Argumenten van partijen
28
De hoofdgrief van de Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk is dat het Verenigd Koninkrijk, door van de aanvrager van de betrokken sociale prestaties te verlangen dat hij aan het verblijfsrechtcriterium voldoet teneinde als gewoonlijk aldaar wonend te kunnen worden behandeld, een voorwaarde heeft toegevoegd die niet in verordening nr. 883/2004 staat. Deze voorwaarde sluit personen die niet daaraan voldoen, uit van de door de socialezekerheidswetgeving van een van de lidstaten geboden bescherming, die de verordening beoogt te waarborgen.
29
Volgens de Commissie geldt krachtens artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 voor een economisch niet-actieve persoon in beginsel de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats. In dit verband omschrijft artikel 1, onder j), van deze verordening „woonplaats” voor de toepassing van deze verordening als de plaats waar een persoon pleegt te wonen, waarbij het begrip „gewone verblijfplaats” in het Unierecht een autonome betekenis heeft.
30
Volgens de Commissie duidt dit begrip volgens vaste rechtspraak van het Hof, en met name punt 29 van het arrest van
25 februari 1999, Swaddling (C‑90/97, EU:C:1999:96
), op de plaats waar zich het gewone centrum van de belangen van de betrokkene bevindt. Om dat centrum van de belangen te bepalen moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de gezinssituatie van de werknemer, met de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, met de duur en de bestendigheid van zijn verblijf, met de vraag of hij eventueel een vaste werkkring heeft, alsmede met de intentie van de betrokkene zoals die uit alle relevante omstandigheden blijkt.
31
Meer in het bijzonder moet die plaats volgens de Commissie worden bepaald op basis van de feitelijke omstandigheden en de situatie van de betrokkenen, los van hun rechtspositie in de gastlidstaat en van de vraag of zij al dan niet het recht hebben om op het grondgebied ervan te verblijven op basis van bijvoorbeeld richtlijn 2004/38. Bijgevolg geeft verordening nr. 883/2004 een specifieke betekenis aan het begrip „woonplaats”, die losstaat van de betekenis die daaraan in andere handelingen van het Unierecht of in het nationale recht wordt gegeven en waarvoor geen eventuele voorafgaande wettelijke voorwaarden gelden.
32
Het doel van artikel 11 van verordening nr. 883/2004 is haars inziens niet om het materiële recht van de lidstaten te harmoniseren, maar veeleer om een stelsel van conflictregels in te stellen, met als gevolg dat de nationale wetgever niet langer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn eigen nationale wettelijke regeling op dat gebied te bepalen. De doelstelling van dat stelsel is dus, ten eerste, te waarborgen dat slechts één socialezekerheidsstelsel toepasselijk is en, ten tweede, te verhinderen dat personen op wie verordening nr. 883/2004 ziet, wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten.
33
Subsidiair betoogt de Commissie dat het Verenigd Koninkrijk, door voor het recht op bepaalde socialezekerheidsprestaties een voorwaarde te stellen waaraan door de eigen onderdanen automatisch wordt voldaan, zoals het verblijfsrechtscriterium, een situatie van directe discriminatie ten aanzien van onderdanen van andere lidstaten in het leven heeft geroepen en artikel 4 van verordening nr. 883/2004 derhalve heeft geschonden.
34
Volgens de Commissie is het Verenigd Koninkrijk gedurende de precontentieuze procedure van standpunt veranderd. Eerst betoogde deze lidstaat dat het verblijfsrechtcriterium slechts een van de elementen was die moeten worden geverifieerd om te bepalen of een persoon zijn gewone verblijfplaats in deze lidstaat heeft, en nadien dat het om een voorwaarde gaat die losstaat van de gewone verblijfplaats, en die discriminerend, maar gerechtvaardigd is.
35
In dit verband meent de Commissie, daarbij steunend op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak die heeft geleid tot het arrest van
13 april 2010, Bressol e.a. (C‑73/08, EU:C:2010:181
), dat het verblijfsrechtcriterium directe discriminatie op grond van nationaliteit vormt daar het gaat om een voorwaarde die uitsluitend van toepassing is op vreemdelingen omdat in het Verenigd Koninkrijk wonende Britse staatsburgers die voorwaarde automatisch vervullen.
