Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 De Ruyter, Nederlands staatsburger die zijn woonplaats in Frankrijk heeft, werkt in dienst van Vermeer Verenigde Bedrijven BV, een Nederlands bedrijf.
10 Voor de jaren 1997 tot en met 2004 heeft De Ruyter in Frankrijk inkomsten uit Nederlandse bron opgegeven, bestaande in salaris, inkomsten uit roerend vermogen, bedrijfs- en handelswinsten en lijfrenten onder bezwarende titel, die door twee Nederlandse verzekeringsmaatschappijen waren uitgekeerd.
11 De Franse belastingdienst meende dat de door De Ruyter ontvangen lijfrenten onder bezwarende titel inkomsten uit vermogen vormden en heeft hem voor die lijfrenten aan de bijdragen voor de CSG en de CRDS, aan de sociale heffing van 2 % en aan de aanvullende bijdrage van 0,3 % bij die heffing onderworpen.
12 De Ruyter heeft bij die dienst bezwaar gemaakt met betrekking tot de gegrondheid van die heffingen, daar hij van mening was dat de hem opgelegde verplichting om over dezelfde inkomsten aan twee verschillende socialezekerheidsstelsels bijdragen af te dragen, in strijd is met het beginsel dat krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 de sociale wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing dient te zijn, gezien het feit dat op die inkomsten in Nederland reeds heffingen van gelijke aard waren toegepast. Nadat zowel deze bezwaren als de nadien bij de bestuursrechtelijke gerechten van Marseille en Nîmes ingestelde beroepen waren verworpen, heeft De Ruyter bij de cour administrative d’appel de Marseille hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van die gerechten.
13 Bij uitspraken van 15 oktober 2009 en 1 juli 2010 heeft de cour administrative d’appel de Marseille De Ruyter vrijgesteld van de bijdragen over de lijfrenten voor respectievelijk de jaren 1997 tot en met 2000 en 2001 tot en met 2004, daar die rechter van oordeel was dat de heffing van de litigieuze bijdragen over de lijfrenten het in artikel 39 EG vervatte beginsel van vrij verkeer van werknemers schond.
14 De minister van Begroting, Openbare financiën, Openbare dienst en Staatshervorming heeft bij de Conseil d’État cassatieberoep ingesteld tegen die uitspraken.
15 Bij arrest van 17 juli 2013 heeft de Conseil d’État de uitspraak van de cour administrative d’appel de Marseille van 15 oktober 2009 gedeeltelijk vernietigd en de uitspraak van 1 juli 2010 van die rechter in zijn geheel. De Conseil d’État overwoog dat het enkele feit dat de betrokken lijfrenten ook in Nederland al voorwerp zijn geweest van belastingheffing van dezelfde aard als die waaraan zij in Frankrijk worden onderworpen, niet volstaat om aan te nemen dat afbreuk wordt gedaan aan het vrije verkeer van werknemers, omdat het EG-Verdrag, dat destijds van toepassing was, niet voorzag in algemene criteria voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten ter zake van dubbele belastingheffing binnen de Europese Unie.
16 De Conseil d’État heeft besloten de twee bij hem aanhangig gemaakte zaken ten gronde te beslechten. Voor zover De Ruyter betoogde dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde heffingen in strijd zijn met artikel 13 van verordening nr. 1408/71, was de Conseil d’État van mening dat, teneinde de strekking te bepalen van het in dat artikel vervatte beginsel dat de sociale wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing dient te zijn, moest worden nagegaan of die heffingen een rechtstreekse en voldoende relevante samenhang vertonen met bepaalde in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid en derhalve binnen de werkingssfeer daarvan vallen.
17 In dit verband heeft de Conseil d’État ten eerste vastgesteld dat die heffingen bijdragen aan de financiering van de Franse verplichte socialezekerheidsstelsels.
18 Ten tweede heeft de Conseil d’État opgemerkt dat, anders dan het geval was in de situaties die hebben geleid tot de arresten Commissie/Frankrijk (C‑34/98,
EU:C:2000:84
) en Commissie/Frankrijk (C‑169/98,
EU:C:2000:85
), de in het hoofdgeding aan de orde zijnde heffingen niet gelden voor inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten, en aldus deels in de plaats komen voor socialezekerheidsbijdragen, maar uitsluitend worden berekend over de inkomsten uit vermogen van de betrokken heffingsplichtige, los van de uitoefening van een beroepsactiviteit door laatstgenoemde.
19 De Conseil d’État heeft tevens opgemerkt dat die heffingen geen enkel verband houden met het ontstaan van een recht op een prestatie die, of een voordeel dat, wordt verstrekt krachtens een socialezekerheidsregeling en dat zij om die reden worden aangemerkt als belastingheffingen en niet als socialezekerheidsbijdragen in de zin van de nationale constitutionele en wettelijke bepalingen.
