Ten gronde
33 Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3, 12 en 13 van de machtigingsrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat de mobieletelefonieoperatoren die over gebruiksrechten voor radiofrequenties beschikken, een enige heffing oplegt die zowel verschuldigd is wanneer nieuwe gebruiksrechten voor radiofrequenties worden verkregen als wanneer die rechten worden verlengd, en die deze operatoren moeten betalen boven op een jaarlijkse heffing voor de terbeschikkingstelling van de frequenties, die er in de eerste plaats toe strekt de kosten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties te dekken en tegelijk die frequenties gedeeltelijk te valoriseren, waarbij beide heffingen zijn ingegeven door het doel, het optimale gebruik van deze radiofrequenties als schaarse hulpbron te bevorderen, en boven op een heffing die de beheerskosten van de vergunning dekt.
34 Hij wenst tevens te vernemen of de methode volgens welke het bedrag van de enige heffing voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt vastgesteld, namelijk aan de hand van het vroegere unieke concessierecht – dat werd berekend op basis van het aantal frequenties en het aantal maanden waarop de gebruiksrechten betrekking hadden – ofwel door middel van een veiling bij de toewijzing van frequenties, verenigbaar is met die bepalingen van de machtigingsrichtlijn.
35 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de artikelen 3 en 12 van die richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de verplichting voor de lidstaten om de vrijheid te waarborgen om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden en op de wijzen waarop administratieve bijdragen kunnen worden opgelegd, niet van toepassing zijn op een heffing als in het hoofdgeding aan de orde, die immers onder geen van deze beide gevallen valt.
36 Zoals uit de eerste twee vragen volgt, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de machtigingsrichtlijn uit te leggen wat enerzijds de mogelijkheid voor een lidstaat betreft om een enige heffing op te leggen aan mobieletelefonieoperatoren en anderzijds de methode volgens welke het bedrag van de enige heffing kan worden vastgesteld, zowel bij de toewijzing als bij de verlenging van de gebruiksrechten voor radiofrequenties.
37 Wat het opleggen van een enige heffing betreft, moet allereerst worden vastgesteld dat de machtigingsrichtlijn slechts betrekking heeft op de procedure voor de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties en geen bijzondere bepaling bevat met voorwaarden waaraan de procedure voor de verlenging van reeds verleende gebruiksrechten voor radiofrequenties moet voldoen.
38 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de verlenging van een vergunning evenwel als de toekenning van nieuwe rechten voor een nieuwe periode worden beschouwd, aangezien een lidstaat de individuele gebruiksrechten voor een beperkte periode verleent.
39 Derhalve moet worden vastgesteld dat de procedure voor de toewijzing van de gebruiksrechten voor radiofrequenties en de procedure voor de verlenging van die rechten overeenkomstig de machtigingsrichtlijn aan dezelfde regeling moeten worden onderworpen. Bijgevolg moet artikel 13 van de machtigingsrichtlijn op dezelfde manier worden toegepast op die twee procedures.
40 In dit verband moet worden benadrukt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de lidstaten in het kader van de machtigingsrichtlijn geen andere heffingen of bijdragen voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten mogen opleggen dan die waarin deze richtlijn voorziet (zie naar analogie arresten van 18 juli 2006, Nuova società di telecomunicazioni, C-339/04, Jurispr. blz. I-6917, punt 35; 10 maart 2011, Telefónica Móviles España, C-85/10, Jurispr. blz. I-1575, punt 21, en 12 juli 2012, Vodafone España en France Telecom España, C-55/11, C-57/11 en C-58/11, punt 28).
41 Zoals uit de verwijzingsbeslissing volgt, wenst de nationale rechter in het hoofdgeding in wezen te vernemen of artikel 13 van de machtigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan operatoren een enige heffing voor de „gebruiksrechten voor radiofrequenties” oplegt, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, terwijl die operatoren reeds een jaarlijks recht voor de terbeschikkingstelling van de frequenties én een heffing ter dekking van de kosten voor het beheer van de vergunning dienen te betalen.
42 In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten op grond van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn niet enkel vergoedingen mogen opleggen die strekken tot dekking van de administratiekosten, maar dat zij de gebruiksrechten voor radiofrequenties daarnaast mogen onderwerpen aan een heffing die tot doel heeft een optimaal gebruik van deze hulpbron te waarborgen (zie in die zin arrest van 20 oktober 2005, ISIS Multimedia Net en Firma O2, C-327/03 en C-328/03, Jurispr. blz. I-8877, punt 23, en reeds aangehaald arrest Telefónica Móviles España, punt 24).
43 Welke vorm een dergelijke vergoeding voor het gebruik van de radiofrequenties moet aannemen of hoe vaak die vergoeding kan of moet worden opgelegd, wordt in artikel 13 van de machtigingsrichtlijn echter niet uitdrukkelijk bepaald.
44 Uit punt 32 van de considerans van de machtigingsrichtlijn vloeit daarentegen wel voort dat de vergoedingen voor het gebruik van de radiofrequenties kunnen bestaan uit een eenmalig bedrag of uit een periodiek bedrag.
45 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de machtigingsrichtlijn niets zegt over het doel waarvoor dergelijke vergoedingen worden aangewend (zie in die zin reeds aangehaald arrest Telefónica Móviles España, punt 33).