36
Bovendien, zelfs al zou moeten worden erkend dat het verblijfsrechtcriterium alleen tot indirecte discriminatie leidt, zoals het Verenigd Koninkrijk stelt, dan nog heeft laatstgenoemde volgens de Commissie geen enkel argument verschaft op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de betrokken ongelijke behandeling geschikt en evenredig is ten opzichte van het met de betrokken nationale wettelijke regeling nagestreefde doel, te weten te verzekeren dat er een reële band bestaat tussen de aanvrager van een prestatie en de gastlidstaat.
37
Voorts betwist de Commissie het door het Verenigd Koninkrijk aangevoerde argument dat economisch niet-actieve personen geen belasting mogen vormen voor het stelsel van sociale bescherming van het gastland, tenzij deze personen reeds een voldoende mate van binding hebben met dat land. De Commissie aanvaardt dat een gastlidstaat zich ervan wil vergewissen dat de band van de aanvrager van een prestatie met die lidstaat bestaat, doch bij socialezekerheidsprestaties heeft de Uniewetgever zelf, middels verordening nr. 883/2004, bepaald hoe het bestaan van die band moet worden aangetoond – te weten, in casu, met het criterium van de gewone verblijfplaats –, zonder dat de lidstaten de bepalingen van die verordening kunnen veranderen of er extra vereisten aan kunnen toevoegen.
38
In zijn verweerschrift bestrijdt het Verenigd Koninkrijk de hoofdgrief van de Commissie door zich te beroepen op met name het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 44
), waarin het Hof, na dezelfde argumenten als de Commissie in casu aanvoert te hebben afgewezen, heeft geoordeeld dat „niets zich er in beginsel tegen verzet dat de toekenning van sociale uitkeringen aan economisch niet-actieve burgers van de Unie afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze voldoen aan de voorwaarden om een recht op legaal verblijf in het gastland te genieten”.
39
Het Verenigd Koninkrijk preciseert dat het Hof tevens heeft geoordeeld dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 883/2004 – waarin net als in artikel 11 een „conflictregel” is neergelegd ter voorkoming van de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen op dezelfde situatie en ter vermijding dat binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten – niet tot doel heeft de materiële voorwaarden voor een recht op de betrokken sociale prestaties, te weten bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, vast te leggen, zodat het in beginsel aan de wettelijke regeling van elke lidstaat staat om deze voorwaarden vast te stellen. Volgens het Verenigd Koninkrijk geldt deze redenering ook voor de conflictregel van artikel 11 van verordening nr. 883/2004, die dezelfde functie vervult als artikel 70, lid 4, van deze verordening, dat specifiek betrekking heeft op bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, wanneer vastgesteld moet worden welke nationale wetgeving van toepassing is op de aanvrager.
40
Met betrekking tot de in punt 33 van het onderhavige arrest genoemde, op directe discriminatie gebaseerde subsidiaire grief van de Commissie, stelt het Verenigd Koninkrijk dat deze grief niet voorkomt in het met redenen omklede advies dat de Commissie hem gedurende de precontentieuze procedure heeft toegezonden, en voor het eerst aan de orde wordt gesteld in het verzoekschrift, zodat deze grief door het Hof niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
41
Voorts betoogt deze lidstaat dat het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld dat het legitiem is om van economisch niet-actieve burgers van de Europese Unie te verlangen dat zij het bewijs leveren dat zij over een verblijfsrecht beschikken om in aanmerking te kunnen komen voor socialezekerheidsprestaties, en dat de Uniewetgever gastlidstaten in richtlijn 2004/38 uitdrukkelijk toestaat om hun optreden afhankelijk te stellen van een dergelijke voorwaarde, teneinde te voorkomen dat deze burgers een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van deze staten worden. Het beginsel van gelijke behandeling van artikel 4 van verordening nr. 883/2004 moet volgens hem dan ook in het licht van dit vereiste worden uitgelegd.
