Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 In 2007 heeft Irimie een in Duitsland geregistreerde personenwagen gekocht. Zij heeft het voertuig in Roemenië geregistreerd door overeenkomstig het besluit van 4 juli 2008 van de Administraţia Finanţelor Publice Sibiu de bij OUG nr. 50/2008 vastgestelde milieubelasting ten bedrage van 6 707 RON te betalen.
11 Op 31 augustus 2009 heeft Irimie bij het Tribunalul Sibiu (arrondissementsrechtbank te Sibiu) een geding tegen de Administraţia Finanţelor Publice Sibiu en de Administraţia Fondului pentru Mediu aanhangig gemaakt tot terugbetaling van het bedrag van de milieubelasting en tot betaling van rente over dit bedrag vanaf de datum van betaling van deze belasting.
12 De verwijzende rechter stelt vast dat het onderdeel van het geding betreffende het verzoek om terugbetaling van de betaalde milieubelasting, gelet op het arrest van het Hof van 7 april 2011, Tatu (C-402/09, Jurispr. blz. I-2711), en de latere rechtspraak die dit arrest heeft bevestigd, een uitgemaakte zaak is.
13 Wat daarentegen het verzoek om betaling van rente over de milieubelasting vanaf de datum van betaling van deze belasting betreft, benadrukt de verwijzende rechter dat hij dit verzoek niet kan toewijzen gelet op de artikelen 70 en 124 van OG nr. 92/2003. Zoals de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om toelichting van het Hof heeft verduidelijkt, volgt namelijk uit de – ter zake vaste en eenduidige – nationale rechtspraak dat de rente over uit overheidsmiddelen terug te betalen bedragen volgens deze artikelen slechts wordt toegekend vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling is verzocht.
14 De verwijzende rechter betwijfelt evenwel of een dergelijke regel in overeenstemming is met het Unierecht, inzonderheid met de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en evenredigheid, alsmede met het eigendomsrecht, zoals vervat in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 6 VEU.
15 In die omstandigheden heeft het Tribunalul Sibiu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
„Verzetten de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en evenredigheid van de rechtsmiddelen tegen schendingen van het [Unierecht] die particulieren ondergaan ingevolge de toepassing van een met het [Unierecht] strijdige regeling, zoals die volgen uit de rechtspraak van het Hof [...] en uit het in artikel 6 [VEU] alsook artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde eigendomsrecht, zich tegen een nationale regeling die een beperking meebrengt van het schadebedrag dat kan worden teruggevorderd door particulieren wier rechten zijn geschonden?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16 Blijkens de verwijzingsbeslissing wenst de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de rente die bij de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geïnde belasting wordt toegekend, slechts loopt vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van deze belasting is verzocht.
17 Volgens Irimie en de Europese Commissie moet deze vraag bevestigend worden beantwoord, terwijl de Roemeense, Spaanse en Portugese regering betogen dat het Unierecht zich niet verzet tegen een regeling als die in het hoofdgeding.
18 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat het Unierecht in de weg staat aan een belasting als die welke bij OUG nr. 50/2008 in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie is ingevoerd, waardoor de invoer en het in het verkeer brengen in Roemenië van in andere lidstaten gekochte tweedehands voertuigen worden ontmoedigd (arrest Tatu, reeds aangehaald, punten 58 en 61).
19 Zoals de advocaat-generaal in punt 19 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het niet de taak van het Hof om het door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde beroep juridisch te kwalificeren. In casu staat het aan verzoekster in het hoofdgeding om onder toezicht van de verwijzende rechter de aard en de grondslag van haar vordering nader te preciseren (zie naar analogie arrest van 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, Jurispr. blz. I-2107, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Volgens vaste rechtspraak is het recht op terugbetaling van belastingen die door een lidstaat in strijd met het recht van de Unie zijn geïnd, het gevolg en het complement van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van Unierecht die dergelijke belastingen verbieden. De lidstaat is dus in beginsel verplicht, in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arresten van 6 september 2011, Lady & Kid e.a., C-398/09, Jurispr. blz. I-7375, punt 17, en 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, punt 24).
21 Bovendien moet in herinnering worden geroepen dat wanneer een lidstaat heffingen heeft toegepast in strijd met het recht van de Unie, de justitiabelen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting, maar ook van de aan die staat betaalde of door hem ingehouden bedragen die rechtstreeks met die belasting verband houden. Dit omvat mede de verliezen die het gevolg zijn van het feit dat geldsommen wegens de voortijdige verschuldigdheid van de belasting niet beschikbaar zijn (zie arresten van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C-397/98 en C-410/98, Jurispr. blz. I-1727, punten 87-89, en 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C-446/04, Jurispr. blz. I-11753, punt 205; arrest Littlewoods Retail e.a., reeds aangehaald, punt 25, en arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C-113/10, C-147/10 en C-234/10, punt 65).
22 Hieruit volgt dat het beginsel dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belastingen met rente terug te betalen, uit het Unierecht zelf voortvloeit (arresten Littlewoods Retail e.a., reeds aangehaald, punt 26, en Zuckerfabrik Jülich e.a., reeds aangehaald, punt 66).
23 Het Hof heeft dienaangaande reeds geoordeeld dat het bij het ontbreken van een Unieregeling een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat is om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze rente moet worden betaald, met name de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend. Deze voorwaarden moeten het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden en evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest Littlewoods Retail e.a., reeds aangehaald, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, moet erop worden gewezen dat het Hof niet over gegevens beschikt die twijfel doen ontstaan over de overeenstemming van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dit beginsel.
25 Uit de stukken waarover het Hof beschikt, blijkt immers dat de regeling in het hoofdgeding, die slechts rente toekent vanaf de dag die volgt op de datum van het verzoek om terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting, geldt voor alle uit overheidsmiddelen terug te betalen bedragen, ongeacht of zij in strijd met het Unierecht dan wel in strijd met het nationaal recht zijn geïnd. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.
26 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dit beginsel verlangt dat in geval van terugbetaling van belasting die door een lidstaat in strijd met het Unierecht is geïnd, de nationale voorschriften inzake met name de berekening van de eventueel verschuldigde rente niet ertoe leiden dat de belastingplichtige een passende vergoeding voor het verlies dat hij als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting heeft geleden, wordt ontzegd (zie arrest Littlewoods Retail e.a., reeds aangehaald, punt 29).
27 In casu moet worden vastgesteld dat een regeling als die in het hoofdgeding, die pas rente toekent vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting is verzocht, niet aan dit vereiste voldoet.
28 Dit verlies hangt immers onder meer af van de duur van de onbeschikbaarheid van het in strijd met het Unierecht ten onrechte betaalde bedrag en doet zich in beginsel dus voor in de periode tussen de datum van de onverschuldigde betaling van de betrokken belasting en de datum van terugbetaling van deze belasting.
29 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, volgens welke de rente die bij de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting wordt toegekend, slechts loopt vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van deze belasting is verzocht.