– Ontvankelijkheid
66 Zoals volgt uit artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof en de rechtspraak van dit laatste, is het Hof in het kader van een hogere voorziening bevoegd om na te gaan of voor het Gerecht procedurele onregelmatigheden zijn begaan waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan (zie met name arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C-385/07 P, Jurispr. blz. I-6155, punt 176).
67 Ten aanzien van de in het kader van het onderhavige middel ingeroepen onregelmatigheid moet eraan worden herinnerd dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest bepaalt dat „[e]enieder [...] recht [heeft] op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, heeft dit artikel betrekking op het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming (zie met name arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Op die grond is dit recht, waarvan het bestaan als algemeen beginsel van Unierecht reeds is bevestigd vóór de inwerkingtreding van het Handvest, van toepassing in het kader van een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie (zie met name arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Rekwirantes kritiek is dan wel hoofdzakelijk gericht tegen de periode waarin het Gerecht procedureel heeft stilgezeten, tussen het einde van de schriftelijke behandeling en het begin van de mondelinge behandeling, maar zij heeft geen schending van dit recht tijdens de terechtzitting voor het Gerecht aangevoerd.
70 Anders dan de Commissie stelt, kan een dergelijk verzuim niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het vierde middel omdat het pas voor het eerst in het kader van de hogere voorziening zou zijn aangevoerd. Hoewel een partij een procedurele onregelmatigheid moet kunnen opwerpen zodra zij meent dat schending van de toepasselijke regels is aangetoond, kan zij immers niet gehouden zijn dit te doen in een stadium waarin de volle omvang van de gevolgen van deze schending nog niet bekend is. Wat meer bepaald een overschrijding van de redelijke procestermijn betreft, is de rekwirerende partij die meent dat zij door deze overschrijding in haar belangen is aangetast, niet gehouden om deze aantasting onmiddellijk aan te voeren. Zo nodig kan zij wachten tot het einde van de procedure om de totale duur ervan te kennen, en dus over alle noodzakelijke gegevens te beschikken om vast te stellen hoe zij in haar belangen meent te zijn aangetast.
71 Het vierde door rekwirante ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middel is dus ontvankelijk.
– Ten gronde
72 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verklaard dat in geval van overschrijding van een redelijke procestermijn, als procedurele onregelmatigheid die inbreuk maakt op een grondrecht, voor de betrokken partij een effectief rechtsmiddel voorhanden moet zijn waarmee zij passende genoegdoening kan krijgen (zie EHRM, arrest Kudla/Polen van 26 oktober 2000, Recueil des arrêts et décisions 2000 XI, § 156 en 157).
73 Ofschoon rekwirante om vernietiging van het bestreden arrest verzoekt, en, subsidiair, om vernietiging van dit arrest voor zover daarin de haar opgelegde geldboete is bevestigd dan wel verlaging van het bedrag ervan, moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat bij gebreke van enige aanwijzing dat de te lange duur van de procedure de uitkomst van het geding heeft beïnvloed, de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn geen grond voor vernietiging van het bestreden arrest kan zijn (zie in die zin arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punten 190 en 196 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Deze rechtspraak is met name gebaseerd op de overweging dat wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de te lange duur van de procedure de uitkomst van het geding kan hebben beïnvloed, de vernietiging van het bestreden arrest de schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming door het Gerecht niet zal opheffen (arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 193).
75 In de onderhavige zaak heeft rekwirante het Hof geen enkele aanwijzing gegeven waaruit zou kunnen blijken dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht, invloed heeft kunnen hebben op de uitkomst van het daarbij aanhangige geding.
76 Hieruit volgt dat, anders dan rekwirante stelt, het vierde middel niet als zodanig tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.
77 Rekwirante geeft niettemin te kennen dat de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht voor haar grote financiële gevolgen heeft gehad, en verzoekt op die grond om nietigverklaring van de geldboete waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gehouden.
78 Gelet op de noodzaak tot handhaving van de mededingingsregels van de Unie, kan het Hof een rekwirant niet wegens de enkele niet-inachtneming van een redelijke procestermijn toestaan de gegrondheid of de hoogte van een geldboete ter discussie te stellen, terwijl alle middelen die hij heeft aangevoerd tegen de vaststellingen van het Gerecht betreffende de hoogte van deze geldboete en de gedragingen die daarmee worden bestraft, ongegrond zijn bevonden (zie in die zin arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 194).
79 Hieruit volgt dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn in het kader van het onderzoek van een beroep in rechte tegen een besluit van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete wordt opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van de Unie, niet kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de bij dat besluit opgelegde geldboete.
80 Voor zover rekwirante subsidiair verzoekt om verlaging van de geldboete waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk is gehouden als compensatie voor de economische schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht, moet worden eraan worden herinnerd dat het Hof aanvankelijk een dergelijk verzoek in een vergelijkbare situatie heeft ingewilligd om redenen van proceseconomie en teneinde een dergelijke onregelmatigheid in de procedure direct en doeltreffend te verhelpen, en dus de geldboete heeft verlaagd (arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 48).
81 Later heeft het Hof, in het kader van een zaak tegen een beslissing van de Commissie waarbij misbruik van een machtspositie werd vastgesteld en waarbij geen geldboete was opgelegd, geoordeeld dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht aanleiding kan zijn voor een schadevordering (arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 195).