42
Ten slotte merkt het Verenigd Koninkrijk op dat de toetsing van het verblijfplaatscriterium slechts een van de drie cumulatieve voorwaarden is waaraan door de aanvrager moet zijn voldaan om te kunnen vaststellen dat hij „zich bevindt” in het Verenigd Koninkrijk in de zin van de nationale wettelijke regeling. Aan de andere twee voorwaarden, te weten fysieke aanwezigheid op het grondgebied en gewone verblijfplaats, kan los van de nationaliteit van de aanvrager worden voldaan of niet worden voldaan, zodat een Brits onderdaan niet automatisch voldoet aan de voorwaarde dat hij „zich moet bevinden” in het Verenigd Koninkrijk om in aanmerking te komen voor de betrokken sociale prestaties.
43
Het Verenigd Koninkrijk erkent weliswaar dat deze voorwaarden gemakkelijker kunnen worden vervuld door zijn eigen onderdanen dan door onderdanen van andere lidstaten en dat het om een indirect discriminerende maatregel gaat, doch op basis van de overwegingen van het Hof in punt 44 van het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), die een vergelijkbare context hebben, meent deze lidstaat dat de maatregel objectief is gerechtvaardigd door de noodzaak om de openbare middelen te beschermen, daar de betrokken sociale prestaties niet worden gefinancierd door premies of bijdragen van de begunstigden, maar uit belastinginkomsten. Bovendien wijst niets erop dat deze maatregel onevenredig is in verhouding tot het nagestreefde doel, in de zin van de punten 71 tot en met 78 van dat arrest van het Hof.
44
Met betrekking tot de hoofdgrief betoogt de Commissie in repliek dat het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), enkel betrekking had op de toepassing van richtlijn 2004/38 op bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die zowel de kenmerken van sociale zekerheid als van sociale bijstand hebben, terwijl de onderhavige zaak betrekking heeft op twee vormen van gezinsbijslag in de zin van artikel 3, lid 1, onder j), van verordening nr. 883/2004, dat wil zeggen echte socialezekerheidsprestaties, waarop richtlijn 2004/38 niet van toepassing is. In dit verband wijst de Commissie op een probleem, in punt 44 van dat arrest, van verschillen tussen de Engelse en de Duitse vertaling, daar de eerste de term „social security benefits” („socialezekerheidsprestaties”) gebruikt, terwijl in de tweede, die authentiek is, het ruimere begrip „Sozialleistungen” (sociale prestaties) wordt gebruikt.
45
Voorts betoogt de Commissie dat de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk, in plaats van het vrij verkeer van burgers van de Unie te bevorderen, wat het doel is van de Unierechtelijke regeling voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, dit verkeer juist belemmert door een hindernis daarvoor te creëren in de vorm van discriminatie op grond van nationaliteit. Dit leidt er haars inziens toe dat iemand mogelijkerwijs noch in de lidstaat van oorsprong, waar hij niet langer zijn gewone verblijfplaats heeft, noch in het gastland recht heeft op de betrokken sociale prestaties, indien hij daar geen verblijfsrecht heeft.
46
Wat de subsidiair aangevoerde grief betreft, betwist de Commissie ten slotte de uitlegging die het Verenigd Koninkrijk van de conflictregel in artikel 11 van verordening nr. 883/2004 geeft, want uit het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), volgt dat het beginsel dat het voor de lidstaten legitiem is beperkingen in te voeren om te voorkomen dat een Unieburger die zij ontvangen, een onredelijke belasting vormt voor hun socialebijstandsstelsel, alleen geldt voor zover het sociale bijstand betreft en niet tevens socialezekerheidsprestaties omvat.
