Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 maart 2012

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 maart 2012

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
22 maart 2012

Uitspraak

Arrest van het Hof (Eerste kamer)

22 maart 2012(*)

"Hogere voorziening - Douane-unie - Verordeningen (EEG) nr. 2913/92 en (EEG) nr. 2454/93 - Kwijtschelding van invoerrechten - Voor derde landen bestemde ladingen tabak en ethylalcohol - Fraude door werknemer van belastingplichtige vennootschap"

In zaak C-506/09 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 december 2009,

Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes als gemachtigde,

rekwirante,

ondersteund door:

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door M. Muñoz Pérez als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënt in hogere voorziening,

andere partijen bij de procedure:

Transnáutica — Transportes e Navegação SA, gevestigd te Matosinhos (Portugal), vertegenwoordigd door C. Fernández Vicién, abogada, D. Ortigão Ramos, advogado, I. Moreno-Tapia Rivas, abogada, P. Vidal Matos, advogado en M. López Garrido, abogada,

verzoekster in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en L. Bouyon als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

wijst HET HOF (Eerste kamer),

Samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur), M. Ilešič, J.-J. Kasel en M. Berger,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Portugese Republiek om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 september 2009, Transnáutica/Commissie (T-385/05; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van beschikking REM 05/2004 van de Commissie van 6 juli 2005, waarbij Transnáutica — Transportes e Navegação SA terugbetaling en kwijtschelding van bepaalde invoerrechten is geweigerd (hierna: „litigieuze beschikking”).

Toepasselijke bepalingen

Regeling extern communautair douanevervoer

2 De artikelen 37, 91 en 92 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) bepalen dat in de Europese Gemeenschap binnengebrachte niet-communautaire goederen die, in plaats van onverwijld aan invoerrechten te worden onderworpen, onder de regeling extern communautair douanevervoer worden geplaatst, onder douanetoezicht in het douanegebied van de Gemeenschap kunnen worden vervoerd en pas op het kantoor van bestemming in het vrije verkeer worden gebracht.

3 Volgens het douanewetboek is de „aangever” het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. In deze hoedanigheid dient hij de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane op het kantoor van bestemming aan te brengen en de bepalingen betreffende deze regeling na te leven (artikel 96 van het douanewetboek). Deze verplichtingen eindigen wanneer de goederen samen met het bijbehorende document bij de douane op het kantoor van bestemming worden aangebracht (artikel 92 van het douanewetboek).

4 Volgens de artikelen 341, 346, 348, 350, 356 en 358 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”), moeten de betrokken goederen om te beginnen samen met een aangifte T1 aan het douanekantoor van vertrek worden aangebracht. Het kantoor van vertrek stelt de termijn vast waarbinnen de goederen aan het douanekantoor van bestemming moeten worden aangebracht, tekent een en ander aan op het document T1, behoudt het voor dit kantoor bestemde exemplaar en overhandigt de overige exemplaren aan de aangever. Het vervoer van de goederen vindt plaats onder geleide van het document T1. Nadat de goederen aan het kantoor van bestemming zijn aangebracht, vermeldt dit kantoor op de exemplaren van het document T1 de resultaten van de verrichte controle en zendt het via een centrale instantie onverwijld een ontvangstbewijs terug. In de artikelen 361 en volgende van de uitvoeringsverordening, in hun in casu toepasselijke versie, wordt bepaald dat een ontvangstbewijs, dat, op verzoek van de persoon die de exemplaren van de aangifte voor douanevervoer, de zogenoemde „exemplaren 4 en 5”, aanbrengt, wordt afgegeven door het kantoor van bestemming, naar het kantoor van vertrek moet worden teruggezonden via een centrale instantie.

5 Het douanetoezicht waaraan de goederen die worden vervoerd onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn onderworpen, eindigt met name wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, en inzonderheid door de betaling van de invoerrechten (artikelen 37, lid 2, en 79 van het douanewetboek). Zodra de goederen aan het toezicht worden onttrokken, ontstaat de douaneschuld bij invoer (artikel 203, leden 1 en 2, van het douanewetboek). Hoofdelijke schuldenaar van die schuld is met name, naast de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder de goederen waren geplaatst, diende na te komen (artikelen 203, lid 3, en 213 van het douanewetboek), dit wil zeggen de aangever.

6 In artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening wordt bepaald dat wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, meedeelt aan de aangever.

Doorlopende zekerheid voor het bedrag van de douaneschuld

7 Overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het douanewetboek is de aangever verplicht een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en van de andere belastingschulden die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan. Artikel 191 van datzelfde wetboek preciseert in dit verband dat op verzoek van de schuldenaar of van de persoon die de schuldenaar kan worden, de douaneautoriteiten kunnen toestaan dat ter dekking van verscheidene transacties die tot het ontstaan van een douaneschuld aanleiding geven of kunnen geven, een doorlopende zekerheid wordt gesteld.

8 Artikel 198 van het douanewetboek bepaalt dat indien de douaneautoriteiten vaststellen dat de gestelde zekerheid niet of niet meer alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijnen in haar geheel zal worden voldaan, zij van de schuldenaar of van de persoon die de schuldenaar kan worden, eisen dat deze, naar eigen keuze, hetzij een aanvullende zekerheid stelt, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe vervangt.

9 In artikel 361 van de uitvoeringsverordening wordt bepaald dat het bedrag van de doorlopende zekerheid gelijk is aan ten minste 30 % van de verschuldigde rechten en andere heffingen wanneer die zekerheid dient ter dekking van verrichtingen inzake extern communautair douanevervoer van met name goederen die voorkomen op de lijst in bijlage 53 bij diezelfde verordening, waaronder sigaretten en alcohol. In dat geval bepaalt dat artikel dat de douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de doorlopende zekerheid 50 % bedraagt van het bedrag van de verschuldigde rechten en andere heffingen.

