Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Sony Computer Entertainment Europe Ltd. (hierna: „SCEE”), een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, is verantwoordelijk voor de marketing, de verkoop en de distributie van spelapparaten, randapparatuur en software in de gehele Europese Unie. Een van deze spelapparaten is de spelcomputer „Playstation 2 Computer Entertainment System” (hierna: „PS2”).
13 SCEE en SLE behoren tot hetzelfde concern, waarbij SLE de andere ondernemingen van het concern logistieke ondersteuning biedt. Op 1 april 1997 hebben SCEE en SLE een overeenkomst gesloten waarin is bepaald dat SLE SCEE bijstaat in de import en opslag van de Europese voorraden van spelapparaten, waaronder de PS2. SLE is belast met de afhandeling van de douaneaangiften voor die apparaten.
14 Tussen november 2000 en mei 2001 heeft SLE PS2’s ingevoerd in Nederland en voor SCEE, maar op eigen naam en voor eigen rekening douaneaangiften voor deze goederen gedaan. Zij heeft aangegeven dat de PS2’s moesten worden ingedeeld onder postonderverdeling 9504 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1; hierna: „GN”), in de versie die voortvloeit uit verordening (EG) nr. 2204/1999 van de Commissie van 12 oktober 1999 (PB L 278, blz. 1) voor de importen die hebben plaatsgevonden in 2000, en in de versie die voortvloeit uit verordening (EG) nr. 2263/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000 (PB L 264, blz. 1) voor de importen die hebben plaatsgevonden in 2001. Voor postonderverdeling 9504 10 00 was in 2000 2,2 percent aan douanerechten, en in 2001 1,7 percent aan douanerechten verschuldigd. De Nederlandse douaneautoriteiten hebben SLE uitgenodigd tot betaling van de aldus vastgestelde douanerechten.
15 SLE heeft bezwaar gemaakt tegen deze uitnodiging met het betoog dat de PS2’s hadden moeten worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8471 49 90. De goederen van deze postonderverdeling zijn vrijgesteld van douanerechten.
16 SLE baseerde dat bezwaar op een procedure van SCEE tegen de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk. Op 19 oktober 2000 hadden zij aan SCEE immers een bindende tariefinlichting (hierna: „bti”) verstrekt over de PS2 waarin deze werd ingedeeld onder GN-postonderverdeling 9504 10 00.
17 SCEE had daarop bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk beroep ingesteld om deze indeling te betwisten. Na die procedure hebben de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk op 12 juni 2001 SCEE een gewijzigde bti verstrekt en de PS2 ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8471 49 90, met als ingangsdatum 19 oktober 2000.
18 Voor de Nederlandse douaneautoriteiten heeft SLE zich beroepen op de aan SCEE verstrekte gewijzigde bti.
19 Op 11 december 2007 heeft het Gerechtshof te Amsterdam geoordeeld dat SLE zich jegens de Nederlandse douaneautoriteiten kon beroepen op de gewijzigde bti die door de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan SCEE was verstrekt, zelfs voor de douaneaangiften die hadden plaatsgevonden tussen 19 oktober 2000 en 12 juni 2001. Die rechter heeft bijgevolg beslist dat de PS2’s moesten worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8471 49 90.
20 De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de beslissing van 11 december 2007 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
21 Laatstgenoemde rechter heeft twijfels over de waarde van de gewijzigde bti tussen 19 oktober 2000 en 12 juni 2001, wat de mogelijkheid van SLE betreft om zich daarop te beroepen en wat het vertrouwen betreft dat de importeur mocht stellen in het feit dat de Nederlandse douaneautoriteiten volgens hun eigen regels rekening moesten houden met een aan een derde voor dezelfde goederen verstrekte bti.
22 Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
-
Moet het communautaire recht, in het bijzonder artikel 12, leden 2 en 5, en artikel 217, lid 1, van het [douanewetboek], en artikel 11 van de [uitvoeringsverordening], in samenhang met artikel 243 van het [douanewetboek], zo worden uitgelegd dat een belanghebbende in een procedure ter zake van geheven douanerechten de heffing kan bestrijden onder overlegging van een in een andere lidstaat voor dezelfde goederen verstrekte bindende tariefinlichting die op dat moment nog in rechte wordt bestreden maar uiteindelijk is herzien?