47
Wat voorts een eventuele rechtvaardiging betreft van de voorwaarde inzake het verblijfsrechtcriterium, betoogt de Commissie dat het Verenigd Koninkrijk geen enkel gegeven naar voren brengt over de evenredigheid ervan in verhouding tot het met de nationale wettelijke regeling nagestreefde doel. De toets van het „verblijfsrecht”, te weten de controle of aan het verblijfsrechtcriterium is voldaan, is een automatisch mechanisme dat systematisch en onvermijdelijk belet dat aanvragers die niet aan dit criterium voldoen, prestaties ontvangen, ongeacht hun persoonlijke situatie en de mate waarin zij in het Verenigd Koninkrijk belasting hebben betaald en socialezekerheidsbijdragen hebben afgedragen. Met dit mechanisme kan dus niet de complexe individuele beoordeling worden gemaakt die het Hof de gastlidstaten opdraagt overeenkomstig het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
).
48
In dupliek benadrukt het Verenigd Koninkrijk het feit dat zijn nationale recht van toepassing is krachtens de conflictregel van verordening nr. 883/2004 en dat het niettemin mogelijk is dat een persoon die zijn gewone verblijfplaats op zijn grondgebied heeft, geen recht heeft op de betrokken sociale prestaties.
49
Wat de verschillen betreft tussen de taalversies van het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), meent het Verenigd Koninkrijk dat de uitdrukking „social benefits” ruimer is dan de uitdrukking „social security benefits” en dat, hoewel het Hof in de Duitse en de Franse taalversie de eerste uitdrukking in plaats van de tweede heeft gebruikt, deze omstandigheid de werkingssfeer van het in punt 44 van dat arrest geformuleerde beginsel verruimt, dat tevens ziet op socialezekerheidsprestaties. Volgens deze lidstaat blijkt uit dat arrest geenszins dat de overwegingen van het Hof beperkt bleven tot uitsluitend bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, hetgeen overigens is bevestigd door het arrest van
11 november 2014, Dano (C‑333/13, EU:C:2014:2358
).
50
Voorts is het volgens het Verenigd Koninkrijk moeilijk denkbaar dat de lidstaten niet gehouden zouden zijn bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, die een bestaansminimum garanderen, uit te keren aan burgers van de Unie zonder verblijfsrecht, maar wel verplicht zouden zijn tot uitkering van prestaties zoals de betrokken sociale prestaties, die boven de garantie van het bestaansminimum uitstijgen, omdat laatstgenoemde prestaties, daar zij worden gefinancierd uit belastinginkomsten, eveneens een onredelijke belasting kunnen vormen voor de openbare middelen van de gastlidstaat in de zin van het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
).
51
Het Verenigd Koninkrijk voegt daaraan toe dat de betrokken sociale prestaties in ieder geval kenmerken van bijstand hebben, ofschoon dit geen onvoorwaardelijk vereiste is opdat het principe van het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), dat betrekking heeft op „sociale uitkeringen” in het algemeen, tevens van toepassing is op de betrokken sociale prestaties. Volgens deze lidstaat heeft het Hof in het arrest van
11 november 2014, Dano (C‑333/13, EU:C:2014:2358
), bevestigd dat alleen economisch niet-actieve Unieburgers wier verblijf voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 er aanspraak op kunnen maken dat zij ter zake van het recht op sociale uitkeringen gelijk worden behandeld als de eigen onderdanen van de betrokken lidstaat.
52
Ten slotte betoogt deze lidstaat dat de Commissie, met het voor het eerst in repliek aangevoerde betoog dat het verblijfsrechtcriterium een „automatisch mechanisme” is dat geen individuele beoordeling van de omstandigheden van het individuele geval toelaat zoals het Hof in het arrest van
19 september 2013, Brey (C‑140/12, EU:C:2013:565
), wel vereist, een nieuwe grief aanvoert die uit dien hoofde overeenkomstig artikel 127 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
53
In dit verband betoogt het Verenigd Koninkrijk tevens dat de wijze van functioneren van het verblijfsrechtcriterium zoals deze door de Commissie in die nieuwe grief is uiteengezet, onjuist is. In de praktijk houdt de voor het beheer van de betrokken sociale prestaties verantwoordelijke overheidsinstantie onder meer rekening met de informatie die wordt verstrekt door het Department for Work and Pensions (directie werk en pensioenen), om te bepalen of een persoon ooit bijstand heeft ontvangen. Met deze informatie kan die instantie bepalen of de persoon een verblijfsrecht heeft in het Verenigd Koninkrijk en dus recht heeft op de betrokken sociale prestaties. Wanneer niet kan worden bepaald of de aanvrager al dan niet een verblijfsrecht heeft, wordt een individuele beoordeling van zijn persoonlijke omstandigheden gemaakt, met inbegrip van de door hem betaalde sociale premies of bijdragen en de vraag of hij actief op zoek is naar werk en of hij een reële kans heeft om daarin te slagen.