20 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Vertonen fiscale heffingen over inkomsten uit vermogen, zoals de CSG over inkomsten uit vermogen, de CRDS over diezelfde inkomsten, de sociale heffing van 2 % en de aanvullende bijdrage bij die heffing, alleen al vanwege het feit dat zij bijdragen aan de financiering van de Franse verplichte socialezekerheidsstelsels, een rechtstreekse en relevante samenhang met sommige van de in artikel 4 van [verordening nr. 1408/71] genoemde takken van sociale zekerheid en vallen zij derhalve binnen de werkingssfeer van die verordening?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of heffingen over inkomsten uit vermogen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarmee wordt bijgedragen aan de financiering van de verplichte socialezekerheidsstelsels, een rechtstreekse en relevante samenhang vertonen met sommige van de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid, en derhalve binnen de werkingssfeer van die verordening vallen, ook al worden die heffingen berekend over de inkomsten uit vermogen van de heffingsplichtigen, los van het verrichten van een beroepsactiviteit door hen.
22 Voor de beantwoording van deze vraag dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 4 van verordening nr. 1408/71 de werkingssfeer van de bepalingen ervan vastlegt in bewoordingen waaruit blijkt dat de nationale stelsels van sociale zekerheid in hun geheel aan de toepassing van de regels van het Unierecht zijn onderworpen (arresten Jansen, 104/76,
EU:C:1977:72
, punt 7, en Rheinhold & Mahla, C‑327/92,
EU:C:1995:144
, punt 15).
23 Het Hof heeft gepreciseerd dat het doorslaggevende element voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 de – rechtstreekse en voldoende relevante – samenhang is die de betrokken bepaling moet vertonen met de wetten die de in artikel 4 van die verordening genoemde takken van sociale zekerheid regelen (arresten Rheinhold & Mahla,
EU:C:1995:144
, punt 23; Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punt 35, en Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punt 33).
24 De omstandigheid dat een heffing in een nationale wetgeving als belasting wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die heffing, wat verordening nr. 1408/71 betreft, kan worden geacht binnen de werkingssfeer van die verordening te vallen (arresten Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punt 34, en Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punt 32).
25 Aan die vaststelling kan evenmin worden getornd door het feit dat de betrokken heffing gedeeltelijk dient ter aanzuivering van een schuld van het socialezekerheidsstelsel die is ontstaan door de financiering van in het verleden verstrekte uitkeringen (arrest Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punt 39) en ook niet, zoals ook de advocaat-generaal in punt 31 van haar conclusie heeft opgemerkt, door het feit dat die heffing niet bedoeld is in de plaats te komen van voordien bestaande sociale bijdragen.
26 Zo is ook het al dan niet bestaan van tegenprestaties in de vorm van uitkeringen zonder belang voor de toepassing van verordening nr. 1408/71, daar het beslissende criterium is, of een bijdrage specifiek bestemd is voor de financiering van een socialezekerheidsstelsel van een lidstaat (zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punten 39 en 40, en Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punten 37 en 38).
27 In zaken waarin het ging om fiscale heffingen die door de Franse belastingdienst werden toegepast op inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten van in Frankrijk wonende werknemers en zelfstandigen die voor de belastingheffing onder de Franse Republiek vallen maar in een andere lidstaat werken, heeft het Hof aldus vastgesteld dat die heffingen specifiek en rechtstreeks bestemd waren voor de financiering van de sociale zekerheid in Frankrijk en daaruit afgeleid dat zij een rechtstreekse en voldoende relevante samenhang vertoonden met de wetten die de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid regelen (arresten Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punten 36 en 37, en Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punten 34 en 35).
28 Dezelfde slotsom dient te gelden met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde heffingen die niet worden toegepast op inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten van de werknemers, maar die worden berekend over inkomsten uit vermogen, aangezien niet is betwist dat de opbrengst van deze heffingen rechtstreeks en specifiek bestemd is voor de financiering van bepaalde takken van sociale zekerheid in Frankrijk of voor de aanzuivering van de tekorten ervan.
29 Die heffingen vertonen dus een rechtstreekse en voldoende relevante samenhang met de wetten die de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid regelen, ongeacht het feit dat er geen verband bestaat tussen de inkomsten uit vermogen van de heffingsplichtigen en het verrichten van een beroepsactiviteit door hen.
30 Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van haar conclusie in dit verband heeft opgemerkt, is voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 niet vereist dat een beroepsactiviteit wordt verricht.
31 Blijkens vaste rechtspraak is het bestaan van een arbeidsverhouding immers irrelevant voor de toepassing van verordening nr. 1408/71, aangezien het in dit verband beslissende element bestaat in het feit dat iemand, verplicht of vrijwillig, tegen een of meer risico’s, verzekerd is bij een algemeen of bijzonder stelsel van sociale zekerheid genoemd in artikel 1, onder a), van die verordening (zie in die zin arresten Martínez Sala, C‑85/96,
EU:C:1998:217
, punt 36, en Borger, C‑516/09,
EU:C:2011:136
, punten 26 en 28).