10 De doorlopende zekerheid wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling, dat het bedrag van de borgtocht vaststelt, de verbintenis van de borg aanvaardt en een voorafgaande toestemming verleent op grond waarvan de aangever, binnen de grenzen van de borgtocht, elk communautair douanevervoer kan verrichten, ongeacht het kantoor van vertrek. Aan een ieder die voorafgaande toestemming heeft verkregen wordt een certificaat van borgtocht afgegeven (artikel 362 van de uitvoeringsverordening). Bij de afgifte van dat certificaat of op enig ander ogenblik tijdens de geldigheidsduur van dit certificaat vermeldt de aangever, onder zijn verantwoordelijkheid, op de achterzijde van het certificaat de personen die zijn gemachtigd in zijn naam aangiften voor communautair douanevervoer te ondertekenen; de aangever kan de vermelding van de naam van een gevolmachtigde te allen tijde ongedaan maken (artikel 363 van de uitvoeringsverordening). Overeenkomstig artikel 364 van de uitvoeringsverordening wordt elke persoon die op de achterzijde van een aan een kantoor van vertrek overgelegd certificaat van borgtocht is vermeld, geacht gevolmachtigd vertegenwoordiger van de aangever te zijn.

Verzoek om kwijtschelding van rechten bij invoer

11 Aangezien het verzoek om kwijtschelding van rechten bij invoer is ingediend op 27 september 2004, is hierop van toepassing hoofdstuk 3 van titel IV van deel IV van de uitvoeringsverordening, dat specifieke bepalingen bevat voor de toepassing van artikel 239 van het douanewetboek, in de destijds geldende versie.

12 Artikel 239 van het douanewetboek luidt als volgt:

„1.

Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238:

  • welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

  • welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien [...] een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.”

Voorgeschiedenis van het geding

13 Transnáutica — Transportes e Navegação SA (hierna: „Transnáutica”) is een Portugese transportonderneming die de status heeft van toegelaten geadresseerde voor het tijdvak waarin de litigieuze transacties die aan douanerechten waren onderworpen in het kader van de regeling extern communautair douanevervoer zijn verricht.

14 Tussen 14 april en 12 oktober 1994, heeft de douane van Xabregas (Portugal), als kantoor van vertrek, 68 aangiften voor douanevervoer, waarin Transnáutica werd vermeld als aangever, afgegeven, met het oog op het in het verkeer brengen in het douanegebied van de Unie van 64 zendingen tabak en 4 zendingen niet-gedenatureerde ethylalcohol die onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst. Bepaalde „exemplaren 5” van de 68 aangiften voor douanevervoer T1 zijn nooit teruggezonden naar het douanekantoor van vertrek, terwijl andere daar zijn aangekomen met stempels en handtekeningen waarvan later werd ontdekt dat zij vervalst waren.

15 Vanaf augustus 1994 hebben de Portugese autoriteiten bevel ontvangen bepaalde vrachtwagens alsmede de verplaatsing van de daarmee vervoerde goederen in de gaten te houden teneinde de herkomst van de valse stempels op bepaalde „exemplaren 5” van de aangiften T1 te achterhalen.

16 Tussen januari 1995 en januari 1996 hebben de Portugese autoriteiten aan Transnáutica kopieën van de aangiften T1 gezonden, met het verzoek om, enerzijds, bewijs te leveren van het feit dat zij tijdens de procedure voor extern communautair douanevervoer regelmatig en wettig heeft gehandeld, en, anderzijds, de bijbehorende douaneschulden te betalen, aangezien zij was aangewezen als aangever van de litigieuze aangiften voor extern douanevervoer. Bovendien is het certificaat van borgtocht op naam van die vennootschap afgegeven.

17 In haar brief van 23 maart 1995, heeft Transnáutica geantwoord dat zij niet op de hoogte was van het in haar naam verrichte douanevervoer van de tabak en de ethylalcohol. Pas na een intern onderzoek ontdekte zij dat een van haar werknemers fraude had gepleegd door buiten haar medeweten aangiften T1 te ondertekenen voor smokkelactiviteiten.

18 De betrokken werknemer werd ontslagen en vervolgens in december 1999 bij vonnis van het Tribunal Criminal de Lisboa schuldig bevonden aan herhaaldelijk misbruik van vertrouwen. Het strafrechtelijk onderzoek tegen Transnáutica werd in september 2005 gesloten, daar zij niet op de hoogte was van de activiteiten van haar werknemer en haar vertegenwoordigers niet bij die fraude betrokken waren.

19 Op 17 november 2003 verzocht Transnáutica aan de Portugese autoriteiten om terugbetaling en kwijtschelding van de douaneschuld. Overeenkomstig de artikelen 906 en volgende van de uitvoeringsverordening, heeft de Portugese regering dit verzoek bij brief van 27 september 2004 doorgezonden aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Bij brief van 23 december 2004 heeft de Commissie na een voorlopig onderzoek van het dossier deze vennootschap meegedeeld dat zij voornemens was haar verzoek af te wijzen. Op 19 januari 2005 heeft Transnáutica het dossier bij de Commissie kunnen inzien. Op diezelfde dag heeft zij de Commissie haar standpunt meegedeeld over dat voornemen.

