Argumenten van partijen
39 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Portugese Republiek één enkel middel aan, ontleend aan schending door het Gerecht van artikel 239 van het douanewetboek. Volgens de Portugese Republiek heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat er sprake was van een bijzondere situatie die voldeed aan de in dat artikel neergelegde voorwaarden voor terugbetaling. Het middel bestaat uit drie onderdelen, waarmee de Portugese Republiek het Gerecht verwijt dat het:
-
het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Portugese douaneautoriteiten fouten hebben begaan bij de vaststelling en latere controle van de doorlopende zekerheid die was gesteld voor de betrokken verrichtingen inzake douanevervoer;
-
ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van een causaal verband tussen die fouten en het latere ontstaan van de douaneschuld wegens de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, en
-
ten onrechte heeft geconcludeerd dat Transnáutica de nodige voorzorgsmaatregelen had getroffen om te voorkomen dat de doorlopende zekerheid zou worden gebruikt voor verrichtingen inzake douanevervoer die betrekking hadden op hoge bedragen.
40 Volgens de Portugese Republiek is in de onderhavige zaak de doorlopende zekerheid gesteld in 1993, dat wil zeggen, op een moment waarop, zoals volgt uit artikel 915, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening, de bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek nog niet van toepassing waren. Op dat moment had het bedrag van de doorlopende zekerheid moeten worden vastgesteld volgens de regels van artikel 34 ter van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 132, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3712/92 van de Commissie van 21 december 1992 (PB L 378, blz. 15).
41 Wat de controle van de doorlopende zekerheid betreft, betoogt de Portugese Republiek dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de douaneautoriteiten hadden moeten verifiëren of de gestelde doorlopende zekerheid het bedrag van de verschuldigde invoerrechten dekte. Bovendien betwist die lidstaat de conclusie van het Gerecht dat de douaneautoriteiten na die verificatie aan Transnáutica de eis hadden moeten stellen dat deze de doorlopende zekerheid zou verhogen, zulks vanwege de hoogte van het bedrag van de douaneschuld die kon ontstaan, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat Transnáutica de frauduleuze handelwijze van haar werknemer zou hebben ontdekt.
42 De Portugese Republiek stelt dat artikel 198 van het douanewetboek de douaneautoriteiten enkel de verplichting oplegt om te verifiëren of het bedrag van de mogelijk verschuldigde invoerrechten hoger is dan het bedrag van de gestelde zekerheid. Volgens die lidstaat heeft het Gerecht het Unierecht geschonden door te oordelen dat dat artikel aan het douanekantoor van vertrek de verplichting oplegt om ten tijde van de verrichting inzake douanevervoer te verifiëren of de gestelde doorlopende zekerheid niet alleen het bedrag van die rechten, maar ook de andere heffingen die later verschuldigd zouden kunnen zijn, kon dekken.
43 Om diezelfde redenen stelt de Portugese Republiek in het derde onderdeel van haar enige middel, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de door Transnáutica getroffen maatregelen niet in de weg stonden aan de mogelijkheid voor haar werknemer om een aanvullende zekerheid te stellen door middel van een bedrag in contanten dat het betrokken bedrag aan invoerrechten kon dekken en, bijgevolg, de aangegeven verrichtingen inzake douanevervoer die ten grondslag liggen aan het geding, uit te voeren.
44 In haar memorie van antwoord betoogt Transnáutica, in de eerste plaats, dat de middelen van de door de Portugese Republiek ingestelde hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
45 Volgens Transnáutica moeten de door de Portugese Republiek aangevoerde argumenten worden afgewezen, aangezien, enerzijds, die lidstaat niet het bewijs levert dat het Gerecht een fout heeft gemaakt die heeft geleid tot een materiële onjuistheid of een verdraaiing van de feiten, en, anderzijds, het niet aan het Hof staat om feiten die reeds door het Gerecht zijn beoordeeld opnieuw te onderzoeken, en evenmin om in een zaak uitspraak te doen op basis van hypothetische elementen of feiten die zich niet hebben voorgedaan. Bovendien werpt de hogere voorziening geen enkele rechtsvraag op.
