Eerste vraag
37 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1408/71 in die zin moet worden uitgelegd dat een werknemer die, zoals Kik, onderdaan is van een lidstaat, waarin hij woont en waarin over zijn inkomsten belasting wordt geheven, die op verschillende plekken op de wereld, met name boven het continentaal plat van een aantal lidstaten, werkt op een onder de vlag van een derde staat varende pijpenlegger, die voorheen werkzaam was voor een in zijn woonstaat gevestigde onderneming, maar van werkgever is veranderd en thans werkt voor een in Zwitserland gevestigde onderneming, doch blijft wonen in dezelfde lidstaat en blijft varen op hetzelfde schip, binnen de personele werkingssfeer van die verordening valt.
38 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat verordening nr. 1408/71 ingevolge artikel 2, lid 1, ervan met name van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten zijn.
39 Blijkens de verwijzingsbeslissing was dat voor Kik het geval in het tijdvak waarop het hoofdgeding betrekking heeft. Hij is immers Nederlands staatsburger en was gedurende dat tijdvak verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen op grond dat hij in deze lidstaat woonde. Voorts betreft het hoofdgeding weliswaar de vraag of Kik in dat tijdvak onder de Nederlandse dan wel de Zwitserse wetgeving viel, doch is niet betwist dat hij aan een van deze beide wetgevingen onderworpen was.
40 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat werk aan boord van een pijpenlegger niet kan worden gelijkgesteld met werk op het grondgebied van een lidstaat, wanneer het schip zich boven het continentaal plat van die lidstaat bevindt.
41 De rechtsmacht die ingevolge artikel 79, lid 4, van het zeerechtverdrag toekomt aan een kuststaat, is immers beperkt tot kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentaal plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan, en strekt zich dus niet uit tot het schip dat die kabels of pijpleidingen legt. Bovendien kan een dergelijk schip niet worden gelijkgesteld met een „kunstmatig eiland”, een „installatie” of een „inrichting” op het continentaal plat in de zin van artikel 80 van dat verdrag. Hoe dan ook blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat de leidingen die door het schip waarop Kik werkzaam was, werden gelegd in de perioden waarin het zich boven het continentaal plat van een aantal lidstaten bevond, bestemd waren voor de exploratie van het continentaal plat of voor de exploitatie van de rijkdommen daarvan.
42 In een situatie zoals die van Kik is de vaststelling dat werk verricht aan boord van een pijpenlegger niet kan worden gelijkgesteld met werk verricht op het grondgebied van een lidstaat, zelfs niet wanneer dat schip zich boven het continentaal plat van die lidstaat bevindt, op zich evenwel niet van dien aard dat daardoor de toepasbaarheid van verordening nr. 1408/71 op losse schroeven komt te staan. De enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Unie verricht, volstaat immers niet om de toepassing van de regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers uit te sluiten wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt (arrest Aldewereld,
EU:C:1994:271
, punt 14).
43 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een voldoende nauwe aanknoping tussen de betrokken arbeidsverhouding en het grondgebied van de Unie met name voortvloeit uit het feit dat een burger van de Unie die in een lidstaat woont, is aangeworven door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming en voor rekening van die onderneming activiteiten verricht (zie in die zin arrest Petersen, C‑544/11,
EU:C:2013:124
, punt 42).
44 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt de arbeid die Kik gedurende het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvak heeft verricht, gekenmerkt door een aantal aanknopingsfactoren met het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en met dat van de Zwitserse Bondsstaat, welke staat voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 is gelijkgesteld met een lidstaat. In dit verband kan worden volstaan met de vaststelling dat Kik in Nederland woonde en dat de vestigingsplaats van zijn werkgever in Zwitserland lag.