82 Het is juist dat de situatie aan de orde in de onderhavige zaak vergelijkbaar is met die welke aanleiding heeft gegeven tot het reeds aangehaalde arrest Baustahlgewebe/Commissie. Een schadevordering tegen de Unie op grond van de artikelen 268 VWEU en 340, tweede alinea, VWEU vormt echter, omdat deze alle gevallen van overschrijding van de redelijke procestermijn dekt, een doeltreffend en algemeen toepasselijk rechtsmiddel om tegen een dergelijke niet-achtneming op te komen en deze te bestraffen.
83 Voor het Hof is er dus aanleiding te beslissen dat de schending door een rechterlijke instantie van de Unie van haar verplichting krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, haar bestraffing moet vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij het Gerecht aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep een effectief rechtsmiddel vormt.
84 Hieruit volgt dat een verzoek dat strekt tot herstel van de schade als gevolg van de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht, niet rechtstreeks aan het Hof kan worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening, maar bij het Gerecht zelf moet worden ingediend.
85 Ten aanzien van de criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het Gerecht het beginsel van de redelijke termijn in acht heeft genomen, moet eraan worden herinnerd dat de redelijkheid van een procestermijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals de complexiteit ervan en het gedrag van partijen (zie met name arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd dat de lijst van relevante criteria niet uitputtend is en dat een beoordeling van de redelijkheid van genoemde termijn niet vereist dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens één daarvan gerechtvaardigd lijkt. Zo kan de complexiteit van de zaak of vertragingsgedrag van de verzoeker worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is (zie met name arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 182 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 Bij het onderzoek van deze criteria moet rekening worden gehouden met het feit dat in geval van een geschil over het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels het fundamentele vereiste van rechtszekerheid voor de marktdeelnemers en het doel, te garanderen dat de mededinging in de interne markt niet wordt vervalst, niet alleen voor de verzoeker zelf en voor zijn concurrenten, maar ook voor derden van groot belang is, gelet op het grote aantal betrokkenen en de financiële belangen die op het spel staan (zie met name arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, reeds aangehaald, punt 186 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Het zal tevens aan het Gerecht staan om aan de hand van het daartoe overgelegde bewijs te beoordelen of zich schade heeft voorgedaan en of er een causaal verband is tussen die schade en de buitensporig lange duur van de litigieuze gerechtelijke procedure.
89 In dat verband moet worden benadrukt dat het, in het kader van een beroep tot schadevergoeding wegens schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest dat wordt ingesteld omdat het Gerecht de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn niet in acht heeft genomen, krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU aan het Gerecht staat om de in de rechtsorden van de lidstaten toepasselijke algemene beginselen voor beroepen gebaseerd op vergelijkbare schendingen in acht te nemen. Met name moet het Gerecht in die context nagaan of kan worden vastgesteld of zich niet alleen materiële schade heeft voorgedaan, maar ook immateriële schade die een partij mogelijk als gevolg van de termijnoverschrijding heeft geleden, die in voorkomend geval passend moet worden hersteld.
90 Het staat dus aan het Gerecht, dat krachtens artikel 256, lid 1, VWEU bevoegd is, om zich over dergelijke schadevorderingen uit te spreken, zulks in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, onder toepassing van de in de punten 85 tot en met 89 van dit arrest genoemde criteria.
91 Na dit te hebben opgemerkt, moet worden vastgesteld dat de duur van de procedure voor het Gerecht, die 5 jaar en 9 maanden heeft bedragen, niet kan worden gerechtvaardigd door enige omstandigheid die is toe te schrijven aan de zaak die tot het onderhavige geding heeft geleid.
92 Met name blijkt dat tussen het einde van de schriftelijke behandeling, met de neerlegging van de memorie van dupliek van de Commissie in februari 2007, en de opening van de mondelinge behandeling in december 2010 ongeveer 3 jaar en 10 maanden zijn verstreken. Dit tijdsverloop valt niet te verklaren door de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals de complexiteit ervan, het gedrag van partijen of procesincidenten.
93 Wat de complexiteit van het geding betreft, blijkt uit het door rekwirante ingestelde beroep, dat in punt 13 van het onderhavige arrest is samengevat, dat de aangevoerde middelen, hoewel zij een diepgaand onderzoek vergden, niet van een bijzondere hoge moeilijkheidsgraad waren. Ofschoon het juist is dat een vijftiental adressaten van de litigieuze beschikking beroep tot nietigverklaring daarvan hebben ingesteld bij het Gerecht, kon deze omstandigheid er niet aan in de weg staan dat deze rechterlijke instantie het dossier tot de kernpunten kon terugbrengen en de mondelinge behandeling kon voorbereiden binnen minder dan 3 jaar en 10 maanden.
94 Benadrukt moet worden dat de procedure in die periode niet is onderbroken of vertraagd als gevolg van de vaststelling van enige maatregel tot organisatie van de procesgang door het Gerecht.
95 Wat de houding van partijen en procesincidenten aangaat, kan het feit dat rekwirante in oktober 2010 om heropening van de schriftelijke behandeling heeft gevraagd, niet de periode van 3 jaar en 8 maanden die reeds na sluiting daarvan was verstreken, rechtvaardigen. Zoals de advocaat-generaal in punt 105 van haar conclusie heeft opgemerkt, wijst het feit dat rekwirante er in de loop van december 2010 van in kennis is gesteld dat in februari 2011 een terechtzitting zou worden gehouden, er bovendien op dat dit incident slechts beperkt effect heeft kunnen hebben op de totale duur van de procedure, of daar zelfs geen effect op heeft gehad.
96 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de voor het Gerecht gevoerde procedure schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest oplevert, doordat het in strijd heeft gehandeld met de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 42).
97 Uit de punten 73 tot en met 84 van het onderhavige arrest volgt evenwel dat het vierde middel moet worden afgewezen.