46 Subsidiair betoogt Transnáutica dat indien het Hof van oordeel zou zijn dat de hogere voorziening niet in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk is, de door de Portugese Republiek aangevoerde rechtsmiddelen in ieder geval kennelijk ongegrond moeten worden verklaard.
47 Wat de vragen betreft aangaande de vaststelling van het bedrag van de doorlopende zekerheid stelt Transnáutica dat, aangezien de uitvoeringsverordening van toepassing was vanaf 1 januari 1994, die zekerheid, anders dan de Portugese Republiek beweert, de betrokken aangiften T1, die waren afgegeven tussen 14 april en 12 oktober 1994, dekte.
48 Bovendien stelt Transnáutica dat het argument van de Portugese Republiek dat het Gerecht zijn beslissing heeft gebaseerd op het feit dat de zekerheid 100 % van de douaneschuld had moeten bedragen, kennelijk ongegrond moet worden verklaard, aangezien, gelet op het feitelijk door de Portugese autoriteiten aanvaarde bedrag, het bestreden arrest, zelfs indien verordening nr. 1214/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3712/92 in casu van toepassing was geweest, niet anders zou zijn uitgevallen. Volgens Transnáutica staat de nalatigheid van die autoriteiten op dit punt buiten kijf.
49 Wat de controle van de doorlopende zekerheid betreft, betwist Transnáutica de uitlegging van de Portugese Republiek volgens welke de verplichting om een dergelijke zekerheid te controleren „elke juridische grondslag mist”.
50 Dienaangaande betoogt Transnáutica dat de doorlopende zekerheid is bedoeld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en andere heffingen die kunnen ontstaan voor de doorgevoerde goederen, zodat die zekerheid het bedrag van die douaneschuld moet dekken en niet de waarde van die goederen. Een specifieke juridische bepaling die de nationale douaneautoriteiten verplicht om die doorlopende zekerheid te controleren is dus niet noodzakelijk. Volgens Transnáutica dienen de nationale douaneautoriteiten zich, teneinde elke onregelmatigheid te voorkomen, ervan te vergewissen dat er een doorlopende zekerheid is gesteld die de betaling van die schuld dekt.
51 Transnáutica stelt dat artikel 198 van het douanewetboek moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van loyale samenwerking, op grond waarvan de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Bijgevolg moeten de nationale douaneautoriteiten in staat zijn om, ook al wordt de verplichting om de doorlopende zekerheid te controleren niet uitdrukkelijk genoemd, te controleren of die zekerheid voldoende is. Volgens die vennootschap wordt bij het ontbreken van een dergelijke controle de uitvoering van bovengenoemd artikel niet gewaarborgd en het beginsel van samenwerking geschonden.
52 Transnáutica stelt dat het door de Portugese Republiek aangevoerde middel erop neerkomt dat de lidstaten het Unierecht enkel moeten toepassen wanneer een bepaling hen daartoe uitdrukkelijk verplicht. Een dergelijke uitlegging zou het stelsel van verdeling van de bevoegdheden binnen de Unie op losse schroeven zetten. Alleen al daarom dient dit middel kennelijk ongegrond te worden verklaard.
53 Wat, ten slotte, het derde onderdeel van het ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde enige middel betreft, betoogt Transnáutica dat de vraag of het gebrek aan zorgvuldigheid bij het vaststellen en controleren van de zekerheid valt onder de verantwoordelijkheid van de Portugese douaneautoriteiten of onder die van de Spaanse douaneautoriteiten, dan wel van een andere lidstaat, in geen geval betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van Transnáutica. Dat onderdeel dient dus kennelijk ongegrond te worden verklaard.