Beoordeling door het Hof
– Kwalificatie van de betrokken sociale prestaties
54
Teneinde de gegrondheid van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming te onderzoeken, moet vooraf worden bepaald of de betrokken sociale prestaties moeten worden gekwalificeerd als „sociale bijstand” dan wel als „socialezekerheidsprestaties”.
55
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat dit beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft op „child benefit” (kinderbijslag) en op „child tax credit” (letterlijk „heffingskorting ter zake van kinderen”, maar feitelijk een inkomensafhankelijke bijslag), te weten twee uitkeringen die ertoe strekken bij te dragen tot het dekken van de gezinslasten en die niet worden gefinancierd door premie- of bijdragebetaling door de begunstigden maar door de verplichte fiscale bijdrage.
56
Geen van deze prestaties is door het Verenigd Koninkrijk opgenomen in bijlage X bij verordening nr. 883/2004 en tussen partijen is niet omstreden dat het niet gaat om bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 70 van die verordening.
57
Wat de kinderbijslag betreft, blijkt uit section 141 van de wet van 1992 dat iedere persoon die één of meer kinderen ten laste heeft, recht heeft op een wekelijkse bijslag voor elk kind, overeenkomstig het bepaalde in deze wet.
58
Vast staat dat kinderbijslag een sociale prestatie vormt die met name bestemd is om ten dele de kosten te compenseren die een persoon die een of meer kinderen ten laste heeft, moet dragen. In beginsel gaat het om een universele prestatie die op aanvraag aan iedereen wordt toegekend. Aanvragers met hogere inkomens moeten evenwel bij de betaling van de door hen verschuldigde belasting een bedrag terugbetalen tot ten hoogste de door hen ontvangen prestatie.
59
Wat de „child tax credit” betreft, staat eveneens vast dat het om een uitkering gaat die wordt betaald aan elke persoon met een of meer kinderen ten laste, en waarvan het bedrag varieert naargelang van de gezinsinkomsten, het aantal kinderen ten laste alsmede andere factoren betreffende de individuele situatie van het betrokken gezin. Ondanks de benaming ervan vormt de „child tax credit” een som geld die de bevoegde instantie periodiek aan de begunstigden uitkeert en die gekoppeld lijkt te zijn aan hun hoedanigheid van belastingplichtigen. Deze prestatie is in de plaats gekomen van een reeks aanvullende prestaties die werden uitgekeerd aan de aanvragers van verschillende, aan hun inkomen gekoppelde, onderhoudsbijslagen voor kinderen ten laste, waarvan het overkoepelende doel was kinderarmoede te bestrijden.
60
Volgens de rechtspraak van het Hof moeten prestaties die automatisch worden toegekend aan gezinnen die aan bepaalde objectieve criteria voldoen betreffende met name hun omvang, inkomen en vermogen, los van elke individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, en die ertoe strekken de gezinslasten te compenseren, worden aangemerkt als socialezekerheidsprestaties (zie in die zin met name arresten van
16 juli 1992, Hughes, C‑78/91, EU:C:1992:331, punt 22
, en
10 oktober 1996, Hoever en Zachow, C‑245/94 en C‑312/94, EU:C:1996:379, punt 27
).