20 Op 6 juli 2005 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 907 van de uitvoeringsverordening de litigieuze beschikking vastgesteld, waarvan Transnáutica op 12 augustus bij brief van het Portugese ministerie van Financiën en Overheidsdienst in kennis is gesteld. Bij die beschikking werd het bovengenoemde verzoek afgewezen, en verklaard dat de terugbetaling en kwijtschelding van de douaneschuld niet gerechtvaardigd waren, op grond dat die vennootschap zich niet bevond in een bijzondere situatie die valt onder artikel 239 van het douanewetboek.

Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 2005, heeft Transnáutica beroep ingesteld tot vernietiging van de litigieuze beschikking en verwijzing van de Commissie in de kosten.

22 Ter ondersteuning van haar beroep heeft Transnáutica vijf middelen aangevoerd: (i) schending van wezenlijke vormvoorschriften; (ii) kennelijk onjuiste beoordeling van de toepassing van artikel 239 van het douanewetboek; (iii) gebrek aan motivering, hetgeen in strijd is met artikel 253 EG; (iv) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, en (v) schending van het evenredigheidsbeginsel.

23 Vooraf zij opgemerkt dat het Gerecht in het kader van zijn beoordeling enkel het derde onderdeel van het tweede ter ondersteuning van het beroep aangevoerde middel heeft onderzocht, waarmee Transnáutica heeft betoogd dat de Portugese douaneautoriteiten hun verplichtingen niet zijn nagekomen met betrekking tot de doorlopende zekerheid die zij had gesteld ter dekking van haar verrichtingen inzake douanevervoer.

24 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze beschikking nietig verklaard en de Commissie verwezen in de kosten.

25 In punt 44 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat, volgens de artikelen 191 en 198 van het douanewetboek, de douaneautoriteiten, indien zij vaststellen dat de gestelde zekerheid niet of niet meer alle waarborgen biedt dat de schuld volledig zal worden voldaan, van de aangever eisen dat deze hetzij een aanvullende zekerheid stelt, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe vervangt.

26 Dienaangaande komt het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest tot het volgende oordeel:

„Het optreden van en de controle door de bevoegde nationale douaneautoriteiten zijn essentieel, niet alleen op het moment waarop het certificaat van borgtocht wordt opgesteld, maar ook telkens wanneer een doorlopende zekerheid die is bestemd om meerdere verrichtingen inzake douanevervoer te dekken, ter uitvoering en dekking van die verrichtingen wordt gebruikt.”

27 In de punten 46 tot en met 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de feiten van de onderhavige zaak aangaande de door Transnáutica verstrekte globale zekerheid onderzocht en vastgesteld dat de douaneautoriteiten voor de betrokken 68 aangiften T1 onvoldoende zekerheid hadden aanvaard. In voornoemd punt 48 oordeelde het Gerecht:

„Vastgesteld moet worden dat de Portugese douaneautoriteiten voor de betrokken 68 aangiften T1 onvoldoende zekerheid hebben aanvaard. Zoals [Transnáutica] ter terechtzitting heeft betoogd, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken, dekte de doorlopende zekerheid voor alle aangiften T1 die op diezelfde dag waren afgegeven gezamenlijk nooit meer dan 7,29 % van de rechten en heffingen. Aan de andere kant zou bij een onderzoek van elk van de aangiften afzonderlijk het certificaat van borgtocht slechts voor drie van de betrokken aangiften alle invorderbare rechten dekken. In dat geval moeten evenwel de andere, op diezelfde datum afgegeven, aangiften T1 worden geacht te zijn afgegeven zonder door voldoende zekerheid te zijn gedekt.”

28 In punt 49 van het bestreden arrest heeft Gerecht vastgesteld:

„Indien de Portugese douaneautoriteiten op het moment waarop de aangiften T1 werden afgegeven zouden hebben geverifieerd of het bedrag van de rechten en andere heffingen die voor elke lading kunnen ontstaan was gedekt door de door rekwirante verstrekte doorlopende zekerheid, hadden de 68 aangiften T1 niet kunnen worden afgegeven.”

29 In punt 50 van het bestreden arrest verwierp het Gerecht het argument van de Commissie dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen het ontstaan van die douaneschuld en de aanvaarding van een, wegens het geringe bedrag daarvan, ongeldig certificaat van doorlopende zekerheid, waarna het in datzelfde punt constateerde dat „de aanvaarding, op het moment waarop de aangiften T1 werden afgegeven, van een te geringe zekerheid, waarvan het bedrag duidelijk niet alle invorderbare rechten en andere heffingen kon dekken, een gebrek vormt in de procedure van afgifte van aangiften T1”.

30 In de punten 51 en 52 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht het belang bevestigd van de doorlopende zekerheid voor het goed functioneren van de regeling extern communautair douanevervoer. Dienaangaande overwoog het Gerecht dat het optreden van de nationale douaneautoriteiten bij de afgifte van aangiften T1 een fundamentele fase vormt in de procedure, die het mogelijk maakt om eventuele onregelmatigheden te ontdekken.

31 In de punten 54 en 55 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat Transnáutica voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om te voorkomen dat verrichtingen inzake douanevervoer van goederen met een hoge waarde zouden kunnen plaatsvinden met gebruikmaking van de doorlopende zekerheid, dat door het ontbreken van controle door de douaneautoriteiten in een vroeg en fundamenteel stadium van de procedure van extern communautair douanevervoer 68 aangiften T1 konden worden afgegeven die niet door het certificaat van borgtocht werden gedekt, en dat frauduleuze handelingen konden worden verricht buiten medeweten van die vennootschap, die alles in het werk had gesteld om misbruik van de zekerheid te voorkomen.