-
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, kan de aangever die in eigen naam en voor eigen rekening handelt bij het doen van douaneaangiften voor het vrije verkeer, in een geval als het onderhavige met vrucht een beroep doen op een bindende tariefinlichting waarvan niet deze aangever maar wel de gelieerde vennootschap in wier opdracht die aangever de douaneaangiften deed, de rechthebbende is?
-
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, staat het communautaire recht eraan in de weg dat een belanghebbende zich in een geval als het onderhavige met vrucht kan beroepen op een nationaal beleidsbesluit waarin de nationale autoriteiten het vertrouwen wekken dat voor de tariefindeling van aangegeven goederen een beroep kan worden gedaan op een aan een derde verstrekte tariefinlichting voor hetzelfde goed?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
23 Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het douanewetboek en de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat de aangever die in eigen naam en voor eigen rekening douaneaangiften doet, zich kan beroepen op een bti waarvan niet hijzelf maar wel een gelieerde vennootschap in opdracht waarvan hij die aangiften heeft gedaan, de rechthebbende is.
24 Vooraf zij erop gewezen dat een bti tot doel heeft de marktdeelnemer rechtszekerheid te verschaffen wanneer zich twijfel voordoet omtrent de indeling van een goed in de bestaande douanenomenclatuur (zie arrest van 2 december 2010, Schenker, C-199/09, Jurispr. blz. I-12311, punt 16), zodat hij beschermd is wanneer de douaneautoriteiten naderhand hun standpunt omtrent de indeling van dat goed wijzigen (zie arrest van 29 januari 1998, Lopex Export, C-315/96, Jurispr. blz. I-317, punt 28).
25 Uit artikel 12, lid 2, van het douanewetboek, gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de uitvoeringsverordening, blijkt dat op een bti uitsluitend door de rechthebbende een beroep mag worden gedaan tegenover de douaneautoriteiten die de bti hebben verstrekt en tegenover die van de andere lidstaten.
26 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat een bti alleen aan de rechthebbende ervan rechten verleent (arrest van 15 september 2005, Intermodal Transports, C-495/03, Jurispr. blz. I-8151, punt 27).
27 In artikel 10 van de uitvoeringsverordening heet het evenwel dat het recht om zich te beroepen op een bti, aan de rechthebbende ervan is voorbehouden, onverminderd de artikelen 5 en 64 van het douanewetboek. Laatstgenoemde artikelen regelen het geval waarin de douaneaangifte door een andere persoon dan de importeur wordt gedaan. Bijgevolg belet de regel dat op een bti slechts door de rechthebbende ervan een beroep mag worden gedaan, deze laatste niet de douaneaangifte door een derde te laten doen.
28 Artikel 64 van het douanewetboek bepaalt enkel dat, behoudens artikel 5 ervan, een schriftelijke douaneaangifte kan worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en alle bijbehorende bescheiden kan overleggen.
29 Artikel 5 van het douanewetboek bevat regels inzake vertegenwoordiging bij de douaneautoriteiten voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten. Op de door de vertegenwoordiger verkregen bti kan nadien een beroep worden gedaan door de marktdeelnemer voor wiens rekening de vertegenwoordiger heeft gehandeld. Evenzo kan de vertegenwoordiger die voor rekening van de rechthebbende van de bti handelt, zich op deze bti beroepen tegenover de douaneautoriteiten van andere lidstaten dan die waar zij is verstrekt.
30 Het recht om zich bij de douaneautoriteiten te doen vertegenwoordigen wordt in het douanewetboek uitputtend geregeld. Artikel 5, lid 2, van dit wetboek bepaalt dat de vertegenwoordiging direct of indirect kan zijn. Bij directe vertegenwoordiging handelt de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon. Bij indirecte vertegenwoordiging handelt hij in eigen naam, maar voor rekening van een andere persoon. Voorts mogen de lidstaten bepalen dat, op hun grondgebied, de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn.
