Beantwoording van de prejudiciële vraag
16 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de vrijstelling van onroerendezaakbelasting van een aan de staat toebehorend terrein dat ter beschikking is gesteld van een onderneming die volledig in handen is van de staat en die op dat terrein goederen vervaardigt en diensten levert die tussen de lidstaten kunnen worden verhandeld op markten die openstaan voor concurrentie, door het voornoemde artikel verboden staatssteun vormt.
17 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat aan het Hof niet de vraag is voorgelegd of het verenigbaar is met artikel 107 VWEU dat een lidstaat aan een particuliere onderneming een terrein ter beschikking stelt tegen een symbolische prijs.
18 Wat de gestelde vraag betreft, moet in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 107, lid 1, VWEU steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, onverenigbaar zijn met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een maatregel slechts als „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden aangemerkt indien alle in die bepaling neergelegde voorwaarden zijn vervuld (arrest Commissie/Deutsche Post, C‑399/08 P,
EU:C:2010:481
, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Een nationale maatregel kan bijgevolg slechts als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden gekwalificeerd indien hij ten eerste uitgaat van de staat of met staatsmiddelen is bekostigd, ten tweede het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, ten derde de begunstigde ervan een selectief voordeel verschaft, en ten vierde de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen (arrest Commissie/Deutsche Post,
EU:C:2010:481
, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In de eerste plaats moet de derde voorwaarde worden onderzocht, te weten dat de betrokken maatregel een voordeel toekent aan de begunstigde ervan. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen, volgens eveneens vaste rechtspraak van het Hof worden beschouwd als staatssteun (arrest Commissie/Deutsche Post,
EU:C:2010:481
, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Zo worden met name maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben, als steun beschouwd (arrest Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a., C‑399/10 P en C‑401/10 P,
EU:C:2013:175
, punt 101).
23 Derhalve is een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een gunstige fiscale behandeling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan te merken. Fiscale voordelen die voortvloeien uit een algemene maatregel die zonder onderscheid van toepassing is op alle marktdeelnemers vormen daarentegen geen steunmaatregelen van de staat in de zin van artikel 107 VWEU (arrest P, C‑6/12,
EU:C:2013:525
, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat Navantia op grond van de overeenkomst van 2001 gehouden is om de Spaanse Staat de onroerendezaakbelasting te betalen die overeenkomstig de artikelen 60 en 61 van de wet van 2004 aan de Concello de Ferrol verschuldigd is voor het aan Navantia ter beschikking gestelde terrein, waarop haar scheepswerf is gevestigd. Voorts blijkt uit dit dossier dat de in artikel 62 van die wet bedoelde en in casu aan de orde zijnde belastingvrijstelling tot gevolg heeft dat deze belasting niet wordt voldaan, te weten niet door de Spaanse Staat aan de Concello de Ferrol en bijgevolg evenmin door Navantia aan de Spaanse Staat.
25 Bovendien staat vast dat iedere onderneming die activiteiten uitoefent op een particulier of openbaar terrein en aan een van de in die bepaling opgesomde voorwaarden voldoet, overeenkomstig artikel 61, lid 1, van de wet van 2004 onderworpen is aan de onroerendezaakbelasting. In dit verband betoogt de Concello de Ferrol dat vrijwel alle ondernemingen aan een van die voorwaarden voldoen en dat enkel het in de overeenkomst van 2001 gehanteerde bijzondere mechanisme van overdracht van het gebruiksrecht Navantia in staat stelt om aan de kwalificatie van belastingplichtige te ontsnappen.
26 Zoals de Concello de Ferrol preciseert, vloeit uit artikel 63, lid 2, van die wet voort dat er in atypische gevallen als dat van het hoofdgeding, waarin het gebruik van een terrein niet is gebaseerd op een van de rechten die het belastbaar feit van de onroerendezaakbelasting uitmaken, een wettelijke verplichting bestaat voor de Spaanse Staat om deze belasting aan de gebruiker van het terrein door te berekenen. De overeenkomst van 2001 beantwoordt aan die wettelijke verplichting.
27 Derhalve moet worden aangenomen dat de onroerendezaakbelasting een belasting is die normaliter door Navantia is verschuldigd en dat de haar verleende vrijstelling rechtstreeks, dus zonder dat daarvoor nog een andere tussenkomst noodzakelijk is, leidt tot een verlichting van de lasten die normaal gezien drukken op het budget van ondernemingen die zich in een situatie als de hare bevinden. Bijgevolg verleent een dergelijke belastingvrijstelling een economisch voordeel aan Navantia.