32 In de punten 56 en 57 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de verplichtingen onderzocht van de douaneautoriteiten in verband met de beoordeling van het bedrag van de zekerheid. In die context was het van mening dat de wetenschap van de marktdeelnemer alsook het feit dat Transnáutica nooit eerder fraudegevoelige goederen, zoals tabak of ethylalcohol, had verhandeld, omstandigheden zijn die des te meer de aandacht hadden moeten trekken van die autoriteiten en, anders dan de Commissie betoogt, geen rechtvaardiging vormen voor een versoepeling van de controles. In deze omstandigheden heeft het Gerecht in punt 58 van voornoemd arrest geoordeeld:

„Dat [Transnáutica] een douaneschuld krijgt opgelegd die is ontstaan als gevolg van deze in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gemaakte keuzen, zou echter indruisen tegen de doelstelling van de billijkheidsclausule die aan artikel 905 van de uitvoeringsverordening ten grondslag ligt, aangezien [Transnáutica] daardoor in een bijzondere situatie zou worden gebracht die verder gaat dan het normale handelsrisico dat aan haar economische activiteit verbonden is (zie in die zin arresten Hof [van 7 september 1999,] De Haan, [C-61/98, Jurispr. blz. I-5003], [punt 53,] en 18 oktober 2007, Nordspedizionieri di Danielis Livio e.a./Commissie, C-62/05 P, Jurispr. blz. I-8647, punt 51, en arrest [Gerecht van 11 juli 2002,] Hyper/Commissie, [T-205/99, Jurispr. blz. II-3141], punt 95).”

33 Op basis van die overwegingen heeft het Gerecht in de punten 59 tot en met 61 van het bestreden arrest geoordeeld:

  1. Vastgesteld moet dus worden dat het feit dat de Portugese douaneautoriteiten onvoldoende zorgvuldigheid aan de dag hebben gelegd om, toen zij — voorafgaand aan de afgifte van de aangiften T 1 — de hun opgedragen toezichthoudende taak verrichtten, met name waar deze betrekking had op de vaststelling en de controle van het bedrag van de doorlopende zekerheid, het in het douanewetboek en de uitvoeringsverordening voor de regeling extern communautair douanevervoer voorziene verificatiesysteem heeft ontregeld, en, bijgevolg, [Transnáutica] een concrete mogelijkheid heeft ontnomen om de fraude te ontdekken voordat deze kon worden voltooid.

  2. Dit gebrek aan zorgvuldigheid valt onder de verantwoordelijkheid van de Portugese douaneautoriteiten en plaatst [Transnáutica] in een bijzondere situatie die verder gaat dan het normale handelsrisico dat aan haar economische activiteit verbonden is.

  3. Uit het voorgaande volgt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat er geen sprake was van een bijzondere situatie voor [Transnáutica] vanwege de schending door de Portugese douaneautoriteiten van de taak om de geldigheid en het bedrag van de doorlopende zekerheid te controleren.”

Tegelijk met de hogere voorziening ingestelde procedure en conclusies van partijen

34 Tegelijk met het instellen van de hogere voorziening heeft de Portugese Republiek bij het Gerecht overeenkomstig artikel 123 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht tegen het bestreden arrest derdenverzet ingesteld. Ook heeft zij het Hof verzocht de behandeling van die hogere voorziening te schorsen in afwachting van de uitspraak van het Gerecht op haar derdenverzet.

35 Bij beschikking van 29 april 2010 heeft het Hof het bovengenoemde verzoek tot schorsing ingewilligd. Bij beschikking van 6 september 2010, Portugal/Transnáutica en Commissie (T-385/05 TO), heeft het Gerecht het derdenverzet afgewezen.

36 De Portugese Republiek verzoekt het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen, en

  • Transnáutica te verwijzen in de kosten.

37 Transnáutica verzoekt het Hof:

  • primair, de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

  • subsidiair, de hogere voorziening kennelijk ongegrond te verklaren, en

  • de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.

38 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 april 2010, heeft het Koninkrijk Spanje verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Portugese Republiek. Deze toelating is het Koninkrijk Spanje verleend bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Hof van 20 september 2010.

Hogere voorziening

Argumenten van partijen

39 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Portugese Republiek één enkel middel aan, ontleend aan schending door het Gerecht van artikel 239 van het douanewetboek. Volgens de Portugese Republiek heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat er sprake was van een bijzondere situatie die voldeed aan de in dat artikel neergelegde voorwaarden voor terugbetaling. Het middel bestaat uit drie onderdelen, waarmee de Portugese Republiek het Gerecht verwijt dat het:

  • het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de Portugese douaneautoriteiten fouten hebben begaan bij de vaststelling en latere controle van de doorlopende zekerheid die was gesteld voor de betrokken verrichtingen inzake douanevervoer;

  • ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van een causaal verband tussen die fouten en het latere ontstaan van de douaneschuld wegens de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, en

  • ten onrechte heeft geconcludeerd dat Transnáutica de nodige voorzorgsmaatregelen had getroffen om te voorkomen dat de doorlopende zekerheid zou worden gebruikt voor verrichtingen inzake douanevervoer die betrekking hadden op hoge bedragen.

40 Volgens de Portugese Republiek is in de onderhavige zaak de doorlopende zekerheid gesteld in 1993, dat wil zeggen, op een moment waarop, zoals volgt uit artikel 915, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening, de bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek nog niet van toepassing waren. Op dat moment had het bedrag van de doorlopende zekerheid moeten worden vastgesteld volgens de regels van artikel 34 ter van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 132, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3712/92 van de Commissie van 21 december 1992 (PB L 378, blz. 15).

