Prejudiciële vragen in zaak C-142/11
36 Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 167, 168, sub a, 178, sub a, 220, punt 1, en 226 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk waarbij de belastingdienst een belastingplichtige het recht weigert om van de door hem verschuldigde btw de verschuldigde of betaalde belasting over te zijnen behoeve verrichte diensten af te trekken, op grond dat de opsteller van de factuur voor deze diensten of een van zijn dienstverrichters onregelmatigheden heeft begaan, zonder dat deze dienst aantoont dat de betrokken belastingplichtige op de hoogte was van dit onregelmatig handelen of er zelf aan heeft deelgenomen.
37 In de eerste plaats vormt volgens vaste rechtspraak het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die in eerdere stadia is geheven over de aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (zie met name arresten van 25 oktober 2001, Commissie/Italië, C-78/00, Jurispr. blz. I-8195, punt 28; 10 juli 2008, Sosnowska, C-25/07, Jurispr. blz. I-5129, punt 14, en 28 juli 2011, Commissie/Hongarije, C-274/10, Jurispr. blz. I-7289, punt 42).
38 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft benadrukt, is het recht op aftrek waarin de artikelen 167 en volgende van richtlijn 2006/112 voorzien, een integrerend deel van de btw-regeling en kan het, in beginsel, niet worden beperkt. In het bijzonder wordt dit recht onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt (zie met name arresten van 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C-110/98-C-147/98, Jurispr. blz. I-1577, punt 43; 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, C-439/04 en C-440/04, Jurispr. blz. I-6161, punt 47, en 30 september 2010, Uszodaépítő, C-392/09, Jurispr. blz. I-8791, punt 34, en reeds aangehaald arrest Commissie/Hongarije, punt 43).
39 De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (zie met name reeds aangehaald arrest Gabalfrisa e.a., punt 44; arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a., C-255/02, Jurispr. blz. I-1609, punt 78; reeds aangehaald arrest Kittel en Recolta Recycling, punt 48, en arrest van 22 december 2010, Dankowski, C-438/09, Jurispr. blz. I-14009, punt 24).
40 Of de over de vroegere of latere verkopen van de betrokken goederen verschuldigde btw al dan niet aan de schatkist is betaald, is niet van invloed op het recht van de belastingplichtige op aftrek van de voorbelasting. Bij elke transactie inzake productie of distributie is immers btw verschuldigd, onder aftrek van de belasting waarmee de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast (zie beschikking van 3 maart 2004, Transport Service, C-395/02, Jurispr. blz. I-1991, punt 26; arrest van 12 januari 2006, Optigen e.a., C-354/03, C-355/03 en C-484/03, Jurispr. blz. I-483, punt 54, en reeds aangehaald arrest Kittel en Recolta Recycling, punt 49).
41 In de tweede plaats is de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken een doel dat door richtlijn 2006/112 is erkend en wordt gestimuleerd (zie met name reeds aangehaald arrest Halifax e.a., punt 71; arresten van 7 december 2010, R., C-285/09, Jurispr. blz. I-12605, punt 36, en 27 oktober 2011, Tanoarch, C-504/10, Jurispr. blz. I-10853, punt 50). Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat de justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kunnen doen (zie met name arrest van 3 maart 2005, Fini H, C-32/03, Jurispr. blz. I-1599, punt 32; reeds aangehaalde arresten Halifax e.a., punt 68, en Kittel en Recolta Recycling, punt 54).
42 Derhalve staat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om het recht op aftrek te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat dit recht in geval van fraude of misbruik wordt ingeroepen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Fini H, punten 33 en 34, en Kittel en Recolta Recycling, punt 55, en arrest van 29 maart 2012, Véleclair, C-414/10, punt 32).
43 Met betrekking tot het hoofdgeding staat blijkens de verwijzingsbeslissing vast dat verzoeker in het hoofdgeding die het recht op aftrek wenst uit te oefenen, een belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 is en de als grondslag voor dit recht aangevoerde dienstverrichtingen in een later stadium voor zijn eigen belaste handelingen heeft gebruikt.
