Eerste vraag
16 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat sportactiviteiten die noch in georganiseerd verband, noch op regelmatige basis worden beoefend en die niet tot doel hebben aan sportcompetities deel te nemen, als beoefening van sport in de zin van deze bepaling kunnen worden aangemerkt.
17 Om te beginnen dient met betrekking tot het in het nationale recht vervatte begrip „sport” te worden opgemerkt dat de in het voornoemde artikel bedoelde vrijstellingen volgens vaste rechtspraak van het Hof autonome begrippen van het Unierecht zijn, die dienen te voorkomen dat het btw-stelsel door de lidstaten uiteenlopend wordt toegepast (zie met name arresten van 25 februari 1999, CPP, C-349/96, Jurispr. blz. I-973, punt 15; 14 juni 2007, Horizon College, C-434/05, Jurispr. blz. I-4793, punt 15, en 16 oktober 2008, Canterbury Hockey Club en Canterbury Ladies Hockey Club, C-253/07, Jurispr. blz. I-7821, punt 16).
18 Zoals de titel van het hoofdstuk waartoe artikel 132 van de btw-richtlijn behoort, aangeeft, beogen de in dit artikel bedoelde vrijstellingen bepaalde activiteiten van algemeen belang te begunstigen (zie arrest van 23 april 2009, TNT Post UK, C-357/07, Jurispr. blz. I-3025, punt 32). Deze vrijstellingen betreffen evenwel niet alle activiteiten van algemeen belang, maar enkel die welke daarin zeer gedetailleerd zijn opgesomd en omschreven (zie reeds aangehaalde arresten Horizon College, punt 14, en Canterbury Hockey Club en Canterbury Ladies Hockey Club, punt 18, alsook arrest van 10 juni 2010, Future Health Technologies, C-86/09, Jurispr. blz. I-5215, punt 29).
19 De bewoordingen waarin die vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd, aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke door een belastingplichtige onder bezwarende titel verrichte prestatie. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent evenwel niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen als bedoeld in artikel 132 zijn gebruikt, zodanig moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (arrest van 18 november 2004, Temco Europe, C-284/03, Jurispr. blz. I-11237, punt 17, en reeds aangehaalde arresten Horizon College, punt 16, en Canterbury Hockey Club en Canterbury Ladies Hockey Club, punt 17).
20 Deze bewoordingen dienen dus te worden uitgelegd in het licht van hun context, de doelstellingen en de algemene opzet van de btw-richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de ratio legis van de betrokken vrijstelling (zie in die zin arrest Temco Europe, reeds aangehaald, punt 18; arrest van 3 maart 2005, Fonden Marselisborg Lystbådehavn, C-428/02, Jurispr. blz. I-1527, punt 28, alsook arrest Canterbury Hockey Club en Canterbury Ladies Hockey Club, reeds aangehaald, punt 17).
21 Wat artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn betreft, moet erop worden gewezen dat uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat zij betrekking heeft op de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding in het algemeen. Gelet op de bewoordingen ervan, is het niet de bedoeling van deze bepaling dat slechts bepaalde soorten sport in aanmerking komen voor de vrijstelling waarin zij voorziet (zie in die zin arrest Canterbury Hockey Club en Canterbury Ladies Hockey Club, reeds aangehaald, punt 27).
22 Het is voor de toepassing van artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn evenmin vereist dat de sportactiviteit op een bepaald niveau wordt beoefend – bijvoorbeeld op professioneel niveau – en evenmin dat de betrokken sportactiviteit op een bepaalde manier wordt beoefend, te weten op regelmatige basis, in georganiseerd verband of met het oog op deelneming aan sportcompetities, voor zover deze activiteit evenwel niet louter ter ontspanning en vermaak wordt uitgeoefend.
23 Artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn heeft tot doel bepaalde activiteiten van algemeen belang, te weten diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding, die door instellingen zonder winstoogmerk worden verstrekt ten behoeve van personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen, te bevorderen. Deze bepaling beoogt dus de beoefening van sport of lichamelijke opvoeding door brede lagen van de bevolking te bevorderen.