46 Niettemin legt artikel 13 van deze richtlijn de lidstaten de verplichting op ervoor te zorgen dat de vergoedingen voor het gebruik van de radiofrequenties objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn, in verhouding staan tot het beoogde doel, en beantwoorden aan de in artikel 8 van de kaderrichtlijn neergelegde doelstellingen, zoals de bevordering van de mededinging en het efficiënte gebruik van de radiofrequenties.
47 Uit voormeld artikel 13 en uit punt 32 van de considerans van de machtigingsrichtlijn volgt eveneens dat een aan de aanbieders van telecommunicatiediensten opgelegde vergoeding voor het gebruik van middelen er steeds toe moet strekken een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen, en de ontwikkeling van innovatieve diensten of de concurrentie in de markt niet mag belemmeren.
48 De artikelen 12 en 13 van de machtigingsrichtlijn verzetten zich dus niet tegen een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een vergoeding wordt opgelegd die ertoe strekt het optimale gebruik van de frequenties te waarborgen, ook al is die vergoeding verschuldigd boven op een andere, jaarlijkse vergoeding die ten dele hetzelfde doel dient, mits al die vergoedingen voldoen aan de voorwaarden die in de punten 46 en 47 van dit arrest zijn vermeld. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.
49 Betreffende de wijze om het bedrag vast te stellen van een enige heffing voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden opgemerkt dat in de machtigingsrichtlijn wel wordt vastgesteld aan welke vereisten de lidstaten moeten voldoen wanneer zij het bedrag van een heffing voor het gebruik van de radiofrequenties bepalen, maar niet uitdrukkelijk wordt voorzien in een concrete methode om het bedrag van een dergelijke heffing vast te stellen (zie reeds aangehaald arrest Telefónica Móviles España, punt 25).
50 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de toestemming om gebruik te maken van een openbaar goed dat een schaarse hulpbron is, de houder hiervan de mogelijkheid biedt om grote economische voordelen te behalen en hem bevoordeelt ten opzichte van andere marktdeelnemers die deze hulpbron eveneens willen gebruiken en exploiteren, wat een rechtvaardiging biedt voor het opleggen van een heffing die met name overeenstemt met de waarde van het gebruik van de betrokken schaarse hulpbron (zie reeds aangehaald arrest Telefónica Móviles España, punt 27).
51 Het doel ervoor te zorgen dat de exploitanten de schaarse hulpbronnen waar zij toegang toe hebben optimaal gebruiken, impliceert derhalve dat het bedrag van deze heffing wordt vastgesteld op een passend niveau dat met name overeenstemt met de waarde van het gebruik van deze hulpbronnen, hetgeen vereist dat rekening wordt gehouden met de economische en technologische situatie op de betrokken markt (reeds aangehaald arrest Telefónica Móviles España, punt 28).
52 De methode die inhoudt dat een vergoeding voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt bepaald op basis van hetzij het bedrag van het vroegere unieke concessierecht, dat werd berekend op basis van het aantal frequenties en het aantal maanden waarop de gebruiksrechten voor de frequenties betrekking hadden, hetzij de uit veilingen voortvloeiende bedragen, is derhalve, zoals de advocaat-generaal in de punten 54 en 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geschikt om de waarde van de radiofrequenties te bepalen.
53 Rekening houdend met de beginselen die het Koninkrijk België heeft gehanteerd om het bedrag van het vroegere unieke concessierecht vast te stellen, blijkt immers dat elk van deze twee methoden bedragen oplevert die verband houden met de te verwachten rendabiliteit van de betrokken radiofrequenties. De machtigingsrichtlijn verzet er zich niet tegen dat een dergelijk criterium wordt gebruikt om het bedrag van de bovengenoemde vergoedingen vast te stellen.
54 Gelet op een en ander moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat de artikelen 12 en 13 van de machtigingsrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat de mobieletelefonieoperatoren die over gebruiksrechten voor radiofrequenties beschikken een enige heffing oplegt die zowel verschuldigd is wanneer nieuwe gebruiksrechten voor radiofrequenties worden verkregen als wanneer die rechten worden verlengd, en die deze operatoren moeten betalen boven op een jaarlijkse heffing voor de terbeschikkingstelling van de frequenties, die ertoe strekt het optimale gebruik van de hulpbronnen te bevorderen, en boven op een heffing die de beheerskosten van de vergunning dekt, op voorwaarde dat die heffingen daadwerkelijk een optimaal gebruik van die radiofrequenties als hulpbron beogen te verzekeren, objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn, in verhouding staan tot het beoogde doel, en beantwoorden aan de doelstellingen die zijn neergelegd in artikel 8 van de kaderrichtlijn, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of dat het geval is.
55 Indien aan die voorwaarden is voldaan, kan de methode die inhoudt dat het bedrag van een enige heffing voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt bepaald op basis van hetzij het bedrag van het vroegere unieke concessierecht, dat werd berekend op basis van het aantal frequenties en het aantal maanden waarop de gebruiksrechten voor de frequenties betrekking hadden, hetzij de uit veilingen voortvloeiende bedragen, een geschikte methode zijn om de waarde van de radiofrequenties te bepalen.