Beantwoording van de vraag
48 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 2004/83, gelezen in het licht van het Handvest, in die zin moet worden uitgelegd dat het de bevoegde nationale autoriteiten, handelend onder toezicht van de rechter, bepaalde grenzen oplegt bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden betreffende de gestelde seksuele gerichtheid van een asielzoeker wiens aanvraag gebaseerd is op vrees voor vervolging wegens die gerichtheid.
49 In dit verband dient er meteen op te worden gewezen dat, anders dan hetgeen verzoekers in de hoofdgedingen stellen – namelijk dat de bevoegde nationale autoriteiten die belast zijn met het onderzoek van een asielaanvraag die is gebaseerd op vrees voor vervolging wegens de seksuele gerichtheid van de asielzoeker, diens gestelde gerichtheid louter op basis van de verklaringen van deze asielzoeker als vaststaand feit moeten aannemen –, die verklaringen, rekening gehouden met de bijzondere context van asielaanvragen, slechts het uitgangspunt in de procedure van het onderzoek van de feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/83 vormen.
50 Blijkens de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn mogen de lidstaten in het kader van dat onderzoek van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient, en beoordeelt de lidstaat de relevante elementen van dat verzoek in samenwerking met de verzoeker.
51 Voorts volgt uit artikel 4, lid 5, van richtlijn 2004/83 dat voor de verklaringen van asielzoekers over hun gestelde seksuele gerichtheid, wanneer niet aan de voorwaarden in de punten a tot en met e van deze bepaling is voldaan, bevestiging nodig kan zijn.
52 Daaruit volgt dat het weliswaar aan de asielzoeker staat om te wijzen op deze gerichtheid, die een element van zijn persoonlijke levenssfeer vormt, doch dat verzoeken om toekenning van de vluchtelingenstatus die zijn gebaseerd op vrees voor vervolging wegens die gerichtheid, net als verzoeken op basis van andere gronden van vervolging, voorwerp van een beoordeling in de zin van artikel 4 van die richtlijn kunnen vormen.
53 Evenwel moet de wijze waarop de bevoegde autoriteiten de tot staving van dergelijke verzoeken overgelegde verklaringen en het daartoe overgelegde bewijsmateriaal beoordelen, in overeenstemming zijn met richtlijnen 2004/83 en 2005/85 en, zoals blijkt uit respectievelijk de punten 10 en 8 van de consideransen van die richtlijnen, met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals het in artikel 1 van het Handvest vervatte recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het in artikel 7 ervan gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.
54 Hoewel artikel 4 van richtlijn 2004/83 van toepassing is op alle verzoeken om internationale bescherming, ongeacht de tot staving van die verzoeken ingeroepen gronden van vervolging, neemt dit niet weg dat het aan de bevoegde autoriteiten staat om hun wijze van beoordeling van de verklaringen en het bewijsmateriaal aan te passen aan de eigen kenmerken van elke categorie asielaanvragen, met inachtneming van de door het Handvest gewaarborgde rechten.
55 Wat de in artikel 4 van richtlijn 2004/83 bedoelde beoordeling van de feiten en omstandigheden betreft, deze verloopt, zoals reeds is geoordeeld in punt 64 van het arrest M. (C‑277/11,
EU:C:2012:744
), in twee onderscheiden fasen. De eerste betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden die bewijselementen tot staving van het verzoek kunnen vormen, terwijl de tweede fase de juridische beoordeling van deze gegevens betreft, waarbij wordt beslist of in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is voldaan aan de materiële voorwaarden van de artikelen 9 en 10 of 15 van richtlijn 2004/83 voor de toekenning van internationale bescherming.
56 In het kader van deze eerste fase, waarbinnen juist de vragen vallen die bij de verwijzende rechter in elk van de hoofdgedingen zijn gerezen, kunnen de lidstaten weliswaar verlangen dat normalerwijs de verzoeker alle elementen tot staving van zijn verzoek aandraagt – en overigens is de verzoeker het best in staat de gegevens te verstrekken die zijn eigen seksuele gerichtheid kunnen bewijzen –, doch dit neemt niet weg dat de betrokken lidstaat voor de bepaling van de relevante elementen van dat verzoek met de verzoeker dient samen te werken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/83 (zie in die zin arrest M.,
EU:C:2012:744
, punt 65).