28 Wat het argument van de Spaanse regering betreft dat de in artikel 62, lid 1, sub a, van de wet van 2004 bedoelde vrijstelling volgens die bepaling niet ten gunste van ondernemingen als Navantia maar uitsluitend ten gunste van de Spaanse Staat als belastingplichtige van de onroerendezaakbelasting is ingesteld en dat de nagestreefde doelstellingen passen binnen overwegingen van nationale defensie, moet eraan worden herinnerd dat de beweegredenen van een steunmaatregel niet volstaan om die maatregel zonder meer de kwalificatie van „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te ontnemen. Deze bepaling maakt immers geen onderscheid op grond van de redenen of doeleinden van maatregelen van de staten, maar definieert deze aan de hand van de gevolgen ervan (arresten Comitato „Venezia vuole vivere” e.a./Commissie, C‑71/09 P, C‑73/09 P en C‑76/09 P,
EU:C:2011:368
, punt 94, en Commissie/EDF, C‑124/10 P,
EU:C:2012:318
, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Zoals uit de punten 24 tot en met 26 van het onderhavige arrest volgt, blijkt de vrijstelling van de onroerendezaakbelasting in casu krachtens de artikelen 62, lid 1, sub a, en 63, lid 2, van de wet van 2004 en volgens de overeenkomst van 2001 tot gevolg te hebben dat de lasten die bij gebreke van die vrijstelling op het budget van Navantia zouden drukken rechtstreeks, dus zonder dat een nadere maatregel noodzakelijk is, worden verlicht.
30 Met betrekking tot het argument van de Spaanse regering dat die vrijstelling moet worden beschouwd als een compensatie voor de prestaties die Navantia verricht in het kader van de nakoming van haar openbaredienstverplichtingen en dat die maatregel dus geen voordeel voor die onderneming inhoudt, moet worden vastgesteld dat het verband tussen die vrijstelling en de eventuele door Navantia verrichte diensten van openbaar nut geenszins blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt.
31 In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de vrijstelling van de onroerendezaakbelasting een economisch voordeel verleent aan Navantia.
32 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat artikel 107 VWEU steun verbiedt die „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties [begunstigt]”, te weten selectieve steun (arrest P,
EU:C:2013:525
, punt 17).
33 Een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een gunstige fiscale behandeling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, is dan ook als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan te merken, maar dat is niet het geval voor voordelen die voortvloeien uit een algemene maatregel die zonder onderscheid van toepassing is op alle marktdeelnemers. De laatstbedoelde voordelen vormen namelijk geen steunmaatregelen van de staat in de zin van de voornoemde bepaling (arrest P,
EU:C:2013:525
, punt 18).
34 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat volgens artikel 107, lid 1, VWEU moet worden vastgesteld of een nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” begunstigt ten opzichte van andere die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (arrest Portugal/Commissie, C‑88/03,
EU:C:2006:511
, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 De kwalificatie van een nationale belastingmaatregel als „selectief” veronderstelt dus in de eerste plaats dat wordt bepaald en onderzocht welke algemene of „normale” belastingregeling in de betrokken lidstaat geldt. Vervolgens moet worden beoordeeld en vastgesteld of het door de betrokken belastingmaatregel verschafte voordeel selectief is ten opzichte van die algemene of „normale” belastingregeling, in die zin dat deze maatregel van voornoemde algemene regeling afwijkt, voor zover hij differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (arrest Paint Graphos e.a., C‑78/08–C‑80/08,
EU:C:2011:550
, punt 49).
36 Dienaangaande blijkt ten eerste uit de gegevens waarover het Hof beschikt dat het bezit of gebruik van een terrein overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 63 van de wet van 2004 in beginsel steeds aanleiding geeft tot onderworpenheid aan de onroerendezaakbelasting. Derhalve moet worden aangenomen dat de regeling inzake die belasting het juridische referentiekader vormt aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of de betrokken vrijstellingsmaatregel selectief is.