54 In het kader van haar interventie stelt het Koninkrijk Spanje dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het een in de artikelen 6 en 198 van het douanewetboek neergelegde administratieve bevoegdheid, waarvan de uitoefening is overgelaten aan de vrije beoordeling van de douaneadministratie, omzet in een verplichting voor de douaneadministratie die gevolgen heeft voor het ontstaan van de douaneschuld. Het Koninkrijk Spanje betoogt dat die uitlegging enkel opgaat in de gevallen waarin de norm dit uitdrukkelijk voorschrijft en de juridische gevolgen ervan voor de op de belanghebbende rustende verplichting definieert.
55 Volgens die lidstaat zou het omzetten van de controlebevoegdheden van de administratie in een verplichting die gevolgen heeft voor het ontstaan van de douaneschuld, erop neerkomen dat de uitoefening van de aan de administratie voorbehouden bevoegdheden wordt gebaseerd op het beginsel van voorafgaande toestemming voor elke handeling van de belastingplichtige, hetgeen in strijd zou zijn met het in moderne staten heersende algemene beginsel, dat berust op minimale tussenkomst en uitgaat van de vooronderstelling dat de belastingplichtigen hun handelingen verrichten in overeenstemming met het recht.
56 Bovendien zou, gezien het feit dat elke overeenkomstig de douaneregeling verrichte handeling een voorafgaand verzoek van de belanghebbende vereist, toepassing van het bestreden arrest tot de conclusie leiden dat elke fraude, behoudens uitzonderlijke gevallen zoals het binnenbrengen van goederen op het nationale grondgebied zonder douaneaangifte, zou worden voorkomen door toepassing van de aan de douaneautoriteiten voorbehouden controlebevoegdheid. Als gevolg daarvan zou, wanneer zich een fraude voordoet, de administratie verantwoordelijk worden gehouden en de degene die de fraude begaat vrijuit gaan.
57 Volgens het Koninkrijk Spanje dient, om de regelmatigheid van de litigieuze beschikking te toetsen aan de artikelen 905 en volgende van de uitvoeringsverordening, vooral het gedrag van de belastingplichtige te worden geëvalueerd met betrekking tot de omstandigheden rondom het belastbare feit dat heeft geleid tot de douaneschuld.
58 In haar memorie van antwoord wijst de Commissie erop dat zij, ten behoeve van de nauwkeurigheid, het wenselijk achtte opmerkingen te maken betreffende bepaalde, in het kader van de onderhavige voorziening naar voren gebrachte argumenten, maar dat zij, aangezien zij geen hogere voorziening heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht, geen standpunt wenst in te nemen aangaande de hogere voorziening van de Portugese Republiek.
Beoordeling door het Hof
Ontvankelijkheid
59 Transnáutica werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, onder het betoog dat de Portugese Republiek, door exact dezelfde tekst in te dienen ter ondersteuning van zowel haar verzoek tot derdenverzet als de onderhavige hogere voorziening, het Hof in werkelijkheid verzoekt om feitelijke vragen, en geen rechtsvragen, opnieuw te onderzoeken, hetgeen in strijd is met artikel 256 VWEU.
60 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Portugese Republiek zich in de onderhavige hogere voorziening weliswaar beroept op dezelfde argumenten als die welke zij heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar bij het Gerecht ingediende verzoek tot derdenverzet, doch dat die omstandigheid op zichzelf niet volstaat om aan te nemen dat die hogere voorziening niet-ontvankelijk is zonder die lidstaat een legitieme beroepsmogelijkheid te ontnemen. Dit geldt te meer nu, in casu, het Gerecht het verzoek tot derdenverzet niet heeft toegewezen en evenmin de argumenten heeft onderzocht die de Portugese Republiek ter ondersteuning van dat verzoek heeft aangevoerd.