57 In dit verband moet worden opgemerkt dat deze beoordeling volgens artikel 4, lid 3, sub c, van richtlijn 2004/83 op individuele basis moet plaatsvinden en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van die omstandigheden, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade kunnen overeenkomen.
58 Zoals in punt 51 van dit arrest in herinnering is gebracht, behoeven bovendien bepaalde aspecten van de verklaringen van de verzoeker in het kader van de krachtens artikel 4 van die richtlijn door de bevoegde autoriteiten verrichte verificaties, ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal daarvoor, geen nadere bevestiging, mits aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 4, lid 5, sub a tot en met e, van deze richtlijn is voldaan.
59 Wat de wijze van beoordeling van de verklaringen en het bewijsmateriaal betreft waarop elk van de hoofdgedingen betrekking heeft, dient, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, de onderhavige analyse te worden beperkt tot de vraag of met de richtlijnen 2004/83 en 2005/85 en met het Handvest in overeenstemming zijn: ten eerste, de verificaties die de bevoegde autoriteiten verrichten middels ondervragingen op basis van, met name, stereotypen betreffende homoseksuelen of gedetailleerde ondervragingen over de wijze waarop een asielzoeker praktisch invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid, alsmede de mogelijkheid voor deze autoriteiten om te aanvaarden dat die asielzoeker zich aan „tests” onderwerpt om zijn homoseksualiteit te bewijzen en/of dat hij uit eigen beweging video-opnamen van zijn intieme handelingen overlegt, en ten tweede de mogelijkheid dat de bevoegde autoriteiten louter op grond van het feit dat deze asielzoeker de gestelde seksuele gerichtheid niet heeft aangevoerd bij de eerste gelegenheid die hem werd geboden om de vervolgingsgronden uiteen te zetten, aannemen dat deze asielzoeker niet geloofwaardig is.
60 Aangaande in de eerste plaats de onderzoeken op basis van ondervragingen over de kennis van de betrokken asielzoeker over verenigingen tot bescherming van de belangen van homoseksuelen en de details van deze verenigingen, deze impliceren volgens verzoeker in het hoofdgeding in zaak C‑150/13 dat die autoriteiten hun beoordelingen baseren op stereotype opvattingen over gedragingen van homoseksuelen en niet op de concrete situatie van elke asielzoeker.
61 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 4, lid 3, sub c, van richtlijn 2004/83 de bevoegde autoriteiten gebiedt de beoordeling te verrichten met inachtneming van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker en dat artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85 van die autoriteiten vereist dat zij in het persoonlijke onderhoud rekening houden met de persoonlijke of algemene omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek.
62 Hoewel ondervragingen over stereotype opvattingen voor de bevoegde autoriteiten een nuttig element kunnen vormen bij deze beoordeling, beantwoordt de beoordeling van verzoeken om toekenning van de vluchtelingenstatus louter op basis van de met homoseksuelen verbonden stereotype opvattingen niet aan de vereisten van de in het voorgaande punt genoemde bepalingen, daar die beoordeling deze autoriteiten niet in staat stelt rekening te houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de betrokken asielzoeker.
63 Bijgevolg kan het feit dat een asielzoeker niet in staat is om op dergelijke vragen te antwoorden, op zich geen voldoende grond opleveren voor de slotsom dat de asielzoeker niet geloofwaardig is, daar een dergelijke benadering in strijd is met de vereisten van artikel 4, lid 3, sub c, van richtlijn 2004/83 en van artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85.
64 In de tweede plaats, hoewel de nationale autoriteiten in voorkomend geval ondervragingen mogen uitvoeren ter beoordeling van de feiten en omstandigheden betreffende de gestelde seksuele gerichtheid van een asielzoeker, zijn ondervragingen over de details van de wijze waarop deze asielzoeker praktisch invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid in strijd met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, en met name met het in artikel 7 daarvan geformuleerde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.
