– Toetsing aan artikel 56 VWEU
39 Een regeling van een lidstaat zoals die in de hoofdgedingen, op grond waarvan het verboden is kansspelautomaten te exploiteren zonder voorafgaande vergunning van de bestuurlijke autoriteiten, vormt een beperking van de door artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting (zie in die zin met name arrest Placanica e.a., C‑338/04, C‑359/04 en C‑360/04,
EU:C:2007:133
, punt 42).
40 Evenwel moet worden nagegaan of een dergelijke beperking kan worden toegestaan op grond van de uitdrukkelijke afwijkende bepalingen – om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid – van de artikelen 51 VWEU en 52 VWEU, die overeenkomstig artikel 62 VWEU ook van toepassing zijn inzake de vrijheid van dienstverrichting, of overeenkomstig de rechtspraak van het Hof haar rechtvaardiging kan vinden in dwingende vereisten van algemeen belang (arrest Garkalns, C‑470/11,
EU:C:2012:505
, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen beperkingen van kansspelactiviteiten hun rechtvaardiging vinden in dwingende vereisten van algemeen belang, zoals de bescherming van de consument, fraudebestrijding en het doel te voorkomen dat burgers tot geldverkwisting door gokken worden aangespoord (zie in die zin arrest Carmen Media Group,
EU:C:2010:505
, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In casu worden de aangevoerde doelstellingen van de Oostenrijkse regeling die in de hoofdgedingen aan de orde is, te weten bescherming van de speler door een beperking van het kansspelaanbod en bestrijding van de aan die spelen verbonden criminaliteit door kanalisering ervan in het kader van een gecontroleerde expansie, in de rechtspraak van het Hof aanvaard als rechtvaardigingsgronden voor beperkingen van de fundamentele vrijheden in de kansspelsector (zie in die zin arrest Costa en Cifone, C‑72/10 en C‑77/10,
EU:C:2012:80
, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Daarnaast moeten de door de lidstaten opgelegde beperkingen voldoen aan de voorwaarden die met betrekking tot de evenredigheid en niet-discriminatie ervan in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd. Zo is nationale wetgeving slechts geschikt om de verwezenlijking van het aangevoerde doel te waarborgen, wanneer zij daadwerkelijk ertoe strekt dit op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken (zie in die zin arrest Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C‑42/07,
EU:C:2009:519
, punten 59‑61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 De enkele omstandigheid dat de ene lidstaat voor een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan een andere lidstaat, kan niet van invloed zijn op het oordeel over de evenredigheid van de ter zake getroffen regelingen. Deze dienen enkel te worden getoetst aan de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat nagestreefde doelstellingen en aan het niveau van bescherming dat zij willen waarborgen (arrest HIT en HIT LARIX, C‑176/11,
EU:C:2012:454
, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Op het specifieke gebied van de organisatie van kansspelen beschikken de nationale autoriteiten immers over voldoende beoordelingsbevoegdheid om te bepalen wat noodzakelijk is ter bescherming van de consument en de maatschappelijke orde, en staat het, voor zover voor het overige aan de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde voorwaarden is voldaan, aan elke lidstaat om te beoordelen of het voor de wettige doelstellingen die hij nastreeft noodzakelijk is activiteiten op het gebied van spelen en weddenschappen geheel of gedeeltelijk te verbieden, dan wel deze slechts te beperken en met het oog daarop strengere of minder strenge toezichtmaatregelen te treffen (zie in die zin arresten Stoß e.a., C‑316/07, C‑358/07–C‑360/07, C‑409/07 en C‑410/07,
EU:C:2010:504
, punt 76, en Carmen Media Group,
EU:C:2010:505
, punt 46).
46 Voorts staat vast dat, anders dan bij het toelaten van vrije en onvervalste mededinging op een traditionele markt, het invoeren van een dergelijke mededinging op de zeer specifieke kansspelmarkt, dat wil zeggen tussen meerdere exploitanten met een vergunning voor de exploitatie van dezelfde kansspelen, een schadelijk effect kan hebben. Deze exploitanten zouden immers geneigd zijn met elkaar te gaan wedijveren in inventiviteit om hun aanbod aantrekkelijker te maken dan dat van hun concurrenten, waardoor de uitgaven van de consument voor spelen en de gevaren van verslaving zouden toenemen (arrest Stanleybet International e.a., C‑186/11 en C‑209/11,
EU:C:2013:33
, punt 45).
