Opmerkingen vooraf
22
De verwijzende rechter stoelt zijn verzoek om een prejudiciële beslissing op de premisse dat de kaartbetalingsdiensten die Bookit verleent wanneer een persoon via Bookit een kaartje voor een Odeon-bioscoop koopt en daarvoor met een debet‑ of kredietkaart betaalt, een dienst is die onderscheiden en onafhankelijk is van de verkoop van dat kaartje.
23
Het Hof heeft echter al geoordeeld dat de bijkomende kosten die door een dienstverrichter aan zijn klanten worden aangerekend wanneer zij voor deze diensten betalen met een kredietkaart, een debetkaart, per cheque of in contanten aan het loket van een bank of aan de balie van een tussenpersoon die bevoegd is om de betaling namens deze dienstverrichter te ontvangen, geen tegenprestatie vormen voor een dienst die onderscheiden en onafhankelijk is van de hoofddienst waarvoor de betaling wordt verricht (zie in die zin arrest van
2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 32
).
24
In dat verband heeft het Hof om te beginnen overwogen dat de terbeschikkingstelling door de verrichter van een hoofddienst aan de klanten van een infrastructuur waardoor zij de prijs van deze dienst kunnen betalen, met name met een bankkaart, voor deze klanten geen doel op zichzelf is en de zogenaamde dienstverrichting waarover deze klanten niet kunnen beschikken zonder de hoofddienst te verwerven, uit het oogpunt van deze klanten geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van deze dienst (zie in die zin arrest van
2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 27
).
25
Vervolgens heeft het Hof daaraan toegevoegd dat de aanvaarding en de inning van een betaling intrinsiek samenhangen met elke onder bezwarende titel verrichte dienst en het inherent is aan een dergelijke dienst dat de dienstverrichter om betaling vraagt en de nodige inspanningen levert opdat de klant daadwerkelijk voor deze dienst kan betalen. In principe houdt elke methode van betaling van een dienst in dat de dienstverrichter bepaalde stappen onderneemt om de betaling te verwerken, al is het natuurlijk zo dat de omvang van deze stappen kan verschillen naargelang van de betalingsmethode (zie in die zin arrest van
2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 28
).
26
Ten slotte heeft het Hof erop gewezen dat een afzonderlijke vergoeding voor de zogenoemde financiële dienst, die apart is aangegeven in de overeenkomst en afzonderlijk gespecificeerd op de klantenfacturen, in dat verband niet beslissend is. Het feit dat één prijs in rekening wordt gebracht of dat afzonderlijke vergoedingen zijn overeengekomen, is namelijk niet bepalend voor het antwoord op de vraag of moet worden geconcludeerd dat er sprake is van twee of meer onderscheiden en onafhankelijke handelingen dan wel van één enkele economische handeling (zie in die zin arrest van
2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 29
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het aan de nationale rechter te beoordelen of de hem voorgelegde gegevens, in het licht van de economische en commerciële realiteit van de betrokken handelingen, kenmerkend zijn voor één enkele handeling, ongeacht hoe zij contractueel is uitgewerkt (zie in die zin arresten van
21 februari 2008, Part Service, C‑425/06, EU:C:2008:108, punt 54
, en van
20 juni 2013, Newey, C‑653/11, EU:C:2013:409, punten 42‑45
) en daarbij rekening te houden met alle omstandigheden waarin zij plaatsvindt (zie in die zin arrest van
2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 26
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Gelet op deze gegevens is het aan de verwijzende rechter na te gaan of de door Bookit geleverde kaartbetalingsdiensten in het hoofdgeding voor de toepassing van de btw moeten worden beschouwd als een bijkomende dienst bij de verkoop van de betrokken bioscoopkaartjes of als een bijkomende dienst bij een andere hoofddienst die Bookit levert aan de kaartjeskopers, bijvoorbeeld de reservering of de voorverkoop en de verkoop op afstand van bioscoopkaartjes, en dus als een dienst die met de hoofddienst één enkele prestatie vormt, zodat deze dienst het fiscale lot van de hoofdprestatie moet delen (zie in die zin arresten van
25 februari 1999, CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 32
, en van
16 april 2015, Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie, C‑42/14, EU:C:2015:229, punt 31
).
