Ontvankelijkheid
16 3M Italia en de Italiaanse regering betogen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
17 3M Italia betoogt dat nu in het kader van de procedure in het hoofdgeding definitief is vastgesteld dat van opzet of schuld geen sprake is, het recht van de Unie in het hoofdgeding niet toepasselijk is en in het Italiaanse recht een constitutioneel beginsel bestaat dat rechtsmisbruik verbiedt, de eerste twee vragen van de verwijzende rechterlijke instantie geen verband houden met een reëel geschil of het voorwerp van het hoofdgeding en een louter hypothetisch vraagstuk betreffen.
18 Volgens de Italiaanse regering voldoet de verwijzingsbeslissing niet aan het vereiste dat alle feitelijke aspecten en aspecten rechtens van het hoofdgeding worden vermeld aan de hand waarvan het Hof een voor de beslechting van dat geding nuttige uitlegging kan geven. Inzonderheid bevat de verwijzingsbeslissing geen analyse van artikel 3, lid 2 bis, van decreto-legge 40/2010 die duidelijk maakt op welke grond ingevolge deze bepaling van belastingheffing kan worden afgezien. Evenmin geeft zij aan in hoeverre de feiten in het hoofdgeding grensoverschrijdend zijn en als rechtsmisbruik moeten worden aangemerkt. De gestelde vragen zijn naar haar oordeel dan ook abstract en hypothetisch.
19 In dit verband zij eraan herinnerd dat een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter slechts niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie onder meer arresten van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 61, en 31 maart 2011, Schröder, C-450/09, Jurispr. blz. I-2497, punt 17).
20 Aangaande inzonderheid de gegevens die in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof moeten worden verstrekt, deze dienen niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven aan de verwijzende rechter, maar zij moeten daarnaast de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkingen te maken. Volgens vaste rechtspraak dient de nationale rechter daartoe een omschrijving te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteen te zetten waarop deze vragen zijn gebaseerd. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen (arrest van 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C-42/07, Jurispr. blz. I-7633, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu bevat de verwijzingsbeslissing een uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding en van het relevante nationale recht, te weten artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010. Zij vermeldt bovendien de redenen waarom de verwijzende rechterlijke instantie betwijfelt of die bepaling verenigbaar is met het recht van de Unie en waarom hij het noodzakelijk heeft geacht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
22 Ofschoon de verwijzende rechterlijke instantie in haar derde vraag, die algemeen betrekking heeft op de uitlegging van de „beginselen van de interne markt”, de aldus bedoelde beginselen niet preciseert, is de uiteenzetting in de verwijzingsbeslissing van de feitelijke aspecten en aspecten rechtens en van de twijfel over de verenigbaarheid van artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 met het recht van de Unie in haar geheel gezien, voor de lidstaten en de overige belanghebbende partijen voldoende duidelijk om dienaangaande hun opmerkingen kenbaar te maken en doeltreffend aan de procedure deel te nemen — hetgeen wordt aangetoond door de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de deelnemende partijen — en voor het Hof om die rechterlijke instantie een zinvol antwoord te verschaffen.
23 De vraag tot slot of het recht van de Unie toepasselijk is op het hoofdgeding valt onder het onderzoek ten gronde van de gestelde vragen zoals die in punt 15 van het onderhavige arrest zijn geherformuleerd. Die vragen zijn beslissend voor de oplossing van het hoofdgeding, nu daarin de beëindiging van de zaak door een beslissing van de verwijzende rechterlijke instantie op basis van de betrokken nationale bepaling aan de orde is. Die vragen houden dan ook kennelijk verband met de realiteit van het hoofdgeding en zijn niet abstract of hypothetisch.
24 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
25 Het is vaste rechtspraak dat de lidstaten, hoewel de directe belastingen tot hun bevoegdheid behoren, deze bevoegdheid niettemin in overeenstemming met het recht van de Unie dienen uit te oefenen (zie onder meer arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C-182/08, Jurispr. blz. I-8591, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In casu bepaalt artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 dat voor de Corte suprema di cassazione aanhangige procedures in belastingzaken die sinds de instelling van het beroep in eerste aanleg meer dan tien jaar duren en waarin de belastingdienst in eerste en in tweede aanleg in het ongelijk is gesteld, tegen betaling van een bedrag ter hoogte van 5 % van het in geding zijnde bedrag en het afzien van een schadevordering wegens niet-inachtneming van de redelijke termijn worden beëindigd „ter beperking van de duur van de procedures in belastingzaken en gelet op het beginsel van een redelijke procesduur in de zin van het [EVRM] [...] wegens niet-inachtneming van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van [dat Verdrag]”.
27 Bovendien moet worden beklemtoond dat artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010, dat de verwijzende rechter uitlegt als het afzien van belastingheffing, volgens de bewoordingen ervan ertoe strekt de duur van procedures in belastingzaken te verkorten ter eerbiediging van het in het EVRM neergelegde beginsel van een redelijke termijn en om aan schendingen van dit beginsel een einde te maken.