37 Ten tweede is er reeds op gewezen dat het gebruik van het terrein waarop zich de scheepswerf van Navantia bevindt, van de onroerendezaakbelasting is vrijgesteld bij wege van de litigieuze vrijstelling en krachtens de overeenkomst van 2001, waarin is bepaald dat enkel het gebruiksrecht op dat terrein aan die onderneming wordt overgedragen. Die vrijstelling vormt een afwijking van de algemene regel die in het vorige punt is beschreven.
38 Bijgevolg is het van belang om te bepalen of een belastingvrijstelling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, Navantia begunstigt ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling van de regeling inzake de Spaanse onroerendezaakbelasting, te weten het belasten van het bezit of het gebruik van een terrein.
39 In dit verband blijkt uit het dossier dat de in artikel 62, lid 1, sub a, van de wet van 2004 neergelegde vrijstelling voor onroerende goederen van de staat die „bestemd zijn om te worden gebruikt voor de nationale defensie”, van toepassing kan zijn op alle activiteiten van een onderneming als Navantia, zonder dat een onderscheid hoeft te worden gemaakt naargelang die activiteiten van militaire dan wel van civiele aard zijn. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
40 Derhalve bevinden niet enkel ondernemingen die terreinen bezitten of gebruiken voor doeleinden die gedeeltelijk binnen het gebied van de nationale defensie vallen, maar ook ondernemingen die terreinen bezitten of gebruiken met een louter civiel oogmerk, zich in een feitelijke en juridische situatie die – gelet op de doelstelling het bezit of het gebruik van een terrein te belasten – vergelijkbaar is met Navantia’s situatie.
41 Dientengevolge is het duidelijk dat Navantia, wat haar civiele activiteiten betreft, ten opzichte van die laatstbedoelde groep van ondernemingen een fiscaal voordeel geniet waarop andere ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden geen aanspraak kunnen maken. Het aan de orde zijnde belastingvoordeel is dus a priori selectief.
42 Het is evenwel vaste rechtspraak dat het begrip staatssteun niet ziet op overheidsmaatregelen die differentiëren tussen ondernemingen en dus a priori selectief zijn, wanneer deze differentiatie het gevolg is van de aard of de opzet van het lastenstelsel waarvan zij deel uitmaken, hetgeen door de betrokken lidstaat moet worden aangetoond (arrest Portugal/Commissie,
EU:C:2006:511
, punten 52 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Een maatregel die een uitzondering op de toepassing van het algemene belastingstelsel inhoudt, kan immers door de aard en de algemene opzet van het belastingstelsel worden gerechtvaardigd, wanneer de betrokken lidstaat kan aantonen dat deze maatregel rechtstreeks uit de basis‑ of hoofdbeginselen van zijn belastingstelsel voortvloeit. In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen de doelstellingen van een specifiek belastingstelsel die buiten dat stelsel zijn gelegen, en de voor het bereiken van dergelijke doelstellingen noodzakelijke mechanismen die inherent zijn aan het belastingstelsel zelf (arrest Portugal/Commissie,
EU:C:2006:511
, punt 81).
44 In casu blijkt uit de aan het Hof overgelegde gegevens niet dat de Spaanse regering een argument heeft aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat de gevraagde belastingvrijstelling rechtstreeks uit de basis‑ of hoofdbeginselen van het Spaanse belastingstelsel voortvloeit of dat deze vrijstelling nodig is voor de werking en de efficiëntie van dat belastingstelsel. Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, lijkt een vrijstelling van de onroerende goederen van de staat die bestemd zijn voor de uitoefening van taken van nationale defensie niet rechtstreeks in verband te staan met de doelstellingen van de onroerendezaakbelasting zelf. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of er, gelet op alle relevante gegevens van het bij hem aanhangige geding, een rechtvaardiging bestaat.
45 Gelet op een en ander moet worden aangenomen dat de derde voorwaarde, te weten dat de begunstigde van de gevraagde vrijstelling een economisch voordeel heeft genoten, in casu kan zijn vervuld.