41 Wat de controle van de doorlopende zekerheid betreft, betoogt de Portugese Republiek dat het Gerecht het Unierecht heeft geschonden door te oordelen dat de douaneautoriteiten hadden moeten verifiëren of de gestelde doorlopende zekerheid het bedrag van de verschuldigde invoerrechten dekte. Bovendien betwist die lidstaat de conclusie van het Gerecht dat de douaneautoriteiten na die verificatie aan Transnáutica de eis hadden moeten stellen dat deze de doorlopende zekerheid zou verhogen, zulks vanwege de hoogte van het bedrag van de douaneschuld die kon ontstaan, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat Transnáutica de frauduleuze handelwijze van haar werknemer zou hebben ontdekt.

42 De Portugese Republiek stelt dat artikel 198 van het douanewetboek de douaneautoriteiten enkel de verplichting oplegt om te verifiëren of het bedrag van de mogelijk verschuldigde invoerrechten hoger is dan het bedrag van de gestelde zekerheid. Volgens die lidstaat heeft het Gerecht het Unierecht geschonden door te oordelen dat dat artikel aan het douanekantoor van vertrek de verplichting oplegt om ten tijde van de verrichting inzake douanevervoer te verifiëren of de gestelde doorlopende zekerheid niet alleen het bedrag van die rechten, maar ook de andere heffingen die later verschuldigd zouden kunnen zijn, kon dekken.

43 Om diezelfde redenen stelt de Portugese Republiek in het derde onderdeel van haar enige middel, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de door Transnáutica getroffen maatregelen niet in de weg stonden aan de mogelijkheid voor haar werknemer om een aanvullende zekerheid te stellen door middel van een bedrag in contanten dat het betrokken bedrag aan invoerrechten kon dekken en, bijgevolg, de aangegeven verrichtingen inzake douanevervoer die ten grondslag liggen aan het geding, uit te voeren.

44 In haar memorie van antwoord betoogt Transnáutica, in de eerste plaats, dat de middelen van de door de Portugese Republiek ingestelde hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk zijn.

45 Volgens Transnáutica moeten de door de Portugese Republiek aangevoerde argumenten worden afgewezen, aangezien, enerzijds, die lidstaat niet het bewijs levert dat het Gerecht een fout heeft gemaakt die heeft geleid tot een materiële onjuistheid of een verdraaiing van de feiten, en, anderzijds, het niet aan het Hof staat om feiten die reeds door het Gerecht zijn beoordeeld opnieuw te onderzoeken, en evenmin om in een zaak uitspraak te doen op basis van hypothetische elementen of feiten die zich niet hebben voorgedaan. Bovendien werpt de hogere voorziening geen enkele rechtsvraag op.

46 Subsidiair betoogt Transnáutica dat indien het Hof van oordeel zou zijn dat de hogere voorziening niet in haar geheel kennelijk niet-ontvankelijk is, de door de Portugese Republiek aangevoerde rechtsmiddelen in ieder geval kennelijk ongegrond moeten worden verklaard.

47 Wat de vragen betreft aangaande de vaststelling van het bedrag van de doorlopende zekerheid stelt Transnáutica dat, aangezien de uitvoeringsverordening van toepassing was vanaf 1 januari 1994, die zekerheid, anders dan de Portugese Republiek beweert, de betrokken aangiften T1, die waren afgegeven tussen 14 april en 12 oktober 1994, dekte.

48 Bovendien stelt Transnáutica dat het argument van de Portugese Republiek dat het Gerecht zijn beslissing heeft gebaseerd op het feit dat de zekerheid 100 % van de douaneschuld had moeten bedragen, kennelijk ongegrond moet worden verklaard, aangezien, gelet op het feitelijk door de Portugese autoriteiten aanvaarde bedrag, het bestreden arrest, zelfs indien verordening nr. 1214/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3712/92 in casu van toepassing was geweest, niet anders zou zijn uitgevallen. Volgens Transnáutica staat de nalatigheid van die autoriteiten op dit punt buiten kijf.

49 Wat de controle van de doorlopende zekerheid betreft, betwist Transnáutica de uitlegging van de Portugese Republiek volgens welke de verplichting om een dergelijke zekerheid te controleren „elke juridische grondslag mist”.

50 Dienaangaande betoogt Transnáutica dat de doorlopende zekerheid is bedoeld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en andere heffingen die kunnen ontstaan voor de doorgevoerde goederen, zodat die zekerheid het bedrag van die douaneschuld moet dekken en niet de waarde van die goederen. Een specifieke juridische bepaling die de nationale douaneautoriteiten verplicht om die doorlopende zekerheid te controleren is dus niet noodzakelijk. Volgens Transnáutica dienen de nationale douaneautoriteiten zich, teneinde elke onregelmatigheid te voorkomen, ervan te vergewissen dat er een doorlopende zekerheid is gesteld die de betaling van die schuld dekt.

51 Transnáutica stelt dat artikel 198 van het douanewetboek moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van loyale samenwerking, op grond waarvan de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Bijgevolg moeten de nationale douaneautoriteiten in staat zijn om, ook al wordt de verplichting om de doorlopende zekerheid te controleren niet uitdrukkelijk genoemd, te controleren of die zekerheid voldoende is. Volgens die vennootschap wordt bij het ontbreken van een dergelijke controle de uitvoering van bovengenoemd artikel niet gewaarborgd en het beginsel van samenwerking geschonden.