32 Voorts wordt het begrip „wetgeving” of „wettelijke regeling” in de zin van artikel 1, onder j), van verordening nr. 1408/71 gekenmerkt door de ruime inhoud ervan, die alle soorten wetgevende, verordenende en bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten omvat, en moeten de gezamenlijke ter zake toepasselijke nationale maatregelen er onder begrepen worden geacht (arrest Bozzone, 87/76,
EU:C:1977:60
, punt 10).
33 Voor deze uitlegging is bovendien steun te vinden in het met verordening nr. 1408/71 nagestreefde doel en in de beginselen waarop die verordening berust.
34 Teneinde het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Unie te verzekeren, met als beginsel hun gelijke behandeling ten aanzien van de verschillende nationale wetgevingen, is bij verordening nr. 1408//1, in titel II ervan, immers een coördinatiestelsel ingesteld dat onder meer betrekking heeft op de vaststelling van de wetgeving(en) die moet(en) worden toegepast op werknemers en zelfstandigen die, in uiteenlopende omstandigheden, gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer (zie in die zin arresten Derouin, C‑103/06,
EU:C:2008:185
, punt 20, en Tomaszewska, C‑440/09,
EU:C:2011:114
, punten 25 en 28).
35 De volledigheid van dit stelsel van conflictregels heeft tot gevolg dat de wetgever van elke afzonderlijke lidstaat niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling naar eigen inzicht te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (arresten Luijten, 60/85,
EU:C:1986:307
, punt 14, en Somova, C‑103/13,
EU:C:2014:2334
, punt 54).
36 Dienovereenkomstig bepaalt artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn, hetgeen, onder voorbehoud van de in de artikelen 14 quater en 14 septies voorziene gevallen, elke mogelijkheid van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen over eenzelfde periode uitsluit (zie in die zin arrest Perenboom, 102/76,
EU:C:1977:71
, punt 11).
37 Dit beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, beoogt de mogelijke complicaties van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen te voorkomen, en de verschillen in behandeling op te heffen die personen die zich binnen de Unie verplaatsen, zouden ondervinden bij gedeeltelijke of volledige cumulatie van de toepasselijke wetgevingen (zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punt 46; Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punt 43, en Allard, C‑249/04,
EU:C:2005:329
, punt 28).
38 Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van verordening nr. 1408/71 niet kan worden beperkt tot inkomsten die deze personen in het kader van hun arbeidsverhouding verwerven, omdat anders bij de toepassing van artikel 13 van deze verordening verschillen in het leven zouden worden geroepen naargelang van de oorsprong van de inkomsten die zij ontvangen.
39 Indien onder de ingezetenen van een lidstaat diegenen die in een andere lidstaat zijn aangesloten bij de sociale zekerheid, daarenboven moeten meebetalen, al is het slechts gedeeltelijk, aan de sociale zekerheid van hun woonstaat, zou dit immers tot ongelijke behandeling in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 leiden, aangezien de overige ingezetenen van laatstbedoelde lidstaat alleen aan het socialezekerheidsstelsel van die staat bijdragen hoeven te betalen (zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:84
, punten 45‑48, en Commissie/Frankrijk,
EU:C:2000:85
, punten 42‑45).
40 Daar in casu De Ruyter, als migrerend werknemer, is onderworpen aan de sociale zekerheid in de werkstaat, te weten in Nederland, en hij niet valt onder een van de uitzonderingen van de artikelen 14 quater en 14 septies van verordening nr. 1408/71, op grond waarvan de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale socialezekerheidswetgevingen is toegestaan, kan hij door de woonstaat noch met betrekking tot inkomsten uit een arbeidsverhouding noch met betrekking tot inkomsten uit vermogen worden onderworpen aan wettelijke bepalingen waarbij heffingen zijn ingesteld die een rechtstreekse en voldoende relevante samenhang vertonen met de wetten die de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid regelen.
41 Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van haar conclusie heeft gesteld, kan op grond van het in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 vervatte beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, aan deze vaststellingen voorts niet worden afgedaan door het feit dat op de inkomsten uit vermogen van De Ruyter in de werkstaat nog geen heffing in de vorm van socialezekerheidsbijdragen is toegepast.
42 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 1408/71 in die zin moet worden uitgelegd dat heffingen over inkomsten uit vermogen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer daarmee wordt bijgedragen aan de financiering van de verplichte socialezekerheidsstelsels, een rechtstreekse en relevante samenhang vertonen met sommige van de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid en derhalve binnen de werkingssfeer van die verordening vallen, ook al worden die heffingen berekend over de inkomsten uit vermogen van de heffingsplichtigen, los van het verrichten van een beroepsactiviteit door hen.