46 Wat in de tweede plaats de eerste voorwaarde betreft, te weten dat de maatregel uitgaat van de staat of met staatsmiddelen is bekostigd, moet in herinnering worden geroepen dat enkel de voordelen die rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen worden bekostigd of die een extra last voor de staat uitmaken, als steunmaatregelen van de staten in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU dienen te worden beschouwd. Uit de bewoordingen van deze bepaling en de in artikel 108 VWEU neergelegde procedureregels volgt immers dat de voordelen die met andere middelen dan staatsmiddelen worden bekostigd, niet binnen de werkingssfeer van de betrokken bepalingen vallen (arrest Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a.,
EU:C:2013:175
, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Bijgevolg moet worden nagegaan of er een voldoende directe band bestaat tussen het aan de begunstigde verleende voordeel en een vermindering van de staatsbegroting, of zelfs een voldoende concreet economisch risico dat die begroting zal worden belast (zie in die zin arrest Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a.,
EU:C:2013:175
, punt 109).
48 In dit verband is niet betwist dat de gevraagde belastingvrijstelling is ingevoerd door de Spaanse Staat en dus een maatregel van die Staat vormt. Voorts staat vast dat de uit die vrijstelling voortvloeiende vermindering van een last die normaal gezien het budget van Navantia zou bezwaren, tot gevolg heeft dat de begroting van de Concello de Ferrol wordt belast.
49 In die omstandigheden kan de voorwaarde betreffende een met staatsmiddelen bekostigde overheidsmaatregel worden geacht te zijn vervuld, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of dit het geval is.
50 Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het betoog van de Spaanse regering waarbij zij naar de arresten Streekgewest (C‑174/02,
EU:C:2005:10
) en Distribution Casino France e.a. (C‑266/04–C‑270/04, C‑276/04 en C‑321/04–C‑325/04,
EU:C:2005:657
) verwijst. Die rechtspraak is in het kader van het hoofgeding immers niet relevant, aangezien zij een situatie beoogt die verschilt van die welke in het hoofdgeding aan de orde is en waarin de belasting zelf steun oplevert omdat zij een integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel. In het hoofdgeding is daarentegen niet aangevoerd dat de onroerendezaakbelasting zelf een steunmaatregel uitmaakt, maar enkel dat de vrijstelling ervan in het onderhavige geval aanleiding geeft tot toekenning van steun aan Navantia.
51 Wat in de derde plaats de tweede en de vierde voorwaarde betreft, die betrekking hebben op de gevolgen van een belastingvrijstelling, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor het handelsverkeer tussen de lidstaten en voor de mededinging, moet eraan worden herinnerd dat voor de kwalificatie van een nationale maatregel als staatssteun niet hoeft te worden vastgesteld dat de betrokken steun de handel tussen de lidstaten werkelijk heeft beïnvloed en de mededinging daadwerkelijk heeft vervalst, maar enkel dient te worden onderzocht of die steun dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen (arrest Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11,
EU:C:2013:288
, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In het bijzonder moet het intracommunautaire handelsverkeer worden geacht door steun van een lidstaat te worden beïnvloed, wanneer die steun de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in dat handelsverkeer versterkt (arrest Libert e.a.,
EU:C:2013:288
, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 In casu staat vast dat de scheepsbouwsector een markt is die openstaat voor concurrentie en voor handelsverkeer tussen de lidstaten, zodat Navantia in die markt met andere ondernemingen kan concurreren. Zoals uit de vermeldingen van de verwijzingsbeslissing blijkt, geldt dit bovendien niet enkel voor de civiele activiteiten van die onderneming, maar ook voor haar activiteiten in de militaire sector.
54 Bijgevolg kan de gevraagde belastingvrijstelling het handelsverkeer tussen de lidstaten nadelig beïnvloeden en de mededinging verstoren, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of dit het geval is.
55 Hieruit volgt dat de vier in punt 20 van het onderhavige arrest geformuleerde voorwaarden in casu vervuld kunnen zijn. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokken belastingvrijstelling, gelet op alle relevante gegevens van het bij hem aanhangige geding en de in dit verband door het Hof verstrekte uitleggingsgegevens, moet worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
56 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat sprake kan zijn van door die bepaling verboden staatssteun wanneer een aan de staat toebehorend terrein dat ter beschikking is gesteld van een onderneming die volledig in handen is van de staat en die op dat terrein goederen vervaardigt en diensten levert die tussen de lidstaten kunnen worden verhandeld op markten die openstaan voor concurrentie, wordt vrijgesteld van onroerendezaakbelasting. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of die vrijstelling, gelet op alle relevante gegevens van het bij hem aanhangige geding en de in dit verband door het Hof verstrekte uitleggingsgegevens, moet worden aangemerkt als staatssteun in de zin van die bepaling.