61 Bovendien is, anders dan Transnáutica stelt, de hogere voorziening van de Portugese Republiek niet gericht tegen het door het Gerecht uitgevoerde onderzoek van de feiten, maar tegen het oordeel van het Gerecht dat in een situatie als die welke heeft geleid tot het onderhavige geding de juridische voorwaarden voor toepassing van artikel 239 van het douanewetboek zijn vervuld. Die beoordeling van het Gerecht kan door het Hof in het kader van een hogere voorziening worden onderzocht (zie in die zin arrest van 25 juli 2008, C.A.S./Commissie, C-204/07 P, Jurispr. blz. I-6135, punt 83).
62 Bijgevolg moet de door Transnáutica opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Ten gronde
63 Met haar hogere voorziening betwist de Portugese Republiek de conclusies van het Gerecht volgens welke er sprake is van een bijzondere situatie die valt onder artikel 239 van het douanewetboek wanneer de douaneautoriteiten van een lidstaat fouten begaan bij de vaststelling en latere controle van het bedrag van de doorlopende zekerheid die voor een geheel van verrichtingen moet worden gesteld.
64 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Portugese Republiek één enkel middel aan dat bestaat uit drie onderdelen: (i) de vaststelling van het Gerecht dat de Portugese douaneautoriteiten fouten hebben begaan bij de vaststelling en controle van de doorlopende zekerheid, berust op een onjuiste uitlegging van het Unierecht; (ii) het Gerecht heeft ten onrechte geconcludeerd dat er een causaal verband bestaat tussen die fouten en het latere ontstaan van een douaneschuld op het moment waarop de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken, en (iii) het Gerecht heeft ten onrechte geconcludeerd dat Transnáutica alle nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de doorlopende zekerheid zou worden gebruikt voor verrichtingen inzake douanevervoer die betrekking hadden op grote bedragen.
65 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 905 van de uitvoeringsverordening, op basis waarvan de Commissie door de lidstaat waaronder de douaneautoriteit valt, is verzocht om aan de hand van de haar toegezonden elementen te beoordelen of er sprake is van een bijzondere situatie die de kwijtschelding van invoerrechten rechtvaardigt, een algemene billijkheidsclausule bevat die is bedoeld om een bijzondere situatie te dekken waarin de aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten, wanneer de douaneautoriteit niet in staat was om, gelet op de aangevoerde middelen, zelf een besluit tot kwijtschelding van de rechten te nemen (zie arrest van 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, Jurispr. blz. I-1041, punten 18-21, en reeds aangehaald arrest De Haan, punt 52).
66 Voorts dient te worden opgemerkt dat de door de Portugese Republiek aangevoerde bezwaren aangaande de redenering van het Gerecht betrekking hebben op verschillende feitelijke en juridische fases van een analyse die het Gerecht tot de conclusie hebben gevoerd dat er sprake was van een bijzondere situatie die valt onder artikel 239 van het douanewetboek. Om na te gaan of deze redenering gegrond is, moet elk van die fases achtereenvolgens worden onderzocht.
67 Om te beginnen zij eraan herinnerd, zoals het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat artikel 94 van het douanewetboek de aangever de verplichting oplegt om een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en van de andere belastingschulden die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan. Uit de artikelen 191 en 198 van datzelfde wetboek volgt eveneens dat het aan de douaneautoriteiten staat om voldoende doorlopende zekerheid vast te stellen en te controleren of die zekerheid is gesteld.
68 Zoals het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, zijn het optreden van en de controle door de bevoegde nationale douaneautoriteiten essentieel, niet alleen op het moment waarop het certificaat van borgtocht wordt opgesteld, maar ook telkens wanneer een doorlopende zekerheid die is bestemd om meerdere verrichtingen inzake douanevervoer te dekken, ter uitvoering en dekking van die verrichtingen wordt gebruikt. Artikel 198 van het douanewetboek bevat weliswaar geen formele verplichting om te controleren of de doorlopende zekerheid toereikend is, doch dit neemt niet weg dat het aan de bevoegde douaneautoriteiten staat om, wanneer zij er kennis van nemen dat het bedrag van de gestelde zekerheid afwijkt van het totale bedrag aan rechten die zijn verschuldigd voor een geheel van verrichtingen inzake douanevervoer, alle nodige maatregelen te treffen.