52 Transnáutica stelt dat het door de Portugese Republiek aangevoerde middel erop neerkomt dat de lidstaten het Unierecht enkel moeten toepassen wanneer een bepaling hen daartoe uitdrukkelijk verplicht. Een dergelijke uitlegging zou het stelsel van verdeling van de bevoegdheden binnen de Unie op losse schroeven zetten. Alleen al daarom dient dit middel kennelijk ongegrond te worden verklaard.

53 Wat, ten slotte, het derde onderdeel van het ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde enige middel betreft, betoogt Transnáutica dat de vraag of het gebrek aan zorgvuldigheid bij het vaststellen en controleren van de zekerheid valt onder de verantwoordelijkheid van de Portugese douaneautoriteiten of onder die van de Spaanse douaneautoriteiten, dan wel van een andere lidstaat, in geen geval betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van Transnáutica. Dat onderdeel dient dus kennelijk ongegrond te worden verklaard.

54 In het kader van haar interventie stelt het Koninkrijk Spanje dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het een in de artikelen 6 en 198 van het douanewetboek neergelegde administratieve bevoegdheid, waarvan de uitoefening is overgelaten aan de vrije beoordeling van de douaneadministratie, omzet in een verplichting voor de douaneadministratie die gevolgen heeft voor het ontstaan van de douaneschuld. Het Koninkrijk Spanje betoogt dat die uitlegging enkel opgaat in de gevallen waarin de norm dit uitdrukkelijk voorschrijft en de juridische gevolgen ervan voor de op de belanghebbende rustende verplichting definieert.

55 Volgens die lidstaat zou het omzetten van de controlebevoegdheden van de administratie in een verplichting die gevolgen heeft voor het ontstaan van de douaneschuld, erop neerkomen dat de uitoefening van de aan de administratie voorbehouden bevoegdheden wordt gebaseerd op het beginsel van voorafgaande toestemming voor elke handeling van de belastingplichtige, hetgeen in strijd zou zijn met het in moderne staten heersende algemene beginsel, dat berust op minimale tussenkomst en uitgaat van de vooronderstelling dat de belastingplichtigen hun handelingen verrichten in overeenstemming met het recht.

56 Bovendien zou, gezien het feit dat elke overeenkomstig de douaneregeling verrichte handeling een voorafgaand verzoek van de belanghebbende vereist, toepassing van het bestreden arrest tot de conclusie leiden dat elke fraude, behoudens uitzonderlijke gevallen zoals het binnenbrengen van goederen op het nationale grondgebied zonder douaneaangifte, zou worden voorkomen door toepassing van de aan de douaneautoriteiten voorbehouden controlebevoegdheid. Als gevolg daarvan zou, wanneer zich een fraude voordoet, de administratie verantwoordelijk worden gehouden en de degene die de fraude begaat vrijuit gaan.

57 Volgens het Koninkrijk Spanje dient, om de regelmatigheid van de litigieuze beschikking te toetsen aan de artikelen 905 en volgende van de uitvoeringsverordening, vooral het gedrag van de belastingplichtige te worden geëvalueerd met betrekking tot de omstandigheden rondom het belastbare feit dat heeft geleid tot de douaneschuld.

58 In haar memorie van antwoord wijst de Commissie erop dat zij, ten behoeve van de nauwkeurigheid, het wenselijk achtte opmerkingen te maken betreffende bepaalde, in het kader van de onderhavige voorziening naar voren gebrachte argumenten, maar dat zij, aangezien zij geen hogere voorziening heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht, geen standpunt wenst in te nemen aangaande de hogere voorziening van de Portugese Republiek.

Beoordeling door het Hof

Ontvankelijkheid

59 Transnáutica werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, onder het betoog dat de Portugese Republiek, door exact dezelfde tekst in te dienen ter ondersteuning van zowel haar verzoek tot derdenverzet als de onderhavige hogere voorziening, het Hof in werkelijkheid verzoekt om feitelijke vragen, en geen rechtsvragen, opnieuw te onderzoeken, hetgeen in strijd is met artikel 256 VWEU.

60 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Portugese Republiek zich in de onderhavige hogere voorziening weliswaar beroept op dezelfde argumenten als die welke zij heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar bij het Gerecht ingediende verzoek tot derdenverzet, doch dat die omstandigheid op zichzelf niet volstaat om aan te nemen dat die hogere voorziening niet-ontvankelijk is zonder die lidstaat een legitieme beroepsmogelijkheid te ontnemen. Dit geldt te meer nu, in casu, het Gerecht het verzoek tot derdenverzet niet heeft toegewezen en evenmin de argumenten heeft onderzocht die de Portugese Republiek ter ondersteuning van dat verzoek heeft aangevoerd.

61 Bovendien is, anders dan Transnáutica stelt, de hogere voorziening van de Portugese Republiek niet gericht tegen het door het Gerecht uitgevoerde onderzoek van de feiten, maar tegen het oordeel van het Gerecht dat in een situatie als die welke heeft geleid tot het onderhavige geding de juridische voorwaarden voor toepassing van artikel 239 van het douanewetboek zijn vervuld. Die beoordeling van het Gerecht kan door het Hof in het kader van een hogere voorziening worden onderzocht (zie in die zin arrest van 25 juli 2008, C.A.S./Commissie, C-204/07 P, Jurispr. blz. I-6135, punt 83).

62 Bijgevolg moet de door Transnáutica opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

Ten gronde

63 Met haar hogere voorziening betwist de Portugese Republiek de conclusies van het Gerecht volgens welke er sprake is van een bijzondere situatie die valt onder artikel 239 van het douanewetboek wanneer de douaneautoriteiten van een lidstaat fouten begaan bij de vaststelling en latere controle van het bedrag van de doorlopende zekerheid die voor een geheel van verrichtingen moet worden gesteld.