61
Toepassing van de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde criteria op de betrokken sociale prestaties, leidt ertoe dat die prestaties moeten worden aangemerkt als „socialezekerheidsprestaties” in de zin van artikel 3, lid 1, onder j), van verordening nr. 883/2004, juncto artikel 1, onder z), van die verordening.
– Hoofdgrief
62
Met zijn tot staving van het onderhavige beroep aangevoerde hoofdgrief verwijt de Commissie het Verenigd Koninkrijk dat het de toekenning van de betrokken sociale prestaties afhankelijk stelt niet alleen van de voorwaarde dat de aanvrager op het grondgebied van de lidstaten „pleegt te wonen” in de zin van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, juncto artikel 1, onder j), ervan, maar tevens dat hij aan het verblijfsrechtcriterium voldoet. Het onderzoek of dat criterium is vervuld, creëert volgens de Commissie aldus een extra voorwaarde die niet is voorzien.
63
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, waarop de Commissie zich baseert, een „conflictregel” formuleert om te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is voor de toekenning van de in artikel 3, lid 1, van die verordening genoemde socialezekerheidsprestaties, waaronder gezinsbijslagen, waarop anderen dan de personen bedoeld onder a) tot en met d) van artikel 11, lid 3, van die verordening, dat wil zeggen economisch niet-actieve personen, aanspraak kunnen maken.
64
Artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 heeft niet alleen tot doel de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen op een bepaalde situatie en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van die verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (zie met name arrest van
19 september 2013, Brey, C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 40
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Daarentegen strekt die bepaling als zodanig er niet toe de materiële voorwaarden voor een recht op socialezekerheidsprestaties te bepalen. In beginsel staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen (zie in die zin arresten van
19 september 2013, Brey, C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 41
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
11 november 2014, Dano, C‑333/13, EU:C:2014:2358, punt 89
).
66
Uit artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, juncto artikel 1, onder j), ervan, kan dus niet worden afgeleid dat het Unierecht zich verzet tegen een nationaal voorschrift dat het recht op sociale prestaties, zoals de betrokken sociale prestaties, ervan afhankelijk stelt dat de aanvrager in de betrokken lidstaat een recht op legaal verblijf heeft.
67
Verordening nr. 883/2004 voert namelijk geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid in, maar laat de afzonderlijke nationale stelsels voortbestaan, waarvan zij slechts de coördinatie beoogt teneinde de doeltreffende uitoefening van het vrije verkeer van personen te waarborgen. Zij laat aldus afzonderlijke stelsels voortbestaan, die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen jegens welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit, hetzij uitsluitend krachtens een nationale regeling, hetzij krachtens de nationale regeling zo nodig aangevuld door het Unierecht (arrest van
19 september 2013, Brey, C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 43
).
68
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat niets zich er in beginsel tegen verzet dat de toekenning van sociale prestaties aan economisch niet-actieve Unieburgers afhankelijk wordt gesteld van het vereiste dat deze voldoen aan de voorwaarden om in de gastlidstaat een recht op legaal verblijf te hebben (zie in die zin arresten van
19 september 2013, Brey, C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 44
, en
11 november 2014, Dano, C‑333/13, EU:C:2014:2358, punt 83
).
69
Aan de aard van de conflictregel van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 wordt, anders dan de Commissie stelt, derhalve niet afgedaan door het verblijfsrechtcriterium, daar dit integraal deel uitmaakt van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken sociale prestaties.
70
Niettemin kan het argument van de Commissie dat een persoon die niet aan de voor verkrijging van de betrokken sociale prestaties gestelde voorwaarden voldoet, zich in een situatie bevindt waarin noch het recht van het Verenigd Koninkrijk noch enig ander recht op hem van toepassing is, evenmin slagen.
71
Een dergelijke situatie verschilt immers niet van die waarin zich een aanvrager bevindt die om enige andere reden niet voldoet aan een van de ter verkrijging van een gezinsbijslag geldende voorwaarden en die daardoor feitelijk in geen enkele lidstaat een recht heeft op een dergelijke prestatie. Deze omstandigheid is niet te wijten aan het feit dat geen enkele wetgeving op hem van toepassing is, maar aan het feit dat deze aanvrager de materiële voorwaarden die zijn gesteld in de lidstaat waarvan de wetgeving krachtens de conflictregels op hem van toepassing is, niet vervult.