29
Onder dat voorbehoud zal het Hof in casu de uitlegging van het recht van de Unie verstrekken waarom de verwijzende rechter heeft verzocht.
Beantwoording van de vragen
30
Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de btw-vrijstelling in die bepaling van toepassing is op „kaartbetalingsdiensten”, zoals in het hoofdgeding aan de orde, die worden verleend door een belastingplichtige dienstverrichter wanneer een persoon via die dienstverrichter – die handelt in naam en voor rekening van een andere entiteit – een bioscoopkaartje koopt en dat kaartje betaalt met een debet‑ of kredietkaart.
31
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze kaartbetalingsdiensten bestaan uit de volgende stappen: om te beginnen verwerft de dienstverrichter van de koper de gegevens van de debet‑ of kredietkaart die de koper wenst te gebruiken en draagt de dienstverrichter deze gegevens over aan zijn merchant acquirer, die de gegevens weer doorzendt aan de emittent. Nadat de emittent de gegevens heeft ontvangen en aan de merchant acquirer door middel van toezending van een autorisatiecode heeft bevestigd dat de kaart geldig is en de benodigde middelen beschikbaar zijn, ontvangt de dienstverrichter via zijn merchant acquirer deze code, waardoor hij de verkooptransactie kan verrichten. Tot slot draagt de dienstverrichter aan het einde van de dag een afwikkelingsbestand over aan zijn merchant acquirer met een overzicht van alle verkooptransacties die in de loop van de dag daadwerkelijk zijn verricht en alle relevante gegevens van de gebruikte betaalkaarten, waaronder de autorisatiecodes, met het oog op de toezending door de merchant bank aan de verschillende betrokken emittenten, die vervolgens de betalingen of overmakingen naar deze merchant acquirer verrichten. De merchant acquirer maakt de betrokken middelen daarop over naar de rekening van de dienstverrichter.
32
Vooraf dient te worden opgemerkt dat in artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn de vrijstellingen zijn overgenomen die voorheen waren neergelegd in artikel 13, B, onder d), punten 1 tot en met 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG), zonder dat de wezenlijke inhoud is veranderd. De rechtspraak over deze bepalingen is dus nog steeds relevant voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de btw-richtlijn.
33
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormen de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn autonome begrippen van het Unierecht, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie arresten van
10 maart 2011, Skandinavska Enskilda Banken, C‑540/09, EU:C:2011:137, punt 19
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van
22 oktober 2015, Hedqvist, C‑264/14, EU:C:2015:718, punt 33
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Het is tevens vaste rechtspraak dat de bewoordingen die worden gebruikt ter omschrijving van deze vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, daar deze vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die onder bezwarende titel door een belastingplichtige wordt verricht (zie met name arresten van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 23
, en van
22 oktober 2015, Hedqvist, C‑264/14, EU:C:2015:718, punt 34
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor „handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen”.
36
De handelingen waarvoor krachtens deze bepaling vrijstelling wordt verleend, worden aldus bepaald aan de hand van de aard van de geleverde diensten en niet aan de hand van de verrichter of de ontvanger van de dienst. Aan de vrijstelling is dus niet de voorwaarde gekoppeld dat de handelingen worden verricht door een bepaald type instelling of rechtspersoon, mits de betrokken handelingen financiële handelingen zijn (zie arrest van
28 oktober 2010, Axa UK, C‑175/09, EU:C:2010:646, punt 26
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
In casu staat vast dat in het hoofdgeding enkel de vrijstelling voor „handelingen [...] betreffende [...] betalingen [en] overmakingen” van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn van toepassing kan zijn.
38
Daarover heeft het Hof al geoordeeld dat de overmaking een handeling is die bestaat in de uitvoering van een opdracht tot overboeking van een geldsom van de ene bankrekening naar de andere. Kenmerkend voor deze verrichting is met name dat zij een wijziging brengt in de rechtsbetrekking en de financiële relatie die bestaan tussen de opdrachtgever en de ontvanger enerzijds, en tussen hen en hun respectieve bank, en eventueel tussen de banken, anderzijds. Voorts bestaat de handeling die deze wijziging meebrengt, uitsluitend in de overboeking van geld van de ene naar de andere rekening, onafhankelijk van de oorzaak van deze overboeking. Aangezien de overmaking enkel een middel is om geld over te boeken, zijn de functionele factoren beslissend om uit te maken of een handeling een overmaking in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn is (zie in die zin arresten van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 53
, en van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 25
).
