Inleidende opmerking
23 Ter beantwoording van deze vraag moet om te beginnen worden opgemerkt dat zowel de verwijzende rechter als de Direktor en de Bulgaarse en de Roemeense regering hun argumentatie baseren op het uitgangspunt dat er sprake is van een lastgevingsovereenkomst en een door de lasthebber verrichte dienst, terwijl de Europese Commissie van mening is dat het hoofdgeding betrekking heeft op een commissieovereenkomst in de zin van artikel 14, lid 2, sub c, van de btw-richtlijn, zodat de onderhavige zaak een levering van goederen betreft.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het niet aan het Hof staat, zich uit te spreken over de uitlegging en de toepasselijkheid van nationale bepalingen of de voor de beslechting van het hoofdgeding relevante feiten vast te stellen.
25 In het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale rechterlijke instanties moet het Hof immers rekening houden met de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vraag moet worden geplaatst (zie arresten van 13 november 2003, Neri, C-153/02, Jurispr. blz. I-13555, punten 34 en 35, en 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri, C-482/01 en C-493/01, Jurispr. blz. I-5257, punt 42).
26 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing de overeenkomst als een „lastgevingsovereenkomst” heeft gekwalificeerd. In de navolgende overwegingen wordt er dan ook van uitgegaan dat er sprake is van een lastgevingsovereenkomst en dus van de verrichting van diensten.
Ten gronde
27 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 9, lid 1, eerste alinea, van de btw-richtlijn „[a]ls ‚belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit”. Verder moeten volgens de tweede alinea van deze bepaling „alle” werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in wezen als een economische activiteit worden beschouwd.
28 A contrario kan uit artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn weliswaar worden geconcludeerd dat een persoon die slechts incidenteel een handeling verricht die in het algemeen door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter wordt uitgevoerd, in beginsel niet als een „belastingplichtige” in de zin van deze richtlijn hoeft te worden aangemerkt, maar uit deze bepaling volgt niet noodzakelijkerwijs dat een op een bepaald terrein werkzame belastingplichtige die incidenteel een handeling verricht die tot een ander werkterrein behoort, de btw over deze handeling niet hoeft te voldoen.
29 Uit punt 5 van de considerans van de btw-richtlijn blijkt integendeel dat „een btw-stelsel de grootste mate van eenvoud en neutraliteit [verkrijgt] wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven”. Voorts wordt in punt 13 van de considerans van deze richtlijn onderstreept dat „[h]et begrip ‚belastingplichtige’ [zodanig] moet worden gedefinieerd, dat de lidstaten, teneinde een betere belastingneutraliteit te waarborgen, in staat worden gesteld hieronder personen te laten vallen die incidenteel handelingen verrichten”.
30 Derhalve moet artikel 12, lid 1, van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het enkel ziet op personen die nog niet btw-plichtig zijn voor hun voornaamste economische activiteiten. Wat een btw-plichtige als Kostov betreft, zou het daarentegen niet stroken met onder andere het doel van een eenvoudige en zo algemeen mogelijke btw-heffing, indien artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn aldus werd uitgelegd dat het begrip „economische activiteit” in deze bepaling geen betrekking heeft op een activiteit die, hoewel zij slechts incidenteel wordt verricht, onder de in de eerste volzin van laatstgenoemde bepaling gegeven algemene definitie van dit begrip valt en wordt verricht door een belastingplichtige die tevens een andere economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn op duurzame wijze uitoefent.
31 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die voor zijn activiteiten als zelfstandig gerechtsdeurwaarder reeds btw-plichtig is, ook voor elke andere economische activiteit, die hij incidenteel verricht, als „belastingplichtige” moet worden aangemerkt, mits deze activiteit een activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn is.