Eerste vraag
30 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het aanbrengen van goederen bij het douanekantoor van bestemming, na het verstrijken van de vastgestelde termijn, tot gevolg heeft dat een douaneschuld ontstaat onder toepassing van artikel 203 dan wel artikel 204 van het douanewetboek. Hij vraagt zich tevens af of voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van dat artikel 204, de betrokkenen inlichtingen moeten verstrekken over de oorzaken van de overschrijding van de overeenkomstig artikel 356, lid 1, van de uitvoeringsverordening vastgestelde vervoerstermijn of over de plek waar de goederen zich gedurende het betrokken tijdvak bevonden.
31 Om de aldus geherformuleerde eerste vraag te beantwoorden, moet vooraf worden opgemerkt dat de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek een verschillende werkingssfeer hebben. Terwijl eerstgenoemde bepaling betrekking heeft op gedragingen die onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht tot resultaat hebben, doelt de tweede immers op omstandigheden waarin niet wordt voldaan aan verplichtingen en aan voorwaarden met betrekking tot de diverse douaneregelingen, zonder dat dit gevolgen heeft gehad voor het douanetoezicht (arrest Hamann International, C‑337/01,
EU:C:2004:90
, punt 28).
32 Blijkens de bewoordingen van artikel 204 van het douanewetboek wordt deze bepaling enkel toegepast in situaties die niet onder artikel 203 van dat wetboek vallen (arrest Hamann International,
EU:C:2004:90
, punt 29).
33 Om uit te maken op grond van welk van deze twee artikelen een douaneschuld bij invoer is ontstaan, moet derhalve vooral worden onderzocht of de betrokken feiten een onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek vormen. Enkel wanneer het antwoord op deze vraag ontkennend is, kan artikel 204 van het douanewetboek worden toegepast (arrest Hamann International,
EU:C:2004:90
, punt 30).
34 Wat meer in het bijzonder het in artikel 203, lid 1, van het douanewetboek bedoelde begrip „onttrekking aan het douanetoezicht” betreft, zij eraan herinnerd dat dit begrip volgens de rechtspraak van het Hof moet worden opgevat als elk handelen of nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteit, zelfs slechts tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en hem wordt belet de in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren (arresten D. Wandel, C‑66/99,
EU:C:2001:69
, punt 47; Liberexim, C‑371/99,
EU:C:2002:433
, punt 55, en Hamann International,
EU:C:2004:90
, punt 31).
35 Gelet op deze uitlegging moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in de punten 42 en 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat, hoewel het tijdvak gedurende hetwelk niet bekend was waar het in het hoofdgeding aan de orde zijnde goed zich bevond, meer dan twee weken heeft geduurd en het niet kunnen verkrijgen van toegang niet als slechts „tijdelijk” kan worden beschouwd, dit niet wegneemt dat volgens de rechtspraak de toepassing van artikel 203 van het douanewetboek gerechtvaardigd is wanneer het verdwijnen van de goederen het risico meebrengt dat zij in het economische circuit van de Europese Unie terechtkomen (zie in die zin arresten Liberexim,
EU:C:2002:433
, punt 56, en Honeywell Aerospace, C‑300/03,
EU:C:2005:43
, punt 20).
36 De aanwezigheid in het douanegebied van de Unie van niet-communautaire goederen levert immers het risico op dat deze goederen terechtkomen in het economische circuit van de lidstaten zonder te zijn ingeklaard. Artikel 203 van het douanewetboek draagt bij tot de voorkoming van dit risico (zie naar analogie arrest DSV Road, C‑234/09,
EU:C:2010:435
, punt 31).
37 Blijkens de verwijzingsbeslissing is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde goed wel aangebracht bij het kantoor van bestemming, met een vertraging van 17 dagen. Bijgevolg staat vast dat dit goed niet in het economische circuit is terechtgekomen zonder te zijn ingeklaard. Daaruit volgt, onder voorbehoud dat de verwijzende rechter dit nagaat, dat lijkt te zijn uitgesloten dat artikel 203 van het douanewetboek van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding.
38 In die omstandigheden moet dus worden nagegaan of de feiten van het hoofdgeding onder artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek kunnen vallen.
39 Overeenkomstig deze bepaling ontstaat een douaneschuld bij invoer indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van deze regeling. Elke situatie die niet onder deze uitzondering valt, valt binnen de werkingssfeer van artikel 204 van het douanewetboek (zie arrest Döhler Neuenkirchen, C‑262/10,
EU:C:2012:559
, punt 35).
40 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 859 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 860 daarvan, een uitputtende regeling behelst inzake de tien verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek die „worden beschouwd [...] zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling” te zijn gebleven.
41 Tevens moet worden beklemtoond dat artikel 859, punt 2, sub c, van de uitvoeringsverordening uitdrukkelijk bepaalt dat, wanneer de overeenkomstig artikel 356 van deze verordening vastgestelde termijn is overschreden en het te late aanbrengen niet kan worden gerechtvaardigd overeenkomstig lid 3 van genoemd artikel, de overschrijding van de termijn wordt geacht zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling te zijn gebleven, voor zover de goederen niettemin binnen een redelijke termijn bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om de in het kader van de toepassing van de artikelen 356, lid 3, en 859, punt 2, sub c, van de uitvoeringsverordening aangevoerde rechtvaardigingen te beoordelen.