28 In dit verband blijkt uit het dossier dat de feiten in het hoofdgeding zich meer dan 20 jaar geleden hebben voorgedaan.
29 Gelet op een en ander moet worden nagegaan of de in de verwijzingsbeslissing aangevoerde regels en beginselen van Unierecht eraan in de weg staan dat in een zaak als aan de orde in het hoofdgeding een nationale bepaling als artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 wordt toegepast.
30 Aangaande in de eerste plaats het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik en artikel 4, lid 3, VEU zij om te beginnen opgemerkt dat het in het hoofdgeding niet gaat om een zaak waarin de belastingplichtige zich bedrieglijk of onrechtmatig op een norm van het recht van de Unie beroept of kan beroepen. Bijgevolg zijn de reeds aangehaalde arresten Halifax e.a. en Part Service, die zijn gewezen in zaken betreffende belasting over de toegevoegde waarde en die de verwijzende rechter vermeldt met de vraag of het in die arresten geformuleerde beginsel van het verbod van rechtsmisbruik zich uitstrekt tot het gebied van de niet-geharmoniseerde belastingen, in casu irrelevant.
31 Vervolgens moet worden opgemerkt dat uit het dossier evenmin blijkt dat in het hoofdgeding de toepassing van een nationale bepaling die een beperking op een van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden aanbrengt en een eventuele rechtvaardiging voor een dergelijke beperking door de noodzaak, misbruik te voorkomen, aan de orde zijn gesteld. Bijgevolg is de rechtspraak van het Hof betreffende rechtsmisbruik op het gebied van de directe belastingen, zoals onder meer voortvloeiend uit de arresten van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, Jurispr. blz. I-7995); 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation (C-524/04, Jurispr. blz. I-2107), en 4 december 2008, Jobra (C-330/07, Jurispr. blz. I-9099), en het arrest Glaxo Wellcome, reeds aangehaald, evenmin relevant.
32 Tot slot moet hoe dan ook worden vastgesteld dat het recht van de Unie geen algemeen beginsel kent waaruit een verplichting voor de lidstaten om misbruik op het gebied van de directe belastingen te bestrijden zou voortvloeien of dat zich tegen toepassing van een bepaling zoals aan de orde in het hoofdgeding zou verzetten wanneer de belastbare handeling op misbruik berust en het recht van de Unie niet aan de orde is.
33 Hieruit volgt dat het beginsel van verbod van rechtsmisbruik en artikel 4, lid 3, VEU, bepalende dat de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het recht van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, en zich dienen te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen, er in beginsel niet aan in de weg kunnen staan dat — in een zaak zoals aan de orde in het hoofdgeding — een nationale bepaling als artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 toepassing vindt.
34 In de tweede plaats moet met betrekking tot de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden en het non-discriminatiebeginsel worden opgemerkt dat alleen het vrije kapitaalverkeer geraakt lijkt door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting, die inhield dat een onderneming in een derde staat het vruchtgebruik op aandelen in een Italiaanse onderneming had overgedragen aan een andere Italiaanse onderneming. In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen dat uit niets in het dossier blijkt dat in een zaak als die in het hoofdgeding een bepaling als artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 het vrije kapitaalverkeer noch overigens algemeen de uitoefening van een der door het VWEU gewaarborgde vrijheden ongunstig beïnvloedt.
35 Nu die vrijheden op hun respectieve gebied specifiek uitdrukking geven aan het algemene verbod van iedere discriminatie op grond van nationaliteit (zie in die zin arrest van 11 maart 2010, Attanasio Group, C-384/08, Jurispr. blz. I-2055, punt 31), staat voormeld beginsel er evenmin aan in de weg dat in een zaak betreffende directe belastingen een nationale bepaling als artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 wordt toegepast.
36 Met betrekking tot in de derde plaats de regels inzake staatssteun heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat maatregelen van de staten niet reeds op grond van het ermee nagestreefde doel aan de kwalificatie als „steunmaatregel” in de zin van artikel 107 VWEU kunnen ontsnappen. Dat artikel maakt immers geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar definieert ze aan de hand van hun gevolgen (zie arrest van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C-487/06 P, Jurispr. blz. I-10515, punten 84 en 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Volgens vaste rechtspraak moet voor de kwalificatie als staatssteun aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan. In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en in de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-140/09, Jurispr. blz. I-5243, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Aangaande de derde voorwaarde zij in herinnering gebracht dat een maatregel waarbij de overheid bepaalde ondernemingen een fiscaal gunstige behandeling verleent die, hoewel daarbij geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt (zie arrest van 15 december 2005, Italië/Commissie, C-66/02, Jurispr. blz. I-10901, punt 78).