44 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de prejudiciële vragen uitgaan van de premisse dat, in de eerste plaats, de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling blijkens de desbetreffende factuur heeft plaatsgevonden en, in de tweede plaats, deze factuur alle krachtens richtlijn 2006/112 vereiste gegevens bevat, zodat is voldaan aan de in deze richtlijn gestelde materiële en formele voorwaarden voor het ontstaan en de uitoefening van het recht op aftrek. In het bijzonder moet worden opgemerkt dat in de verwijzingsbeslissing niet wordt aangegeven dat verzoeker in het hoofdgeding zelf bedrieglijke handelingen heeft verricht zoals valse aangiften doen of onregelmatige facturen opstellen.
45 Derhalve kan de belastingplichtige het recht op aftrek slechts worden geweigerd op grond van de rechtspraak in de punten 56 tot en met 61 van het reeds aangehaalde arrest Kittel en Recolta Recycling, volgens welke op basis van objectieve gegevens moet vaststaan dat de belastingplichtige aan wie de goederen of diensten zijn geleverd waarop het recht op aftrek is gebaseerd, wist of had moeten weten dat deze handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier of een andere marktdeelnemer in een eerder stadium.
46 Een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, moet voor de toepassing van richtlijn 2006/112 immers worden beschouwd als deelnemer aan deze fraude, ongeacht of hij winst haalt uit de doorverkoop van de goederen of het gebruik van de diensten in het kader van de door hem in een later stadium verrichte belaste handelingen (zie reeds aangehaald arrest Kittel en Recolta Recycling, punt 56).
47 Daarentegen is het niet verenigbaar met de in deze richtlijn vastgestelde regeling van het recht op aftrek, zoals in herinnering is gebracht in de punten 37 tot en met 40 van het onderhavige arrest, om door de weigering van dit recht een belastingplichtige te straffen die niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier of dat een andere handeling uit de leveringsketen die voorafgaat aan of volgt op de door deze belastingplichtige verrichte handeling, btw-fraude was (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Optigen e.a., punten 52 en 55, en Kittel en Recolta Recycling, punten 45, 46 en 60).
48 Een regeling van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid invoeren zou immers verder gaan dan noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van de schatkist (zie in die zin arresten van 11 mei 2006, Federation of Technological Industries e.a., C-384/04, Jurispr. blz. I-4191, punt 32, en 21 februari 2008, Netto Supermarkt, C-271/06, Jurispr. blz. I-771, punt 23).
49 Aangezien de weigering van het recht op aftrek overeenkomstig punt 45 van het onderhavige arrest een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht is, staat het aan de belastingdienst om met objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier of een andere marktdeelnemer die in een eerder stadium van de toeleveringsketen actief was.
50 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen in zaak C-142/11 worden geantwoord dat de artikelen 167, 168, sub a, 178, sub a, 220, punt 1, en 226 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk waarbij de belastingdienst een belastingplichtige het recht weigert om van de door hem verschuldigde btw de verschuldigde of betaalde belasting over te zijnen behoeve verrichte diensten af te trekken, op grond dat de opsteller van de factuur voor deze diensten of een van zijn dienstverrichters onregelmatigheden heeft begaan, zonder dat deze belastingdienst op basis van objectieve gegevens aantoont dat de betrokken belastingplichtige wist of had moeten weten dat de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling deel uitmaakte van fraude door deze opsteller of een andere marktdeelnemer die in een eerder stadium van de toeleveringsketen actief was.