45 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 1408/71 in die zin moet worden uitgelegd dat een werknemer die, zoals Kik, onderdaan is van een lidstaat, waarin hij woont en waarin over zijn inkomsten belasting wordt geheven, die op verschillende plekken op de wereld, met name boven het continentaal plat van een aantal lidstaten, werkt op een onder de vlag van een derde staat varende pijpenlegger, die voorheen werkzaam was voor een in zijn woonstaat gevestigde onderneming, maar van werkgever is veranderd en thans werkt voor een in Zwitserland gevestigde onderneming, doch blijft wonen in dezelfde lidstaat en blijft varen op hetzelfde schip, binnen de personele werkingssfeer van die verordening valt.
Tweede vraag
46 Met zijn tweede vraag, die is gesteld voor het geval verordening nr. 1408/71 van toepassing is op een werknemer als Kik, en waarop dus dient te worden geantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen welke wetgeving door de in titel II van deze verordening vervatte regels voor de vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving wordt aangewezen als toepasselijk op een dergelijke werknemer.
47 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat wanneer een persoon binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, zoals deze is omschreven in artikel 2 ervan, de in artikel 13, lid 1, van die verordening genoemde regel dat slechts één wetgeving toepassing vindt, in beginsel van toepassing is en de toepasselijke nationale wetgeving wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II van die verordening (arrest Aldewereld,
EU:C:1994:271
, punt 10).
48 In punt 11 van dat arrest heeft het Hof vastgesteld dat geen enkele bepaling van die titel rechtstreeks ziet op de situatie van een werknemer die in dienst is van een onderneming van de Unie, doch geen werkzaamheden verricht op het grondgebied van de Unie, omdat hij uitsluitend op het grondgebied van een derde staat werkt.
49 Met die situatie moet worden gelijkgesteld de situatie van een werknemer die is aangesteld door een onderneming van de Unie om te werken op een pijpenlegger die vaart onder de vlag van een derde staat.
50 Dat is het geval, los van het feit dat na het tijdvak dat in het kader van genoemd arrest relevant was, artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71 is ingevoerd. Volgens die bepaling is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van een andere bepaling van titel II aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont.
51 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het niet langer van toepassing zijn van de wetgeving van een lidstaat een toepassingsvoorwaarde van deze bepaling vormt en dat deze niet zelf de voorwaarden omschrijft waaronder de wetgeving van een lidstaat ophoudt van toepassing te zijn (zie arrest Commissie/België, C‑347/98,
EU:C:2001:236
, punt 31). Zoals het Hof het heeft geformuleerd, met name in punt 33 van het arrest Van Pommeren-Bourgondiën (C‑227/03,
EU:C:2005:431
), staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen.
52 Zoals is gepreciseerd in artikel 10 ter van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, worden de datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71 ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld.
53 Krachtens het Nederlandse recht bleef de socialezekerheidswetgeving van deze lidstaat gedurende de gehele litigieuze periode op Kik van toepassing. Daar niet was voldaan aan de voorwaarde dat de wetgeving van een lidstaat ophoudt van toepassing te zijn op de betrokkene, is artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding.
54 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat in een dergelijke situatie, voor zover de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie vertoont, een wetgeving als toepasselijk wordt aangewezen op basis van de andere bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 dan artikel 13, lid 2, onder f), ervan.
55 Zoals is vastgesteld in punt 44 van het onderhavige arrest, bestaat er in een situatie als die van Kik een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie.
56 Met betrekking tot de vaststelling welke wetgeving in een dergelijke situatie krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is, moet worden vastgesteld dat de algemene regel van artikel 13, lid 2, onder c), ervan, die voor zeelieden de wetgeving van de lidstaat onder de vlag waarvan een zeeschip vaart, aanwijst, niet naar analogie van toepassing is omdat het in casu gaat om een persoon die werkt op een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart.
57 Met betrekking tot een dergelijk geval heeft het Hof geoordeeld dat de toepasselijke wetgeving voortvloeit uit de bepalingen van titel II van deze verordening, waarbij moet worden gelet op de aanknoping die de betrokken situatie met de wetgeving van de lidstaten heeft (zie arrest Aldewereld,
EU:C:1994:271
, punt 20).