39
Bovendien sluiten de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn in beginsel niet uit dat de overmaking uit verschillende afzonderlijke diensten bestaat, die dan „handelingen betreffende” overmakingen in de zin van die bepaling zijn (zie in die zin arrest van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 64
). Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de betrokken vrijstelling zich kan uitstrekken tot diensten die niet intrinsiek een overmaking zijn, kan deze vrijstelling enkel gelden voor handelingen die over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van die overmakingen vervult (zie in die zin arrest van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punten 66‑68
).
40
Gelet op het voorgaande kunnen de betrokken diensten enkel als handelingen betreffende overmakingen in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn worden gekwalificeerd wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen dat de kenmerkende en essentiële functies van een overmaking vervult en derhalve tot een overmaking van geld leidt en juridische en financiële wijzigingen meebrengt. In dat verband moet de vrijgestelde dienst in de zin van de btw-richtlijn worden onderscheiden van het verrichten van een eenvoudige materiële of technische dienst. Daartoe moet in het bijzonder de omvang van de aansprakelijkheid van de dienstverrichter worden onderzocht, met name de vraag of deze aansprakelijkheid beperkt is tot de technische aspecten dan wel zich uitstrekt tot de kenmerkende en essentiële functies van de handelingen (zie in die zin arresten van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 66
, en van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 24
).
41
Daar de functionele aspecten doorslaggevend zijn bij de beslissing of een handeling een overmaking betreft in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, is de feitelijke of potentiële eigendomsoverdracht van de betrokken middelen als gevolg van de handeling in kwestie of het feit dat die handeling de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht vervult, het criterium aan de hand waarvan een handeling die leidt tot een overmaking van geld en juridische en financiële wijzigingen meebrengt in de zin van de rechtspraak die in de punten 38 tot en met 40 van dit arrest is aangehaald, die onder de vrijstelling valt, kan worden onderscheiden van een handeling zonder deze gevolgen, die derhalve niet onder de vrijstelling valt (zie in die zin arrest van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 33
).
42
De omstandigheid dat de betrokken dienstverrichter rechtstreeks een rekening debiteert en/of crediteert, of via boekingen in de rekeningen van een en dezelfde rekeninghouder tussenbeide komt, maakt het in beginsel mogelijk aan te nemen dat aan deze voorwaarde is voldaan en te concluderen dat de betrokken dienst is vrijgesteld (zie in die zin arrest van
13 maart 2014, ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punten 80, 81 en 85
), maar het enkele feit dat deze dienst een dergelijke taak niet rechtstreeks meebrengt, kan niet op voorhand uitsluiten dat hij onder de betrokken vrijstelling kan vallen, aangezien de in punt 38 van dit arrest genoemde uitlegging nog geen oordeel inhoudt over de wijze waarop overmakingen worden uitgevoerd (zie in die zin arrest van
13 maart 2014, ATP PensionService, C‑464/12, EU:C:2014:139, punt 80
).
43
Overigens gelden overwegingen met betrekking tot handelingen betreffende overmakingen volgens vaste rechtspraak van het Hof ook voor handelingen betreffende betalingen (zie in die zin arresten van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 50
, en van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 26
).
44
In casu moet worden opgemerkt dat uit de beschrijving in punt 31 van dit arrest blijkt dat een dienst die bestaat in de verwerking van kaartbetalingen, zoals in het hoofdgeding aan de orde, tot de uitvoering van een betaling of een overmaking leidt. Een dergelijke dienst kan worden gezien als onontbeerlijk voor de uitvoering ervan, aangezien het de overdracht van het afwikkelingsbestand door de dienstverrichter aan zijn merchant acquirer aan het einde van de dag is waardoor het proces van betaling of overmaking van de betrokken bedragen van de emittenten naar de merchant acquirer en uiteindelijk naar de rekening van die dienstverrichter in gang wordt gezet, en enkel die betalingen of overmakingen daadwerkelijk worden uitgevoerd waarvoor de benodigde gegevens in dat bestand zijn opgenomen, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing.