39 Voordelen die voortvloeien uit een algemene maatregel die zonder onderscheid van toepassing is op alle marktdeelnemers, vormen daarentegen geen steun in de zin van dat artikel (zie arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 99).
40 Bij het onderzoek of sprake is van een selectieve maatregel, dient te worden nagegaan of hij binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling een voordeel verschaft aan bepaalde ondernemingen ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Het begrip staatssteun strekt zich echter niet uit tot maatregelen die differentiëren tussen ondernemingen — en dus per definitie selectief zijn — wanneer die differentiatie voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan zij deel uitmaken (zie arrest British Aggregates/Commissie, reeds aangehaald, punten 82 en 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In casu moet — aangenomen dat artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 in een bepaalde situatie ertoe kan leiden dat aan de begunstigde van die bepaling een voordeel wordt toegekend — aangaande de vraag of de maatregel selectief is worden vastgesteld dat hij algemeen geldt voor alle belastingplichtigen die partij zijn in een voor de Corte suprema di cassazione aanhangige procedure in een belastingzaak, ongeacht de aard van de aan de orde zijnde belasting, voor zover die procedure is aangevangen met een beroep dat meer dan tien jaar voor de inwerkingtreding van die bepaling in eerste aanleg is ingesteld en de belastingdienst in eerste en in tweede aanleg in het ongelijk is gesteld.
42 Het feit dat alleen belastingplichtigen die deze voorwaarden vervullen voor de maatregel in aanmerking komen, brengt op zich nog niet mee dat het hier een selectieve maatregel betreft. Vastgesteld moet immers worden dat de personen die er niet voor in aanmerking komen zich feitelijk en rechtens niet in een situatie bevinden die met die van bedoelde belastingplichtigen vergelijkbaar is gelet op het door de nationale wetgever nagestreefde doel, te weten de eerbiediging van het beginsel van een redelijke termijn.
43 De geldigheid van deze maatregel is beperkt in de tijd, daar de belastingplichtigen die ervoor in aanmerking wensen te komen bij de bevoegde instantie of de bevoegde griffie binnen 90 dagen na de inwerkingtreding van de wet tot omzetting van het decreto-legge een verzoek moeten indienen. Deze beperking in de tijd is echter inherent aan dit soort — noodzakelijkerwijs gerichte — maatregelen, terwijl voorts genoemde termijn voldoende lijkt om alle belastingplichtigen die voor toepassing van deze algemene en gerichte maatregel in aanmerking komen de gelegenheid te bieden, om toepassing ervan te verzoeken.
44 Hieruit volgt — zonder dat de overige in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden hoeven te worden onderzocht — dat een maatregel als die voorzien in artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 niet als staatssteun kan worden aangemerkt.
45 Aangaande tot slot de verplichting, de daadwerkelijke toepassing van het recht van de Unie te waarborgen, volgt uit al het voorgaande dat het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik, artikel 4, lid 3, VEU, de door het VWEU gewaarborgde vrijheden, het beginsel van non-discriminatie en de regels inzake staatssteun er niet aan in de weg staan dat in een zaak betreffende directe belastingen een nationale bepaling als artikel 3, lid 2 bis, sub b, van decreto-legge 40/2010 wordt toegepast.
46 Nu van schending van het recht van de Unie geen sprake is kan derhalve niet worden geconcludeerd dat een dergelijke bepaling, doordat zij — zoals iedere andere bepaling op grond waarvan de procedure eindigt voordat een beslissing ten gronde is gegeven — tot gevolg heeft dat de nationale rechterlijke instantie die in laatste instantie beslist wordt belet, in de betrokken procedures overeenkomstig het recht van de Unie haar rechtmatigheidstoetsing te verrichten na in voorkomend geval het Hof te hebben aangezocht krachtens artikel 267 VWEU, in strijd is met de verplichting van de rechterlijke instanties die in laatste instantie uitspraak doen, in het kader van hun bevoegdheden de daadwerkelijke toepassing van het recht van de Unie te waarborgen.
47 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat het recht van de Unie, inzonderheid het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik, artikel 4, lid 3, VEU, de door het VWEU gewaarborgde vrijheden, het beginsel van non-discriminatie, de regels inzake staatssteun en de verplichting, de daadwerkelijke toepassing van het recht van de Unie te waarborgen, aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat in een zaak als die in het hoofdgeding, betreffende directe belastingen, een nationale bepaling wordt toegepast op grond waarvan procedures die aanhangig zijn voor een gerecht dat in laatste instantie uitspraak doet in belastingzaken, worden beëindigd tegen betaling van een bedrag ter hoogte van 5 % van het in geding zijnde bedrag, wanneer die procedures zijn aangevangen met een beroep dat meer dan tien jaar voor de inwerkingtreding van die bepaling in eerste aanleg is ingesteld en de belastingdienst in eerste en in tweede aanleg in het ongelijk is gesteld.