58 Net als in de situatie die in het arrest Aldewereld (
EU:C:1994:271
, punt 21) aan de orde was, zijn in casu de enige aanknopingsfactoren met de wetgeving van een lidstaat, of een daarmee gelijkgestelde staat, de woonplaats van de werknemer en de vestigingsplaats van de werkgever. Zoals het Hof in punt 22 van dat arrest heeft vastgesteld, is de toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer in het stelsel van verordening nr. 1408/71 een ondergeschikte regel, die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknoping heeft met de arbeidsverhouding. Wanneer de werknemer dus niet woont op het grondgebied van één van de lidstaten waar hij zijn werkzaamheden verricht, wordt gewoonlijk de wetgeving van de staat van de zetel of het domicilie van de werkgever toegepast.
59 In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding is voor deze constatering steun te vinden in artikel 14, lid 2, onder a), eerste volzin, van verordening nr. 1408/71, welke bepaling aanduidt hoe het stelsel van deze verordening is opgebouwd met betrekking tot personen die hun werk voornamelijk al reizend verrichten onder zodanige voorwaarden dat de uitvoering ervan niet kan aanknopen bij één plaats in het bijzonder, en op grond waarvan de wetgeving van de lidstaat waar de werkgever zijn zetel heeft, op deze personen van toepassing is.
60 Hoewel deze bepaling blijkens het opschrift ervan regels bevat voor andere personen dan zeelieden, is de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk die van een werknemer die buiten het grondgebied van de Unie arbeid in loondienst verricht aan boord van een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart, immers vergelijkbaar met die van personen op wie die bepaling rechtstreeks ziet, voor zover noch de vlagstaat noch de plaats van de arbeid een aanknoping met de wetgeving van een lidstaat biedt.
61 Bijgevolg is in de situatie van een werknemer als Kik de toepasselijke wetgeving die van de lidstaat, of van de daarmee gelijkgestelde staat, waar de onderneming waarbij deze werknemer werkzaam is, haar zetel heeft.
62 Gelet op het feit dat het Hof niet beschikt over informatie over de aard van het in de Zwitserse wettelijke regeling voorziene verzekeringsstelsel, en rekening gehouden met het feit dat in de Nederlandse wettelijke regeling is bepaald dat deze ziet op de situatie van een werknemer als Kik gedurende het in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvak, door te voorzien in aansluiting van een dergelijke werknemer bij een stelsel van verplichte verzekering, moet worden vastgesteld dat, overeenkomstig artikel 15, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1408/71, wanneer de toepassing van de wetgevingen van meerdere lidstaten, waarmee de Zwitserse Bondsstaat moet worden gelijkgesteld, leidt tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering en bij een stelsel van verplichte verzekering, op de betrokkene uitsluitend het stelsel van verplichte verzekering van toepassing is.
63 In het geval waarin de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever ingevolge verordening nr. 1408/71 niet voorziet in aansluiting van een werknemer als Kik bij enig stelsel van sociale zekerheid, is de wetgeving van de woonstaat van een dergelijke werknemer van toepassing. De bepalingen van titel II van deze verordening hebben immers ook tot doel te beletten dat de binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen wegens het ontbreken van een op hen toepasselijke wetgeving geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (arrest Van Pommeren-Bourgondiën,
EU:C:2005:431
, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de in titel II van verordening nr. 1408/71 vervatte bepalingen die regelen welke de toe te passen nationale wetgeving is, in die zin moeten worden uitgelegd dat de onderdaan van een lidstaat of van de Zwitserse Bondsstaat, welke staat voor de toepassing van deze verordening wordt gelijkgesteld met een lidstaat, die buiten het grondgebied van de Unie, daaronder begrepen boven het continentaal plat van een lidstaat, arbeid in loondienst verricht aan boord van een schip dat vaart onder de vlag van een derde staat, maar die in dienst is van een op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat gevestigde onderneming, is onderworpen aan de wetgeving van de vestigingsstaat van zijn werkgever. Indien evenwel, in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, de toepassing van die wetgeving volgens die verordening zou leiden tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering of ertoe zou leiden dat de betrokkene bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid is aangesloten, is deze onderdaan onderworpen aan de wetgeving van zijn woonstaat.