47 In het kader van een geding dat bij het Hof krachtens artikel 267 VWEU aanhangig is gemaakt, staat het echter aan de verwijzende rechter om vast te stellen welke doelstellingen door de nationale wettelijke regeling daadwerkelijk worden nagestreefd (zie in die zin arrest Dickinger en Ömer,
EU:C:2011:582
, punt 51).
48 Daarnaast staat het ook aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aanwijzingen van het Hof, na te gaan of de door de lidstaat opgelegde beperkingen voldoen aan de voorwaarden die met betrekking tot de evenredigheid ervan in de rechtspraak van het Hof zijn geformuleerd (zie arrest Dickinger en Ömer,
EU:C:2011:582
, punt 50).
49 In het bijzonder dient hij zich ervan te vergewissen dat de betrokken beperkende regeling, met name gelet op de concrete wijze waarop zij wordt toegepast, daadwerkelijk ertoe strekt op samenhangende en stelselmatige wijze de gelegenheden tot spelen te verminderen, de activiteiten op dit gebied te beperken en de aan deze spelen verbonden criminaliteit te bestrijden (zie arrest Dickinger en Ömer,
EU:C:2011:582
, punten 50 en 56).
50 In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het aan de lidstaat staat die zich wil beroepen op een doel dat de belemmering van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen, de rechterlijke instantie die zich hierover dient uit te spreken alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan deze zich ervan kan vergewissen dat deze maatregel voldoet aan de vereisten van het evenredigheidsbeginsel (zie arrest Dickinger en Ömer,
EU:C:2011:582
, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Uit deze rechtspraak kan echter niet worden afgeleid dat een lidstaat de mogelijkheid wordt ontnomen om aan te tonen dat een beperkende nationale maatregel aan deze eisen voldoet op de enkele grond dat hij geen studies kan overleggen die als basis voor de vaststelling van de betrokken regeling hebben gediend (zie in die zin arrest Stoß e.a.,
EU:C:2010:504
, punt 72).
52 De nationale rechter moet dus de omstandigheden die betrekking hebben op de vaststelling en uitvoering van een beperkende regeling zoals die in de hoofdgedingen in hun geheel beoordelen.
53 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat de nationale autoriteiten niet hebben aangetoond dat criminaliteit en/of gokverslaving in de betrokken periode daadwerkelijk een substantieel probleem vormden.
54 Deze rechter lijkt voorts van mening dat het betrokken beperkende stelsel er niet daadwerkelijk toe strekt criminaliteit te bestrijden en de speler te beschermen, maar louter de inkomsten van de Staat beoogt te maximaliseren, terwijl het Hof reeds heeft geoordeeld dat de loutere doelstelling de inkomsten voor de schatkist te maximaliseren een dergelijke beperking van de vrijheid van dienstverrichting niet kan rechtvaardigen (zie arrest Dickinger en Ömer,
EU:C:2011:582
, punt 55). Dit stelsel lijkt in elk geval onevenredig, aangezien het niet geschikt is om de door de rechtspraak van het Hof vereiste coherentie te verzekeren en verder gaat dan noodzakelijk is om de beweerdelijk nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken.
55 Indien de verwijzende rechter bij deze beoordeling blijft, moet hij vaststellen dat het stelsel dat in de hoofdgedingen aan de orde is, niet verenigbaar is met het Unierecht.
56 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in de hoofdgedingen, voor zover die regeling niet werkelijk beoogt de speler te beschermen of criminaliteit te bestrijden en niet daadwerkelijk beantwoordt aan het streven op samenhangende en stelselmatige wijze de gelegenheden tot spelen te verminderen of de aan deze spelen verbonden criminaliteit te bestrijden.