24 Indien deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat de vrijstelling waarin zij voorziet slechts van toepassing is op sportactiviteiten die in georganiseerd verband, op regelmatige basis of met het oog op de deelneming aan sportcompetities worden beoefend, zou dit niet met dat doel stroken.
25 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat sportactiviteiten die noch in georganiseerd verband, noch op regelmatige basis worden beoefend en die niet tot doel hebben aan sportcompetities deel te nemen, als de beoefening van sport in de zin van deze bepaling kunnen worden aangemerkt.
Tweede vraag
26 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de toegang tot een aquapark waarvan de installaties door de bezoekers niet alleen kunnen worden gebruikt ter beoefening van sportactiviteiten, maar ook voor andere soorten van recreatie of ontspanning, een dienst is die nauw samenhangt met de beoefening van sport.
27 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer een handeling uit een reeks elementen en handelingen bestaat, rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt, teneinde te bepalen of het om twee of meer afzonderlijke prestaties dan wel om één prestatie gaat, en of, in dit laatste geval, deze ene prestatie onder de betrokken vrijstelling valt (zie in die zin arresten van 27 oktober 2005, Levob Verzekeringen en OV Bank, C-41/04, Jurispr. blz. I-9433, punt 19; 29 maart 2007, Aktiebolaget NN, C-111/05, Jurispr. blz. I-2697, punt 21, en 10 maart 2011, Bog e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, Jurispr. blz. I-1457, punt 52).
28 Er is sprake van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of door de belastingplichtige voor de klant verrichte handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele, onverbrekelijke economische prestatie vormen, waarvan de opsplitsing kunstmatig zou aandoen (arrest Levob Verzekeringen en OV Bank, reeds aangehaald, punt 22; arrest van 21 februari 2008, Part Service, C-425/06, Jurispr. blz. I-897, punt 53, alsook arrest Bog e.a., reeds aangehaald, punt 53). Tevens is er sprake van één enkele prestatie wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen daarentegen moeten worden aangemerkt als een of meer aanvullende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen (zie met name reeds aangehaalde arresten CPP, punt 30; Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 21, en Bog e.a., punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Om uit te maken of één enkele samengestelde handeling moet worden gekwalificeerd als een prestatie die nauw samenhangt met de beoefening van sport in de zin van artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn, ook al bevat deze prestatie ook elementen die bedoelde samenhang niet vertonen, moeten alle omstandigheden waarin de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen teneinde daaruit de kenmerkende aspecten naar voren te halen en de overheersende onderdelen ervan te bepalen (zie in die zin met name arrest van 2 mei 1996, Faaborg-Gelting Linien, C-231/94, Jurispr. blz. I-2395, punten 12 en 14, en reeds aangehaalde arresten Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 27, en Bog e.a., punt 61).
30 Blijkens de rechtspraak van het Hof moet het overheersende onderdeel worden bepaald vanuit het standpunt van de gemiddelde consument (zie in die zin met name arrest Levob Verzekeringen en OV Bank, reeds aangehaald, punt 22, en arrest van 2 december 2010, Everything Everywhere, C-276/09, Jurispr. blz. I-12359, punt 26), en door in het kader van een algemene beoordeling rekening te houden met het kwalitatieve – en niet louter het kwantitatieve – belang van de elementen die onder de vrijstelling van artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-wet vallen, in vergelijking met de elementen die niet voor deze vrijstelling in aanmerking komen (zie in die zin arrest Bog e.a., reeds aangehaald, punt 62).