64 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Portugese Republiek één enkel middel aan dat bestaat uit drie onderdelen: (i) de vaststelling van het Gerecht dat de Portugese douaneautoriteiten fouten hebben begaan bij de vaststelling en controle van de doorlopende zekerheid, berust op een onjuiste uitlegging van het Unierecht; (ii) het Gerecht heeft ten onrechte geconcludeerd dat er een causaal verband bestaat tussen die fouten en het latere ontstaan van een douaneschuld op het moment waarop de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken, en (iii) het Gerecht heeft ten onrechte geconcludeerd dat Transnáutica alle nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de doorlopende zekerheid zou worden gebruikt voor verrichtingen inzake douanevervoer die betrekking hadden op grote bedragen.

65 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 905 van de uitvoeringsverordening, op basis waarvan de Commissie door de lidstaat waaronder de douaneautoriteit valt, is verzocht om aan de hand van de haar toegezonden elementen te beoordelen of er sprake is van een bijzondere situatie die de kwijtschelding van invoerrechten rechtvaardigt, een algemene billijkheidsclausule bevat die is bedoeld om een bijzondere situatie te dekken waarin de aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten, wanneer de douaneautoriteit niet in staat was om, gelet op de aangevoerde middelen, zelf een besluit tot kwijtschelding van de rechten te nemen (zie arrest van 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, Jurispr. blz. I-1041, punten 18-21, en reeds aangehaald arrest De Haan, punt 52).

66 Voorts dient te worden opgemerkt dat de door de Portugese Republiek aangevoerde bezwaren aangaande de redenering van het Gerecht betrekking hebben op verschillende feitelijke en juridische fases van een analyse die het Gerecht tot de conclusie hebben gevoerd dat er sprake was van een bijzondere situatie die valt onder artikel 239 van het douanewetboek. Om na te gaan of deze redenering gegrond is, moet elk van die fases achtereenvolgens worden onderzocht.

67 Om te beginnen zij eraan herinnerd, zoals het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat artikel 94 van het douanewetboek de aangever de verplichting oplegt om een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en van de andere belastingschulden die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan. Uit de artikelen 191 en 198 van datzelfde wetboek volgt eveneens dat het aan de douaneautoriteiten staat om voldoende doorlopende zekerheid vast te stellen en te controleren of die zekerheid is gesteld.

68 Zoals het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, zijn het optreden van en de controle door de bevoegde nationale douaneautoriteiten essentieel, niet alleen op het moment waarop het certificaat van borgtocht wordt opgesteld, maar ook telkens wanneer een doorlopende zekerheid die is bestemd om meerdere verrichtingen inzake douanevervoer te dekken, ter uitvoering en dekking van die verrichtingen wordt gebruikt. Artikel 198 van het douanewetboek bevat weliswaar geen formele verplichting om te controleren of de doorlopende zekerheid toereikend is, doch dit neemt niet weg dat het aan de bevoegde douaneautoriteiten staat om, wanneer zij er kennis van nemen dat het bedrag van de gestelde zekerheid afwijkt van het totale bedrag aan rechten die zijn verschuldigd voor een geheel van verrichtingen inzake douanevervoer, alle nodige maatregelen te treffen.

69 De Portugese Republiek betwist de reikwijdte van de bij artikel 198 van het douanewetboek opgelegde verplichting en stelt dat het Gerecht die bepaling te eng heeft uitgelegd, door van de douaneautoriteiten in het kader van de controle van de toereikendheid van de doorlopende zekerheid een te hoge mate van zorgvuldigheid te vereisen. Zij betwist eveneens de conclusies van het Gerecht aangaande de op de berekening van die doorlopende zekerheid toepasselijke regeling.

70 Opgemerkt zij dat de Portugese Republiek en de Commissie in hun opmerkingen voor het Hof tegenstrijdige uitleggingen hebben gegeven aangaande de versie van de op het onderhavige geding toepasselijke regeling. Afhankelijk van de toegepaste versie van die regeling, wordt een verschillend percentage gehanteerd — 30 % of 50 % — voor de mate waarin de verschuldigde rechten door de doorlopende zekerheid moeten zijn gedekt.

71 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat, ongeacht welke mate van dekking door de op het onderhavige geding toepasselijke regeling wordt vereist, de op de douaneautoriteiten rustende verplichting om zorgvuldig te werk te gaan ongewijzigd blijft. Ook zij eraan herinnerd dat het Gerecht, in punt 48 van het bestreden arrest, heeft opgemerkt dat „[z]oals Transnáutica ter terechtzitting heeft betoogd, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken, [...] de doorlopende zekerheid voor alle aangiften T1 die op diezelfde dag waren afgegeven nooit meer dan 7,29 % van de rechten en heffingen [dekte]”.

72 Derhalve moet worden vastgesteld dat, los van de vraag of de toepasselijke regeling een doorlopende zekerheid vereist van 30 % dan wel van 50 % van de verschuldigde rechten, de conclusie van het Gerecht dat de door de douaneautoriteiten vereiste zekerheid ontoereikend is, coherent is. Dat de feitelijk gestelde zekerheid nooit meer dan 7,29 % van die rechten heeft gedekt, terwijl dit minstens 30 % had moeten zijn, rechtvaardigt de vaststelling van het Gerecht, in punt 55 van het bestreden arrest, dat „door het ontbreken van controle door de douaneautoriteiten in een vroeg en fundamenteel stadium van de procedure van extern communautair douanevervoer 68 aangiften T1 konden worden afgegeven die niet door het certificaat van borgtocht werden gedekt”.