31 Verder heet het in artikel 5, lid 4, tweede alinea, van dit wetboek dat de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Hieruit volgt dat de vertegenwoordiging uitdrukkelijk moet zijn en niet wordt vermoed.
32 Zowel uit de verwijzingsbeslissing als uit de door SLE bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat SLE de PS2’s in eigen naam en voor eigen rekening heeft ingevoerd, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden ten tijde van deze import, dat wil zeggen tussen november 2000 en mei 2001, vertegenwoordiging bij de douane slechts toestond, zo deze door douanecommissionairs werd verricht.
33 Bijgevolg kon SLE, nu zij niet als vertegenwoordiger van SCEE had gehandeld, zich tegenover de Nederlandse douaneautoriteiten niet beroepen op een bti waarvan SCEE de rechthebbende was.
34 SLE heeft niet de hoedanigheid van vertegenwoordiger in de zin van artikel 5 van het douanewetboek verkregen doordat SCEE en zijzelf tot hetzelfde concern behoorden of doordat zij in Nederland de fiscaal vertegenwoordigster van SCEE was.
35 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, van het douanewetboek en de artikelen 10 en 11 van de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat de aangever die in eigen naam en voor eigen rekening douaneaangiften doet, zich niet kan beroepen op een bti waarvan niet hijzelf maar wel een gelieerde vennootschap in opdracht waarvan hij die aangiften heeft gedaan, de rechthebbende is.
Eerste vraag
36 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de artikelen 12, leden 2 en 5, en 217, lid 1, van het douanewetboek, alsmede artikel 11 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 243 van het douanewetboek, aldus moeten worden uitgelegd dat een belanghebbende in een procedure ter zake van geheven douanerechten de heffing kan bestrijden onder overlegging van een in een andere lidstaat voor dezelfde goederen verstrekte bti. De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen of deze bti in aanmerking moet worden genomen, ofschoon de geldigheid ervan ten tijde van de import ter discussie stond en zij uiteindelijk eerst na deze import is herzien.
37 Volgens artikel 243 van het douanewetboek heeft iedere persoon het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. Blijkens artikel 4, punt 5, van het douanewetboek is een bti een beschikking in de zin van voornoemd artikel 243.
38 Het hoofdgeding betreft de tariefindeling van een goed en de daaropvolgende betaling van douanerechten. Ter onderbouwing van haar vorderingen beroept SLE zich op een door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat aan SCEE verstrekte bti. Dit geding blijkt bijgevolg wel degelijk als een beroep in de zin van artikel 243 van het douanewetboek te moeten worden opgevat.
39 Zoals uit de punten 33 en 35 van het onderhavige arrest blijkt, kan een persoon zich niet beroepen op een bti waarvan hij niet de rechthebbende is, tenzij hij als vertegenwoordiger handelt.
40 Ingevolge artikel 12, lid 2, van het douanewetboek en artikel 11 van de uitvoeringsverordening bindt een bti de douaneautoriteiten slechts wanneer daarop een beroep wordt gedaan door de rechthebbende of diens vertegenwoordiger. Buiten deze gevallen kan de overeenkomstig artikel 243, lid 2, van het douanewetboek aangezochte instantie waarvoor een bti wordt aangevoerd, de door deze bti beoogde rechtsgevolgen niet laten intreden.
41 Een bti kan door een andere persoon dan de rechthebbende echter wel als bewijs worden aangevoerd. Bij gebreke van een regeling van de Unie van het begrip bewijs, zijn namelijk alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de lidstaten kent in soortgelijke procedures als die waarin artikel 243 van het douanewetboek voorziet, in beginsel ontvankelijk (zie in die zin arrest van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol, C-310/98 en C-406/98, Jurispr. blz. I-1797, punt 29).