69 De Portugese Republiek betwist de reikwijdte van de bij artikel 198 van het douanewetboek opgelegde verplichting en stelt dat het Gerecht die bepaling te eng heeft uitgelegd, door van de douaneautoriteiten in het kader van de controle van de toereikendheid van de doorlopende zekerheid een te hoge mate van zorgvuldigheid te vereisen. Zij betwist eveneens de conclusies van het Gerecht aangaande de op de berekening van die doorlopende zekerheid toepasselijke regeling.
70 Opgemerkt zij dat de Portugese Republiek en de Commissie in hun opmerkingen voor het Hof tegenstrijdige uitleggingen hebben gegeven aangaande de versie van de op het onderhavige geding toepasselijke regeling. Afhankelijk van de toegepaste versie van die regeling, wordt een verschillend percentage gehanteerd — 30 % of 50 % — voor de mate waarin de verschuldigde rechten door de doorlopende zekerheid moeten zijn gedekt.
71 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat, ongeacht welke mate van dekking door de op het onderhavige geding toepasselijke regeling wordt vereist, de op de douaneautoriteiten rustende verplichting om zorgvuldig te werk te gaan ongewijzigd blijft. Ook zij eraan herinnerd dat het Gerecht, in punt 48 van het bestreden arrest, heeft opgemerkt dat „[z]oals Transnáutica ter terechtzitting heeft betoogd, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken, [...] de doorlopende zekerheid voor alle aangiften T1 die op diezelfde dag waren afgegeven nooit meer dan 7,29 % van de rechten en heffingen [dekte]”.
72 Derhalve moet worden vastgesteld dat, los van de vraag of de toepasselijke regeling een doorlopende zekerheid vereist van 30 % dan wel van 50 % van de verschuldigde rechten, de conclusie van het Gerecht dat de door de douaneautoriteiten vereiste zekerheid ontoereikend is, coherent is. Dat de feitelijk gestelde zekerheid nooit meer dan 7,29 % van die rechten heeft gedekt, terwijl dit minstens 30 % had moeten zijn, rechtvaardigt de vaststelling van het Gerecht, in punt 55 van het bestreden arrest, dat „door het ontbreken van controle door de douaneautoriteiten in een vroeg en fundamenteel stadium van de procedure van extern communautair douanevervoer 68 aangiften T1 konden worden afgegeven die niet door het certificaat van borgtocht werden gedekt”.
73 In punt 51 van het bestreden arrest heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat het „voor het functioneren van die regeling essentieel is dat de gestelde zekerheid toereikend is om — afhankelijk van de aard van de vervoerde goederen — 30, 50 of 100 % van het bedrag van de douaneschuld die kan ontstaan te dekken, en dat een fout bij de controle van de zekerheid op het moment van uitgave van de aangifte T1 zeker gevolgen zou hebben voor de vraag of de aangever in staat is om de betaling van de douaneschuld die kan ontstaan te waarborgen”.
74 In het licht van bovenstaande overwegingen dienen de twee andere onderdelen van het enige door de Portugese Republiek aangevoerde middel te worden onderzocht. De Portugese Republiek betwist in de eerste plaats de redenering van het Gerecht betreffende het causaal verband tussen de door de douaneautoriteiten begane fout in verband met de vaststelling van de doorlopende zekerheid enerzijds, en het mogelijke ontstaan van een douaneschuld wegens de onttrekking van die goederen aan het douanetoezicht anderzijds.
