomst woont, in een dergelijke situatie worden benadeeld ten opzichte van rechthebbenden op een ouderdomspensioen van een enkele lidstaat die gedurende hun gehele beroepsloopbaan in een enkele lidstaat hebben gewerkt en na pensionering hun woonplaats naar een andere lidstaat verplaatsen.
80 Voor deze laatste categorie van personen zouden de relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71, in het bijzonder artikel 28, lid 1, sub a, gelezen in het licht van de in de punten 42 tot en met 46 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, namelijk tot gevolg hebben dat eventuele door de voormalige werkstaat voorziene uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid, aangezien zij worden beschouwd als prestaties bij ziekte stricto sensu, in beginsel buiten de bevoegde staat moeten worden verleend (zie met name naar analogie arresten Molenaar, reeds aangehaald, punt 43, en Jauch, reeds aangehaald, punten 10, 11 en 35).
81 Derhalve moet artikel 27 van verordening nr. 1408/71, gelet op in het bijzonder de in de punten 73 tot en met 76 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, met betrekking tot uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid in een situatie als die in het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat een recht op prestaties bij ziekte stricto sensu in de woonstaat niet het recht doet vervallen dat voorheen ten laste van een andere lidstaat uitsluitend krachtens diens regeling betreffende het risico van hulpbehoevendheid is verkregen op grond van enkel onder die regeling vervulde verzekeringsvakken (zie met name naar analogie arresten Dammer, reeds aangehaald, punten 21-23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 17).
82 Gelet op de eisen die voortvloeien uit artikel 12 van verordening nr. 1408/71, moet in casu bij een dergelijke uitlegging echter rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verwijzende rechter na de overeenkomstig de punten 63 en 64 van het onderhavige arrest gedane verificaties tot de slotsom komt dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding in Portugal op grond van de Portugese wettelijke regeling is voorzien in uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid.
83 In dergelijke omstandigheden moet artikel 27 van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat wanneer in de woonstaat slechts is voorzien in uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid voor een bedrag dat lager is dan het bedrag van de prestaties voor dat risico in de andere lidstaat die schuldenaar van het pensioen is, de beginselen waarop verordening nr. 1408/71 gebaseerd is, vereisen dat een persoon in een situatie als die van da Silva Martins ten laste van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde staat recht heeft op aanvullende prestaties ten belope van het verschil tussen de twee bedragen (zie met name naar analogie arresten van 12 juni 1980, Laterza, 733/79, Jurispr. blz. 1915, punt 9; 9 juli 1980, Gravina, 807/79, Jurispr. blz. 2205, punt 8, en 24 november 1983, D’Amario, 320/82, Jurispr. blz. 3811, punt 7; arrest Dammer, reeds aangehaald, punten 23 en 24; arrest van 11 juni 1991, Athanasopoulos e.a., C-251/89, Jurispr. blz. I-2797, punt 17, en arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 16).
84 Deze oplossing kan niet worden uitgesloten door de door de Duitse regering uitgebreid behandelde omstandigheid dat op grond van § 34 SGB XI het recht dat een hulpbehoevende op grond van de vrijwillig voortgezette verzekering als bedoeld in § 26 SGB XI heeft op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzorgingstoelage, wordt geschorst in beginsel zolang de verzekerde in het buitenland verblijft.
85 Het Hof heeft namelijk reeds in wezen geoordeeld dat de bijdrage aan een verzekeringsstelsel inzake de sociale zekerheid de verzekerde werknemer in beginsel recht op ontvangst van de overeenkomstige prestaties verleent indien hij voldoet aan de voorwaarden van de wettelijke regeling van de bevoegde lidstaat, met uitsluiting van de voorwaarden die niet in overeenstemming zijn met de op het gebied van de sociale zekerheid geldende bepalingen van Unierecht (zie in die zin arrest Molenaar, reeds aangehaald, punt 43).
86 Zoals volgt uit de in de punten 73 tot en met 76 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, zou de door artikel 48 VWEU nagestreefde doelstelling niet worden bereikt wanneer de wettelijke regeling van een lidstaat, buiten de gevallen die in de Unieregeling in overeenstemming met de doeleinden van het VWEU uitdrukkelijk zijn geregeld, de toekenning van socialezekerheidsvoordelen die krachtens deze wettelijke regeling verschuldigd zijn, afhankelijk zou stellen van de voorwaarde dat de werknemer op het grondgebied van de lidstaat woont (zie eveneens in die zin arrest Athanasopoulos e.a., reeds aangehaald, punt 20).
87 De Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen terecht dat in geval van samenloop van prestaties van meerdere lidstaten bij uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid, praktische problemen kunnen ontstaan die in de huidige stand van het Unierecht niet volledig zijn geregeld door de Unierechtelijke bepalingen ter coördinatie van de socialezekerheidsregelingen. Maar deze omstandigheid op zich kan niet rechtvaardigen dat verordening nr. 1408/71 in die zin wordt uitgelegd dat een voormalige migrerende werknemer die uitsluitend op grond van de wettelijke regeling van een voormalige werkstaat was toegelaten tot een vrijwillig voortgezette verzekering voor het risico van hulpbehoevendheid, voor deze verzekering bijdragen moet betalen waartegenover geen prestaties staan, met als gevolg dat hij een minder gunstige behandeling krijgt dan een persoon die al zijn arbeidsjaren in een enkele lidstaat heeft vervuld (zie naar analogie arrest D’Amario, reeds aangehaald, punt 8).
88 Gelet op al het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 15 en 27 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een persoon in een situatie als die in het hoofdgeding, die een ouderdomspensioen ontvangt van het pensioenverzekeringsfonds van zijn lidstaat van herkomst én van de lidstaat waar hij het grootste deel van zijn beroepsleven heeft doorgebracht, en vanuit laatstgenoemde lidstaat is verhuisd naar zijn lidstaat van herkomst, op grond van een vrijwillig voortgezette aansluiting bij een autonome verzorgingsverzekeringsregeling in de lidstaat waar hij het grootste deel van zijn beroepsleven heeft doorgebracht, een uitkering kan blijven ontvangen overeenkomstig deze aansluiting, in het bijzonder in de veronderstelling dat in de woonstaat geen uitkeringen voor het specifieke risico van hulpbehoevendheid bestaan, welke omstandigheid de verwijzende rechter moet nagaan. Indien in de regeling van de woonstaat daarentegen is voorzien in uitkeringen voor het risico van hulpbehoevendheid, maar slechts voor een bedrag dat lager is dan de prestaties voor dat risico in de andere lidstaat die schuldenaar is van een pensioen, moet artikel 27 van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat een dergelijke persoon ten laste van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde staat recht heeft op aanvullende prestaties ten belope van het verschil tussen de twee bedragen.