Prejudiciële vragen in zaak C-80/11
51 Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 167, 168, sub a, 178, sub a, en 273 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk waarbij de belastingdienst het recht op aftrek weigert op grond dat de belastingplichtige zich er niet van heeft vergewist dat de opsteller van de factuur voor de goederen waarvoor om uitoefening van het recht op aftrek wordt verzocht, belastingplichtig was, de betrokken goederen in bezit had, de goederen kon leveren en zijn verplichtingen ter zake van btw-aangifte en -betaling was nagekomen, of op grond dat deze belastingplichtige behalve over deze factuur, niet over andere documenten beschikt die kunnen aantonen dat deze omstandigheden aanwezig zijn.
52 Uit de verwijzingsbeslissing, met name uit de eerste vraag, blijkt dat de prejudiciële vragen in zaak C-80/11, net als die in zaak C-142/11, uitgaan van de premisse dat is voldaan aan de in richtlijn 2006/112 gestelde materiële en formele voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek, in het bijzonder de voorwaarde dat de belastingplichtige over een factuur moet beschikken die bewijst dat de levering van de goederen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en die voldoet aan de eisen van deze richtlijn. Gelet op het in punt 50 van het onderhavige arrest gegeven antwoord, dat ook geldt voor goederenleveringen, kan het recht op aftrek derhalve slechts worden geweigerd indien op basis van objectieve gegevens vaststaat dat de betrokken belastingplichtige wist of had moet weten dat de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier of een andere marktdeelnemer die in een eerder stadium van de toeleveringsketen actief was.
53 Volgens de rechtspraak van het Hof moeten marktdeelnemers die alles doen wat redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hun handelingen geen onderdeel vormen van een fraudeketen, ongeacht of het btw-fraude dan wel andere vormen van fraude betreft, kunnen vertrouwen op de rechtsgeldigheid van deze handelingen, zonder het risico te lopen dat zij hun recht op aftrek van reeds voldane btw verliezen (zie reeds aangehaald arrest Kittel en Recolta Recycling, punt 51).
54 Het is daarentegen niet in strijd met het Unierecht om van een marktdeelnemer te verlangen dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude (zie in die zin arrest van 27 september 2007, Teleos e.a., C-409/04, Jurispr. blz. I-7797, punten 65 en 68; reeds aangehaald arrest Netto Supermarkt, punt 24, en arrest van 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij, C-499/10, Jurispr. blz. I-14191, punt 25).
55 Voorts kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 273, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 andere verplichtingen dan die uit hoofde van deze richtlijn voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude.
56 Ook al verleent deze bepaling aan de lidstaten een beoordelingsmarge (zie arrest van 26 januari 2012, Kraft Foods Polska, C-588/10, punt 23), deze mogelijkheid mag volgens de tweede alinea van dit artikel echter niet worden benut voor het opleggen van extra verplichtingen inzake facturering naast de verplichtingen die zijn vastgesteld in hoofdstuk 3, „Facturering”, van titel XI, „Verplichtingen van de belastingplichtigen en van bepaalde niet-belastingplichtige personen”, van deze richtlijn, in het bijzonder in artikel 226 ervan.
57 Voorts mogen de maatregelen die de lidstaten op grond van artikel 273 van richtlijn 2006/112 kunnen nemen ter waarborging van de juiste inning van de belasting en ter voorkoming van fraude, niet verder gaan dan voor de verwezenlijking van die doelstellingen noodzakelijk is. Derhalve mogen zij niet op zodanige wijze worden aangewend dat zij een systematische belemmering opleveren voor het recht op btw-aftrek en bijgevolg voor de btw-neutraliteit, die een fundamenteel beginsel is van het gemeenschappelijke btw-stelsel (zie in die zin met name reeds aangehaalde arresten Gabalfrisa e.a., punt 52, en Halifax e.a., punt 92; arrest van 21 oktober 2010, Nidera Handelscompagnie, C-385/09, Jurispr. blz. I-10385, punt 49, en reeds aangehaald arrest Dankowski, punt 37).
58 Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregelen betreft, zij erop gewezen dat de btw-wet geen concrete verplichtingen oplegt, maar in artikel 44, lid 5, slechts bepaalt dat aan de fiscale rechten van de op een factuur als afnemer vermelde belastingplichtige geen afbreuk mag worden gedaan indien hij met betrekking tot het belastbare feit, rekening houdend met de omstandigheden waarin de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht, met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld.