45
Aangezien, ten eerste, artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn strikt moet worden uitgelegd, rechtvaardigt het enkele feit dat een bepaalde dienst onontbeerlijk is om de vrijgestelde handeling te kunnen verrichten, nog niet de conclusie dat deze dienst is vrijgesteld (zie in die zin arresten van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 65
, en van
28 juli 2011, Nordea Pankki Suomi, C‑350/10, EU:C:2011:532, punt 31
).
46
Ten tweede kan noch de omstandigheid dat de dienstverrichter de gegevens van de betaalkaart verkrijgt van de koper die deze wenst te gebruiken, noch de overdracht ervan door die dienstverrichter aan zijn merchant acquirer, noch de ontvangst door de dienstverrichter van de autorisatiecode die door de emittent is afgegeven, noch de hernieuwde overdracht aan het einde van de dag door de dienstverrichter aan zijn merchant acquirer van een afwikkelingsbestand met onder meer de autorisatiecodes van de verrichte verkooptransacties op zich, of kunnen deze tezamen, worden beschouwd als een handeling die een kenmerkende en essentiële functie van een betaling of overmaking in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn vervult.
47
Gelet op deze beschrijving staat vast dat de verrichter van een dergelijke dienst de betrokken rekeningen niet rechtstreeks zelf debiteert noch crediteert, noch daarbij tussenbeide komt via boekingen, noch opdracht geeft tot een dergelijke debitering of creditering; het is immers de koper die beslist dat zijn rekening zal worden gedebiteerd ten gunste van de rekening van een derde door voor een aankoop zijn betaalkaart te gebruiken.
48
Bovendien zijn de afwikkelingsbestanden die een dienstverrichter aan zijn merchant acquirer toezendt, niets anders dan een verzoek om een elektronische betaling te ontvangen, zoals de Europese Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven. Het opnieuw overdragen van dat bestand aan het einde van de dag dient er enkel toe het betrokken betalingssysteem ervan in kennis te stellen dat een tevoren geautoriseerde verkooptransactie inderdaad is verricht. Die transmissie kan dus niet worden beschouwd als een handeling die de betrokken betaling of overmaking uitvoert of als een handeling die de kenmerkende en essentiële functies van een betaling of overmaking vervult. De omstandigheid dat een dergelijk bestand niet meer bevat dan nogmaals de gegevens en codes van de daadwerkelijk verrichte verkooptransacties, te weten de verkooptransacties waarvoor is bevestigd dat het door de klant gewenste kaartje beschikbaar was, speelt daarbij geen rol, want deze omstandigheid is inherent aan de aard van een dergelijk bestand.
49
Daarnaast moet worden onderstreept dat de autorisatiecode – die de dienstverrichter enkel aanvraagt, ontvangt en weer overdraagt, en over de afgifte waarvan hij dus geen controle heeft – in dat bestand enkel inhoudt dat de betrokken emittent, via de merchant acquirer, de dienstverrichter toestemming geeft voor de verkooptransactie, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing. Het gaat daarbij dus evenmin om een kenmerkende en essentiële functie voor de overdracht van de eigendom van de betrokken middelen. Of de dienstverrichter die code rechtstreeks van de emittent heeft verkregen of via zijn merchant acquirer is derhalve niet relevant voor de vraag of kaartbetalingsdiensten zoals in het hoofdgeding aan de orde onder de betrokken vrijstelling vallen.