42 Voorts zou, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, artikel 859 van de uitvoeringsverordening, aangezien de overschrijding van de termijn voor het aanbrengen uitdrukkelijk is genoemd in dat artikel, dat slechts geldt voor de gevallen bedoeld in artikel 204 van het douanewetboek, onwerkzaam zijn indien de overschrijding van deze termijn onder het begrip „onttrekking” van artikel 203 van dat wetboek zou moeten vallen.
43 Wat de vraag betreft of voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van genoemd artikel 204, de betrokkenen inlichtingen moeten verstrekken over de redenen voor het overschrijden van de overeenkomstig artikel 356, lid 1, van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn voor douanevervoer of over de plek waar de goederen zich gedurende de betrokken periode bevonden, moet worden vastgesteld dat artikel 356, lid 3, van de uitvoeringsverordening bepaalt dat de aangever wordt geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen, wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn bij het kantoor van bestemming worden aangebracht en de niet-nakoming van deze termijn is te wijten aan niet aan de vervoerder of de aangever toe te rekenen omstandigheden die ten genoegen van het kantoor van bestemming worden aangetoond.
44 De door de betrokkenen te verstrekken inlichtingen over de oorzaken van de overschrijding van deze termijn of over de plek waar de goederen zich gedurende de betrokken periode bevonden, hebben dus tot doel te voorkomen dat een douaneschuld ontstaat ingevolge artikel 204 van het douanewetboek en dienen er geenszins toe toepassing te geven aan dit artikel.
45 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 859, punt 2, sub c, van de uitvoeringsverordening, in die zin moeten worden uitgelegd dat de enkele overschrijding van de overeenkomstig artikel 356, lid 1, van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn voor het aanbrengen niet leidt tot een douaneschuld wegens het onttrekken van de betrokken goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het douanewetboek, maar tot een douaneschuld met als grondslag artikel 204 van dit wetboek, en dat het voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van dat artikel 204 niet nodig is dat de betrokkenen de douaneautoriteiten inlichtingen verstrekken over de oorzaken van de overschrijding van de overeenkomstig artikel 356 van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn of over de plek waar de betrokken goederen zich bevonden gedurende de periode tussen het verstrijken van die termijn en de daadwerkelijke aanbrenging van de goederen bij het douanekantoor van bestemming.
Tweede vraag
46 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van de Zesde richtlijn in die zin moet worden uitgelegd dat btw verschuldigd wordt wanneer een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van het douanewetboek is ontstaan.
47 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 2 van de Zesde richtlijn aan btw zijn onderworpen de invoer van goederen en de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.
48 In de eerste plaats moet worden nagegaan of een goed zoals dat in het hoofdgeding het voorwerp is geweest van een invoer in de zin van artikel 2, punt 2, van de Zesde richtlijn (arrest Profitube, C‑165/11,
EU:C:2012:692
, punt 41).
49 Volgens artikel 7, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn wordt als „invoer van een goed” beschouwd het binnenkomen in de Gemeenschap van een goed dat niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 23 EG en 24 EG.
50 Bovendien preciseert artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn dat de invoer van een dergelijk goed, wanneer het vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder een van de in artikel 16, lid 1, B, sub a, b, c en d, van deze richtlijn bedoelde regelingen of onder de regeling extern douanevervoer wordt geplaatst, plaatsvindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan die regelingen wordt onttrokken.
51 Voorts volgt uit artikel 866 van de uitvoeringsverordening dat dit goed, wanneer een douaneschuld bij invoer is ontstaan krachtens deze bepalingen, en met name artikel 203 of 204 van het douanewetboek, en de rechten bij invoer zijn betaald, als communautair wordt aangemerkt, zonder dat een aangifte voor het vrije verkeer behoeft te worden gedaan.
52 In casu staat het bijgevolg aan de verwijzende rechter om, rekening gehouden met hetgeen is overwogen in punt 45 van het onderhavige arrest, na te gaan of het goed dat in het hoofdgeding aan de orde is, al dan niet is onttrokken aan de regeling extern douanevervoer, wat eventueel tot het ontstaan van een douaneschuld leidt krachtens artikel 203 of artikel 204 van het douanewetboek.
53 Mocht die rechter tot de slotsom komen dat met betrekking tot dit goed geen enkele douaneschuld is ontstaan krachtens bovengenoemde bepalingen, dan moet worden vastgesteld dat dit goed vanaf het binnenkomen ervan in de Unie onder de regeling van de artikelen 7, lid 3, en 16, lid 1, B, sub a, van de Zesde richtlijn was geplaatst. In dat geval zou bijgevolg geen btw verschuldigd zijn.
54 Indien dat goed echter reeds aan deze regelingen is onttrokken op de datum van de wederuitvoer ervan vanwege het ontstaan van een douaneschuld, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, zou het moeten worden geacht te zijn ingevoerd in de zin van artikel 2, punt 2, van de Zesde richtlijn.
55 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 3, eerste alinea, van de Zesde richtlijn in die zin moet worden uitgelegd dat btw verschuldigd is wanneer de betrokken goederen aan de in dat artikel bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken, zelfs indien een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van het douanewetboek is ontstaan.