59 Derhalve volgt uit de in de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat het voornamelijk van de omstandigheden van het concrete geval afhangt welke maatregelen in dat bepaald geval redelijkerwijs kunnen worden verlangd van een belastingplichtige die het recht op btw-aftrek wenst uit te oefenen, om ervoor te zorgen dat zijn handelingen geen deel uitmaken van fraude door een marktdeelnemer in een eerder stadium.
60 Stellig kan een bedachtzame marktdeelnemer, wanneer er aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude zijn, naargelang van de omstandigheden van het geval ertoe verplicht zijn om inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer van wie hij voornemens is goederen of diensten te kopen om zich te vergewissen van diens betrouwbaarheid.
61 De belastingdienst kan echter niet op algemene wijze vereisen dat de belastingplichtige die het recht op btw-aftrek wenst uit te oefenen, nagaat of de opsteller van de factuur voor de goederen en diensten waarvoor om uitoefening van dat recht wordt verzocht, belastingplichtig is, de betrokken goederen in bezit had, de goederen kon leveren en zijn verplichtingen ter zake van btw-aangifte en -betaling was nagekomen, om zich ervan te vergewissen dat er geen sprake was van onregelmatigheden of fraude door de marktdeelnemers in een eerder stadium, dan wel over documenten dienaangaande beschikt.
62 In beginsel staat het immers aan de belastingautoriteiten om bij de belastingplichtigen de nodige controles uit te voeren om onregelmatigheden en btw-fraude op te sporen en sancties op te leggen aan de belastingplichtige die deze onregelmatigheden heeft begaan of deze fraude heeft gepleegd.
63 Volgens de rechtspraak van het Hof moeten de lidstaten de aangiften van de belastingplichtigen, hun boekhouding en andere relevante documenten controleren (zie arresten van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C-132/06, Jurispr. blz. I-5457, punt 37, en 29 juli 2010, Profaktor Kulesza, Frankowski, Jóźwiak, Orłowski, C-188/09, Jurispr. blz. I-7639, punt 21).
64 Daarom moet iedere belastingplichtige krachtens richtlijn 2006/112, met name artikel 242 ervan, een boekhouding voeren die voldoende gegevens bevat om de toepassing van de btw en de controle daarop door de belastingdienst mogelijk te maken. Ter vergemakkelijking van de uitoefening van deze taak hebben de bevoegde autoriteiten krachtens de artikelen 245 en 249 van deze richtlijn recht op toegang tot de facturen die de belastingplichtige overeenkomstig artikel 244 van deze richtlijn moet bewaren.
65 Door aan de belastingplichtigen op straffe van weigering van het recht op aftrek de in punt 61 van het onderhavige arrest opgesomde maatregelen op te leggen, zou de belastingdienst bijgevolg in strijd met deze bepalingen zijn eigen controletaken doorschuiven naar de belastingplichtigen.
66 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen in zaak C-80/11 worden geantwoord dat de artikelen 167, 168, sub a, 178, sub a, en 273 van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk waarbij de belastingdienst het recht op aftrek weigert op grond dat de belastingplichtige zich er niet van heeft vergewist dat de opsteller van de factuur voor de goederen waarvoor om uitoefening van het recht op aftrek wordt verzocht, belastingplichtig was, de betrokken goederen in bezit had, de goederen kon leveren en zijn verplichtingen ter zake van btw-aangifte en -betaling was nagekomen, of op grond dat deze belastingplichtige behalve over deze factuur, niet over andere documenten beschikt die kunnen aantonen dat deze omstandigheden aanwezig zijn, hoewel is voldaan aan de in richtlijn 2006/112 gestelde materiële en formele voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek en de belastingplichtige niet beschikte over aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude door deze opsteller.