50
Ten derde blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat de verrichter van een dergelijke dienst de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de juridische en financiële transformaties die kenmerkend zijn voor een handeling betreffende een overmaking of betaling die is vrijgesteld in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, en dus dat het gaat om kenmerkende en essentiële functies van de overmaking van middelen tussen de emittenten en de merchant acquirer, en vervolgens van de merchant acquirer naar de rekening van de dienstverrichter. Hoewel de verrichter van kaartverwerkingsdiensten zich jegens de koper en eventueel jegens de entiteit voor rekening waarvan hij de verkooptransactie verricht, sterk kan maken voor de correcte afwikkeling van deze verkooptransactie en van de verwerking van de daarmee verband houdende kaartbetaling, en dus voor de toereikende uitvoering van deze dienst, zoals Bookit in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, houdt deze verantwoordelijkheid niet in dat de dienstverrichter verantwoordelijk is voor de verwezenlijking van de juridische en financiële wijzigingen die kenmerkend zijn voor een vrijgestelde betaling of overmaking.
51
Uit het voorgaande vloeit voort dat de verrichter van kaartbetalingsdiensten, zoals in het hoofdgeding aan de orde, niet op een kenmerkende en essentiële manier deelneemt aan de juridische en financiële wijzigingen die een overdracht van de eigendom van de betrokken middelen uitmaken, aan de hand waarvan een handeling volgens vaste rechtspraak van het Hof kan worden gekenmerkt als een handeling betreffende een betaling of overmaking die is vrijgesteld uit hoofde van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, maar enkel de technische en administratieve middelen toepast waarmee hij gegevens kan vergaren en die aan zijn merchant acquirer kan mededelen en langs dezelfde weg de gegevens kan ontvangen waarmee hij een verkooptransactie kan verrichten en de bijbehorende middelen kan ontvangen.
52
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat de omstandigheid dat een dergelijke dienst automatisch wordt verricht en inzonderheid het feit dat de transmissie van het afwikkelingsbestand automatisch de betalingen of overmakingen in gang zet, geen verandering kan brengen in de aard van de geleverde dienst en dientengevolge niet van invloed is op de toepassing van de betrokken vrijstelling (zie in die zin arrest van
5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 37
).
53
De verwerking van kaartbetalingen zoals in het hoofdgeding aan de orde, zijnde een dienst die er in wezen in bestaat gegevens uit te wisselen tussen een handelaar en zijn merchant acquirer met het oog op de ontvangst van de betaling van een te koop aangeboden goed of een dienst, kan niet onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen vallen.
54
Overigens kan een dergelijke dienst niet worden beschouwd als een financiële handeling in de zin van artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn, tenzij wordt aangenomen dat elke handelaar die de nodige stappen zet om een betaling per debet‑ of kredietkaart te ontvangen, een financiële handeling in de zin van die bepalingen verricht, waardoor dat begrip zinledig zou worden en wat in zou gaan tegen het vereiste van een strikte uitlegging van de btw-vrijstellingen.
55
Daarnaast zou toekenning van de in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling voor een dienst die bestaat in de verwerking van kaartbetalingen, zoals in het hoofdgeding aan de orde, het door de vrijstelling van financiële verrichtingen nagestreefde doel doorkruisen, namelijk het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw en het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet (arrest van
19 april 2007, Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 24
, en beschikking van
14 mei 2008, Tiercé Ladbroke en Derby, C‑231/07 en C‑232/07, niet gepubliceerd, EU:C:2007:332, punt 24
).
56
Het in de belasting over de toegevoegde waarde betrekken van een dienst die bestaat in de verwerking van kaartbetalingen, zoals in het hoofdgeding aan de orde, levert evenwel geen moeilijkheden van die aard op. De maatstaf van heffing, die de tegenprestatie vormt die in ruil voor die dienst wordt ontvangen, namelijk de commissie die aan de koper van het kaartje in rekening wordt gebracht voor de dienst, kan gemakkelijk worden vastgesteld en een dergelijke handeling impliceert niet dat de dienstverrichter krediet verstrekt aan de koper. Een dergelijke dienst komt dus niet voor vrijstelling uit hoofde van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn in aanmerking.
57
Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de btw-vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen in die bepaling niet van toepassing is op een dienst bestaande in de „verwerking van debet‑ of kredietkaartbetalingen”, zoals in het hoofdgeding aan de orde, die wordt verleend door een belastingplichtige dienstverrichter wanneer een persoon via die dienstverrichter – die handelt in naam en voor rekening van een andere entiteit – een bioscoopkaartje koopt en dat kaartje betaalt met een debet‑ of kredietkaart.