65 In de derde plaats dient met betrekking tot de mogelijkheid dat de nationale autoriteiten aanvaarden, zoals verscheidene verzoekers in de hoofdgedingen hebben voorgesteld, dat zij homoseksuele handelingen verrichten, dat zij zich aan eventuele „tests” onderwerpen om hun homoseksualiteit te bewijzen of ook dat die asielzoekers video-opnamen van hun intieme handelingen overleggen, te worden beklemtoond dat dergelijke elementen, naast het feit dat zij niet noodzakelijkerwijs bewijswaarde hebben, afbreuk zouden doen aan de menselijke waardigheid, waarvan artikel 1 van het Handvest de eerbiediging waarborgt.
66 Bovendien zou het toelaten of aanvaarden van een dergelijk type bewijs een stimulans voor andere asielzoekers vormen en zou dit er feitelijk op neerkomen dat dergelijke bewijzen van hen worden verlangd.
67 In de vierde plaats dient in verband met de mogelijkheid dat de bevoegde autoriteiten aannemen dat een asielzoeker niet geloofwaardig is wanneer, met name, deze asielzoeker zijn gestelde seksuele gerichtheid niet heeft aangevoerd bij de eerste gelegenheid die hem werd geboden om de vervolgingsgronden uiteen te zetten, te worden gewezen op het volgende.
68 Blijkens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/83 mogen de lidstaten verlangen dat de asielzoeker alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming „zo spoedig mogelijk” indient.
69 Gelet op de gevoeligheid van vragen over iemands persoonlijke levenssfeer en met name zijn seksualiteit, kan uit het enkele feit dat deze persoon, wegens zijn terughoudendheid bij het onthullen van intieme aspecten van zijn leven, niet meteen heeft verklaard homoseksueel te zijn, niet de conclusie worden getrokken dat hij niet geloofwaardig is.
70 Bovendien moet worden opgemerkt dat de verplichting van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/83 om alle elementen tot staving van het verzoek om internationale bescherming „zo spoedig mogelijk” in te dienen, wordt afgezwakt door het uit hoofde van artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85 en artikel 4, lid 3, van richtlijn 2004/83 aan de bevoegde autoriteiten opgelegde vereiste om in het onderhoud rekening te houden met de persoonlijke of algemene omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek, met inbegrip van de kwetsbaarheid van de asielzoeker, en om dat verzoek op individuele basis te beoordelen rekening houdend met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van elke verzoeker.
71 De aanname dat een asielzoeker niet geloofwaardig is louter omdat hij zijn seksuele gerichtheid niet heeft onthuld bij de eerste gelegenheid die hem werd geboden om de vervolgingsgronden toe te lichten, zou ertoe leiden dat het in het vorige punt genoemde vereiste wordt geschonden.
72 Gelet op een en ander dient op de in elk van de zaken C‑148/13 tot en met C‑150/13 gestelde prejudiciële vraag als volgt te worden geantwoord:
-
Artikel 4, lid 3, sub c, van richtlijn 2004/83 en artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het kader van het onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten, handelend onder toezicht van de rechter, van de feiten en omstandigheden betreffende de gestelde seksuele gerichtheid van een asielzoeker wiens verzoek is gebaseerd op vrees voor vervolging wegens die gerichtheid, de verklaringen en het bewijsmateriaal tot staving van diens verzoek door die autoriteiten worden beoordeeld middels ondervragingen louter op basis van stereotype opvattingen over homoseksuelen.
-
Artikel 4 van richtlijn 2004/83, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten in het kader van dat onderzoek een asielzoeker gedetailleerd ondervragen over de wijze waarop hij praktisch invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid.
-
Artikel 4 van richtlijn 2004/83, gelezen in het licht van artikel 1 van het Handvest, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat die autoriteiten in het kader van dat onderzoek bewijsmateriaal aanvaarden als het demonstratief verrichten van homoseksuele handelingen door de betrokken asielzoeker, het ondergaan van „tests” om zijn homoseksualiteit te bewijzen of het overleggen van video-opnamen van dergelijke handelingen.
-
Artikel 4, lid 3, van richtlijn 2004/83 en artikel 13, lid 3, sub a, van richtlijn 2005/85 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de bevoegde nationale autoriteiten in het kader van dat onderzoek tot de slotsom komen dat de verklaringen van de betrokken asielzoeker niet geloofwaardig zijn louter omdat deze zijn gestelde seksuele gerichtheid niet heeft aangevoerd bij de eerste gelegenheid die hem werd geboden om de vervolgingsgronden toe te lichten.