42 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de douaneautoriteiten van een andere lidstaat aan een derde buiten het geding dat aanhangig is gemaakt bij een nationale rechter wiens beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, voor een bepaald goed een bti hebben afgegeven waarin een andere uitlegging van de GN-posten lijkt te zijn gegeven dan die welke voornoemde rechter meent te moeten geven voor een soortgelijk product dat in dat geding aan de orde is, deze rechter er ongetwijfeld moet toe aanzetten om bijzondere aandacht te geven aan zijn beoordeling of er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan over de juiste toepassing van de GN (zie arrest Intermodal Transports, reeds aangehaald, punt 34).
43 Blijkens deze rechtspraak kan een aan een derde verstrekte bti als bewijs in aanmerking worden genomen door een rechter bij wie een geding aanhangig is over de douane-indeling van een goed en de daaropvolgende betaling van de douanerechten.
44 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 12, leden 2 en 5, en 217, lid 1, van het douanewetboek alsmede artikel 11 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 243 van het douanewetboek, aldus moeten worden uitgelegd dat een belanghebbende, in een procedure ter zake van geheven douanerechten, de heffing kan bestrijden door een in een andere lidstaat voor dezelfde goederen verstrekte bti over te leggen als bewijs, zonder dat de door deze bti beoogde rechtsgevolgen kunnen intreden. Het staat evenwel aan de nationale rechter, uit te maken of de desbetreffende procesregels van de betrokken lidstaat voorzien in de mogelijkheid om dergelijke bewijsmiddelen over te leggen.
Derde vraag
45 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het douanewetboek en de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat een nationaal beleidsbesluit op grond waarvan de nationale autoriteiten zich voor de tariefindeling van aangegeven goederen kunnen baseren op een aan een derde voor dezelfde goederen verstrekte bti, bij de importeurs een gewettigd vertrouwen heeft kunnen wekken dat zij zich op dat besluit mogen beroepen.
46 Blijkens de verwijzingsbeslissing bepaalde het Nederlandse Handboek Douane ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde importen dat „[a]lleen een rechthebbende [...] een beroep [kan] doen op een bti [en dat] [i]n alle gevallen geldt, dat de aangeboden goederen in alle opzichten moeten overeenstemmen met de goederenomschrijving in de bti. Als een importeur verwijst naar een geldige bti waarvan hij niet rechthebbende is, maar hij doet aangifte voor precies dezelfde goederen als die in de bti omschreven, dan moet de indeling toch overeenstemmen met die in de bti”.
47 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden aangevoerd tegen een duidelijke bepaling van het recht van de Unie, en dat een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het recht van de Unie belaste nationale instantie voor een marktdeelnemer geen grond kan opleveren om erop te vertrouwen dat hij een behandeling kan genieten die strijdig is met het recht van de Unie (arresten van 26 april 1988, Krücken, 316/86, Jurispr. blz. 2213, punt 24; 1 april 1993, Lageder e.a., C-31/91–C-44/91, Jurispr. blz. I-1761, punt 35, en 16 maart 2006, Emsland-Stärke, C-94/05, Jurispr. blz. I-2619, punt 31).
48 Artikel 12 van het douanewetboek regelt tot in bijzonderheden de voorwaarden voor de verstrekking, de juridische waarde en de geldigheidsduur van bti’s. Verder bepaalt artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening duidelijk dat op de bti slechts door de rechthebbende of de voor rekening van deze rechthebbende handelende vertegenwoordiger een beroep mag worden gedaan.
49 Gebleken is dat de met de toepassing van het recht van de Unie belaste Nederlandse douaneautoriteiten aan een bti dezelfde juridische waarde toekenden ongeacht of daarop door een derde dan wel door de rechthebbende een beroep werd gedaan. Bij de toepassing van het Handboek Douane hebben die autoriteiten dus in strijd gehandeld met het recht van de Unie en deze gedraging heeft bij de marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken.
50 Bijgevolg dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 12 van het douanewetboek en artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat een nationaal beleidsbesluit op grond waarvan de nationale autoriteiten zich voor de tariefindeling van aangegeven goederen kunnen baseren op een aan een derde voor dezelfde goederen verstrekte bti, bij de importeurs geen gewettigd vertrouwen heeft kunnen wekken dat zij zich op dat besluit mogen beroepen.