31 Het staat aan de nationale rechterlijke instanties om in het kader van de krachtens artikel 267 VWEU ingevoerde samenwerking te bepalen of de belastingplichtige in een concreet geval één enkele prestatie verricht die onder die vrijstelling valt en om alle definitieve feitelijke vaststellingen daarvoor te doen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten CPP, punt 32; Levob Verzekeringen en OV Bank, punt 23, en Bog e.a., punt 55). Het is echter de taak van het Hof om die rechterlijke instanties alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de afdoening van de bij hen aanhangige zaak (zie arrest Levob Verzekeringen en OV Bank, reeds aangehaald, punt 23, en arrest van 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse, C-392/11, punt 20).
32 Ter beantwoording van de vraag of in het hoofdgeding sprake is van één enkele samengestelde prestatie dient te worden nagegaan of de verschillende installaties in het betrokken aquapark één geheel vormen, zodat de toegang tot dat geheel één prestatie is waarvan de opsplitsing kunstmatig zou aandoen. De omstandigheid dat, zoals in casu het geval is, het enige verkochte type toegangskaart voor het aquapark toegang verleent tot alle installaties, zonder dat daarbij enig onderscheid wordt gemaakt naargelang het infrastructuuronderdeel waarvan daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, de wijze waarop en de tijdsspanne waarin van de toegangskaart gebruik wordt gemaakt zolang zij geldig is, kan in dit verband een belangrijke aanwijzing vormen dat sprake is van één enkele samengestelde prestatie.
33 Om vast te stellen of de mogelijkheid om onder artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn vallende sportactiviteiten te beoefenen, dan wel het louter rusten en zich ontspannen het overheersende element van een dergelijke samengestelde prestatie is, dient, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is aangegeven, het standpunt van de gemiddelde consument te worden ingenomen, dat moet worden afgebakend op basis van een geheel van objectieve gegevens. In het kader van deze algemene beoordeling moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de wijze waarop het betrokken aquapark is bedacht, hetgeen blijkt uit de objectieve kenmerken ervan, te weten de verschillende types installaties waarvan gebruik kan worden gemaakt, de inrichting ervan, hun aantal en het belang ervan in verhouding tot de volledige infrastructuur.
34 Wat de zwembadgedeelten betreft, dient de nationale rechter met name rekening te houden met het feit of deze zich lenen tot de beoefening van de zwemsport als zodanig, doordat zij bijvoorbeeld in banen zijn ingedeeld, met startblokken zijn uitgerust en daarvoor de geschikte diepte en afmetingen hebben, dan wel daarentegen aldus zijn ingericht dat zij in hoofdzaak voor recreatief gebruik bestemd zijn.
35 Het feit dat een bepaald aantal bezoekers niet voornemens is gebruik te maken van het aldus bepaalde overheersende element van de betrokken prestatie, is daarbij niet van belang.
36 Een benadering waarbij rekening wordt gehouden met de bedoeling van iedere individuele bezoeker, wat het gebruik van de ter beschikking gestelde installaties betreft, zou immers niet stroken met de doelstellingen van het btw-stelsel, te weten de rechtszekerheid en de correcte en eenvoudige toepassing van de in artikel 132 van de btw-richtlijn bedoelde vrijstellingen waarborgen. In dit opzicht zij eraan herinnerd dat, behalve in uitzonderingsgevallen, de objectieve aard van de betrokken handeling in aanmerking dient te worden genomen, teneinde de heffing van de btw te vergemakkelijken (zie in die zin arresten van 6 april 1995, BLP Group, C-4/94, Jurispr. blz. I-983, punt 24; 9 oktober 2001, Cantor Fitzgerald International, C-108/99, Jurispr. blz. I-7257, punt 33, en 27 september 2007, Teleos e.a., C-409/04, Jurispr. blz. I-7797, punt 39).
37 Uit het voorgaande volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, sub m, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de toegang tot een aquapark waarvan de installaties door de bezoekers niet alleen kunnen worden gebruikt voor de beoefening van sportactiviteiten maar ook voor andere soorten van recreatie of ontspanning, een dienst kan zijn die nauw samenhangt met de beoefening van sport. Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van de door het Hof in het onderhavige arrest verstrekte uitleggingsgegevens en rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding te bepalen of dit in deze zaak het geval is.