72
In dit verband dient tevens in herinnering te worden gebracht dat het Verenigd Koninkrijk sinds zijn antwoord op het met redenen omklede advies constant heeft betwist dat het de verificatie of de aanvrager op zijn grondgebied pleegt te wonen, afhankelijk zou hebben willen stellen van met name de voorwaarde dat hij daar rechtmatig verblijft. Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt nergens uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het Verenigd Koninkrijk het verblijfsrechtcriterium bedoelde te verbinden met de verificatie van de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004. Zoals deze lidstaat ter terechtzitting heeft uiteengezet, vormt de rechtmatigheid van het verblijf van de aanvrager op zijn grondgebied een materiële voorwaarde waaraan economisch niet-actieve personen moeten voldoen om de betrokken sociale prestaties te kunnen verkrijgen.
73
Gelet op het voorgaande moet de door de Commissie aangevoerde hoofdgrief worden afgewezen, daar deze instelling niet heeft bewezen dat het in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk ingevoerde verblijfsrechtcriterium op zich afbreuk doet aan artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, juncto artikel 1, onder j), ervan.
– Subsidiaire grief
74
Subsidiair, voor het geval zou worden geoordeeld dat de verificatie van het verblijfsrechtcriterium als zodanig niet is opgenomen in de verificatie van de gewone verblijfsplaats van de aanvrager van de betrokken sociale prestaties en dat de toetsing van dit eerste criterium autonoom wordt verricht, betoogt de Commissie dat de invoering van het verblijfsrechtcriterium in de nationale wettelijke regeling onvermijdelijk tot bij artikel 4 van verordening nr. 883/2004 verboden directe discriminatie leidt of althans tot indirecte discriminatie.
75
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals in punt 68 van het onderhavige arrest is vermeld, in beginsel niets zich ertegen verzet dat de toekenning van sociale prestaties aan economisch niet-actieve Unieburgers afhankelijk wordt gesteld van de materiële voorwaarde dat zij voldoen aan de vereisten die zijn gesteld voor een recht op legaal verblijf in de gastlidstaat.
76
Dit neemt niet weg dat een gastlidstaat die voor de toekenning van sociale prestaties, zoals de betrokken sociale prestaties, vereist dat het verblijf van een onderdaan van een andere lidstaat op zijn grondgebied rechtmatig is, indirect discrimineert.
77
Blijkens vaste rechtspraak van het Hof moet een bepaling van nationaal recht immers als indirect discriminerend worden beschouwd wanneer zij naar haar aard onderdanen van andere lidstaten meer treft dan eigen onderdanen en derhalve meer in het bijzonder eerstgenoemden dreigt te benadelen (zie in die zin arrest van
13 april 2010, Bressol e.a., C‑73/08, EU:C:2010:181, punt 41
).
78
In het kader van het onderhavige beroep vereist de nationale regeling van aanvragers van de betrokken prestaties dat zij in het Verenigd Koninkrijk een verblijfsrecht hebben. Deze regeling leidt aldus tot een ongelijke behandeling van Britse onderdanen en onderdanen van andere lidstaten, daar aan een dergelijk woonplaatsvereiste gemakkelijker kan worden voldaan door de eigen onderdanen, die hun gewone verblijfplaats meestal in het Verenigd Koninkrijk hebben, dan door de onderdanen van andere lidstaten, die hun woonplaats daarentegen doorgaans in een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk hebben (zie naar analogie arrest van
13 april 2010, Bressol e.a., C‑73/08, EU:C:2010:181, punt 45
).
79
Een dergelijke indirecte discriminatie is slechts gerechtvaardigd wanneer zij geschikt is om de verwezenlijking van een legitieme doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken (zie in die zin met name arrest van
20 juni 2013, Giersch e.a., C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 46
).