73 In punt 51 van het bestreden arrest heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat het „voor het functioneren van die regeling essentieel is dat de gestelde zekerheid toereikend is om — afhankelijk van de aard van de vervoerde goederen — 30, 50 of 100 % van het bedrag van de douaneschuld die kan ontstaan te dekken, en dat een fout bij de controle van de zekerheid op het moment van uitgave van de aangifte T1 zeker gevolgen zou hebben voor de vraag of de aangever in staat is om de betaling van de douaneschuld die kan ontstaan te waarborgen”.

74 In het licht van bovenstaande overwegingen dienen de twee andere onderdelen van het enige door de Portugese Republiek aangevoerde middel te worden onderzocht. De Portugese Republiek betwist in de eerste plaats de redenering van het Gerecht betreffende het causaal verband tussen de door de douaneautoriteiten begane fout in verband met de vaststelling van de doorlopende zekerheid enerzijds, en het mogelijke ontstaan van een douaneschuld wegens de onttrekking van die goederen aan het douanetoezicht anderzijds.

75 In punt 49 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers geoordeeld dat „[i]ndien de Portugese douaneautoriteiten op het moment waarop de aangiften T1 werden afgegeven, zouden hebben geverifieerd of het bedrag van de rechten en andere heffingen die voor elke lading kunnen ontstaan, was gedekt door de door rekwirante verstrekte doorlopende zekerheid, [...] de 68 aangiften T1 niet [hadden] kunnen worden afgegeven”. Die redenering vindt haar grondslag in het feit dat indien die autoriteiten hun verplichtingen met betrekking tot de berekening van het bedrag van de te stellen doorlopende zekerheid zouden hebben vervuld, hieruit zou zijn gebleken dat het geheel van verrichtingen waarvan nadien is geoordeeld dat zij frauduleus waren, nooit had kunnen worden verricht.

76 Het aldus door het Gerecht aangetoonde causaal verband betreft niet de berekening van het bedrag van de doorlopende zekerheid en het ontstaan van de douaneschuld, maar veeleer het verband tussen, enerzijds, de onoplettendheid van die autoriteiten, als gevolg waarvan de verrichtingen inzake douanevervoer ontsnapten aan alle in de toepasselijke regeling voorziene controles, en, anderzijds, het bestaan van een bijzondere situatie. In plaats van vast te stellen of er een causaal verband bestond tussen de fout in de berekening van het bedrag van de doorlopende zekerheid en het ontstaan van een schuld, heeft het Gerecht onderzocht of de aan het geding ten grondslag liggende feiten een „bijzondere situatie” die valt onder artikel 239 van het douanewetboek konden doen ontstaan.

77 In het licht van diezelfde overweging dient, in de tweede plaats, ook het derde onderdeel van het enige door de Portugese Republiek aangevoerde middel te worden onderzocht. De Portugese Republiek betwist de vaststelling van het Gerecht dat indien de douaneautoriteiten een toereikende doorlopende zekerheid hadden berekend en het stellen van die zekerheid hadden gecontroleerd, de door Transnáutica vastgestelde interne procedures de frauduleuze verrichting en bijgevolg het ontstaan van de douaneschuld hadden kunnen voorkomen.

78 Op dit punt kan worden volstaan met de opmerking dat de Portugese Republiek geen elementen heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat „indien de Portugese douaneautoriteiten de zekerheid hadden geweigerd — wegens het ontoereikende bedrag ervan — en om verstrekking van een aanvullende zekerheid hadden verzocht, er niet alleen in casu geen aangiften T1 zouden zijn afgegeven, maar zoals [Transnáutica] terecht stelt, zij de frauduleuze handelingen van haar werknemer had kunnen ontdekken”.

79 Het Gerecht heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch de hem voorgelegde bewijselementen verdraaid door in punt 60 van de bestreden beschikking te oordelen dat „[d]it gebrek aan zorgvuldigheid [...] onder de verantwoordelijkheid van de Portugese douaneautoriteiten [valt] en [...] [Transnáutica] in een bijzondere situatie [plaatst] die verder gaat dan het normale handelsrisico dat aan haar economische activiteit verbonden is”.

80 Aangaande het door de Portugese Republiek ter ondersteuning van dit derde onderdeel aangevoerde argument betreffende het gedrag dat de werknemer van Transnáutica zou hebben vertoond in de hypothetische situatie waarin de Portugese douaneautoriteiten hem zouden hebben verzocht een aanvullende zekerheid te verstrekken, moet worden opgemerkt dat een dergelijk argument een louter hypothetisch karakter heeft.

81 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat in de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval het Gerecht er, op basis van de hem voorgelegde feiten en zonder de hem voorgelegde bewijselementen te verdraaien of blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, van uit mocht gaan dat het gebrek aan zorgvuldigheid van die autoriteiten dat heeft geleid tot de ondoeltreffendheid van de door Transnáutica vastgestelde controleprocedures, een bijzondere situatie heeft doen ontstaan die valt onder artikel 239 van het douanewetboek.

82 Aangezien geen van de drie onderdelen van het enige door de Portugese Republiek ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middel kan slagen, dient de hogere voorziening te worden afgewezen.

Kosten

83 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van dat Reglement dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.

84 Daar Transnáutica heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Portugese Republiek in de kosten en laatstgenoemde in het ongelijk is gesteld, dient de Portugese Republiek te worden verwezen in de kosten. Het Koninkrijk Spanje dat in de onderhavige procedure is tussengekomen, draagt zijn eigen kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
  1. De hogere voorziening wordt afgewezen.

  2. De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.

  3. Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.

ondertekeningen