75 In punt 49 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld dat „[i]ndien de Portugese douaneautoriteiten op het moment waarop de aangiften T1 werden afgegeven, zouden hebben geverifieerd of het bedrag van de rechten en andere heffingen die voor elke lading kunnen ontstaan, was gedekt door de door rekwirante verstrekte doorlopende zekerheid, [...] de 68 aangiften T1 niet [hadden] kunnen worden afgegeven”. Die redenering vindt haar grondslag in het feit dat indien die autoriteiten hun verplichtingen met betrekking tot de berekening van het bedrag van de te stellen doorlopende zekerheid zouden hebben vervuld, hieruit zou zijn gebleken dat het geheel van verrichtingen waarvan nadien is geoordeeld dat zij frauduleus waren, nooit had kunnen worden verricht.
76 Het aldus door het Gerecht aangetoonde causaal verband betreft niet de berekening van het bedrag van de doorlopende zekerheid en het ontstaan van de douaneschuld, maar veeleer het verband tussen, enerzijds, de onoplettendheid van die autoriteiten, als gevolg waarvan de verrichtingen inzake douanevervoer ontsnapten aan alle in de toepasselijke regeling voorziene controles, en, anderzijds, het bestaan van een bijzondere situatie. In plaats van vast te stellen of er een causaal verband bestond tussen de fout in de berekening van het bedrag van de doorlopende zekerheid en het ontstaan van een schuld, heeft het Gerecht onderzocht of de aan het geding ten grondslag liggende feiten een „bijzondere situatie” die valt onder artikel 239 van het douanewetboek konden doen ontstaan.
77 In het licht van diezelfde overweging dient, in de tweede plaats, ook het derde onderdeel van het enige door de Portugese Republiek aangevoerde middel te worden onderzocht. De Portugese Republiek betwist de vaststelling van het Gerecht dat indien de douaneautoriteiten een toereikende doorlopende zekerheid hadden berekend en het stellen van die zekerheid hadden gecontroleerd, de door Transnáutica vastgestelde interne procedures de frauduleuze verrichting en bijgevolg het ontstaan van de douaneschuld hadden kunnen voorkomen.
78 Op dit punt kan worden volstaan met de opmerking dat de Portugese Republiek geen elementen heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat „indien de Portugese douaneautoriteiten de zekerheid hadden geweigerd — wegens het ontoereikende bedrag ervan — en om verstrekking van een aanvullende zekerheid hadden verzocht, er niet alleen in casu geen aangiften T1 zouden zijn afgegeven, maar zoals [Transnáutica] terecht stelt, zij de frauduleuze handelingen van haar werknemer had kunnen ontdekken”.
79 Het Gerecht heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch de hem voorgelegde bewijselementen verdraaid door in punt 60 van de bestreden beschikking te oordelen dat „[d]it gebrek aan zorgvuldigheid [...] onder de verantwoordelijkheid van de Portugese douaneautoriteiten [valt] en [...] [Transnáutica] in een bijzondere situatie [plaatst] die verder gaat dan het normale handelsrisico dat aan haar economische activiteit verbonden is”.
80 Aangaande het door de Portugese Republiek ter ondersteuning van dit derde onderdeel aangevoerde argument betreffende het gedrag dat de werknemer van Transnáutica zou hebben vertoond in de hypothetische situatie waarin de Portugese douaneautoriteiten hem zouden hebben verzocht een aanvullende zekerheid te verstrekken, moet worden opgemerkt dat een dergelijk argument een louter hypothetisch karakter heeft.
81 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat in de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval het Gerecht er, op basis van de hem voorgelegde feiten en zonder de hem voorgelegde bewijselementen te verdraaien of blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, van uit mocht gaan dat het gebrek aan zorgvuldigheid van die autoriteiten dat heeft geleid tot de ondoeltreffendheid van de door Transnáutica vastgestelde controleprocedures, een bijzondere situatie heeft doen ontstaan die valt onder artikel 239 van het douanewetboek.
82 Aangezien geen van de drie onderdelen van het enige door de Portugese Republiek ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middel kan slagen, dient de hogere voorziening te worden afgewezen.