80
In dit verband moet worden vastgesteld dat blijkens de rechtspraak van het Hof de noodzaak om de openbare middelen van de gastlidstaat te beschermen in beginsel rechtvaardigt dat kan worden gecontroleerd of het verblijf op het tijdstip waarop een sociale prestatie wordt toegekend aan met name personen uit andere lidstaten die economisch niet-actief zijn, rechtmatig is, daar die toekenning het totale bedrag van de door deze staat toekenbare steun zou kunnen beïnvloeden (zie in die zin met name arresten van
20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 44
;
15 maart 2005, Bidar, C‑209/03, EU:C:2005:169, punt 56
;
19 september 2013, Brey, C‑140/12, EU:C:2013:565, punt 61
, en
11 november 2014, Dano, C‑333/13, EU:C:2014:2358, punt 63
).
81
Wat de evenredigheid van het verblijfsrechtcriterium betreft, moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 92 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat wanneer de nationale autoriteiten in het kader van de toekenning van de betrokken sociale prestaties verifiëren of de aanvrager niet onrechtmatig op hun grondgebied verblijft, dit moet worden gezien als een verificatie van de rechtmatigheid van het verblijf van Unieburgers in de zin van artikel 14, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2004/38 en deze verificatie bijgevolg moet voldoen aan de vereisten van deze richtlijn.
82
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat Unieburgers en hun familieleden krachtens artikel 14, lid 2, van richtlijn 2004/38 het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 van deze richtlijn behouden zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden van die artikelen, kunnen de lidstaten zulks verifiëren. Volgens artikel 14, lid 2, van richtlijn 2004/38 geschiedt deze verificatie echter niet stelselmatig.
83
Uit de door het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting voor het Hof geformuleerde opmerkingen blijkt dat de aanvrager voor elk van de betrokken sociale prestaties op het aanvraagformulier een reeks gegevens moet vermelden waaruit blijkt of hij in het Verenigd Koninkrijk al dan niet een verblijfsrecht heeft. Deze gegevens worden vervolgens geverifieerd door de voor de toekenning van de betrokken prestatie bevoegde autoriteiten. Enkel in bijzondere gevallen wordt van de aanvragers verlangd dat zij het bewijs leveren dat hun verblijf op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk inderdaad rechtmatig is, zoals zij op het aanvraagformulier hebben verklaard.
84
Uit de gegevens waarover het Hof beschikt blijkt aldus dat, anders dan de Commissie betoogt, de controle van de eerbiediging van de bij richtlijn 2004/38 vastgelegde voorwaarden voor het bestaan van het verblijfsrecht, niet stelselmatig geschiedt en bijgevolg niet in strijd is met de vereisten van artikel 14, lid 2, van die richtlijn. Pas in geval van twijfel verrichten de Britse autoriteiten de nodige verificaties om na te gaan of de aanvrager al dan niet de voorwaarden van richtlijn 2004/38 vervult, met name die van artikel 7 ervan, en, bijgevolg, of hij rechtmatig op het grondgebied van deze lidstaat verblijft in de zin van die richtlijn.
85
In deze context heeft de Commissie, die het bestaan van de gestelde niet-nakoming dient aan te tonen en het Hof de bewijzen dient te verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van die niet-nakoming (zie met name arrest van
23 december 2015, Commissie/Griekenland, C‑180/14, EU:C:2015:840, punt 60
en aldaar aangehaalde rechtspraak), geen gegevens verschaft die aantonen dat een dergelijke controle niet voldoet aan de evenredigheidsvoorwaarden, dat deze niet geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bescherming van de openbare financiën te waarborgen en dat deze verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
86
Uit een en ander volgt dat het feit dat de nationale wettelijke regeling die in het kader van het onderhavige beroep aan de orde is, bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor toekenning van de betrokken sociale prestaties vereisen dat het verblijf van onderdanen van andere lidstaten die dergelijke prestaties aanvragen, op dat grondgebied rechtmatig is, geen bij artikel 4 van verordening nr. 883/2004 verboden discriminatie vormt.
87
Bijgevolg moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.