Ten gronde
20
Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat de bewoordingen waarin de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd aangezien deze vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie arrest
BGŻ Leasing, C‑224/11, EU:C:2013:15, punt 56
).
21
Om de gestelde vraag te beantwoorden moet worden onderzocht of een activiteit in verband met de behandeling van schadegevallen zoals die wordt uitgeoefend door Aspiro, bestaat in het verrichten van „handelingen ter zake van verzekering” of is te beschouwen als „daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen” in de zin van artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn.
22
Wat in de eerste plaats handelingen ter zake van verzekering betreft, daarvoor wordt algemeen als kenmerkend aangenomen dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te verstrekken die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen (arresten
CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 17
, en
Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 39
).
23
Het Hof heeft gepreciseerd dat het begrip „handelingen ter zake van verzekering” niet enkel door de verzekeraars zelf verrichte handelingen omvat en in beginsel ruim genoeg is om ook de dekking van een verzekering te omvatten die wordt geboden door een belastingplichtige die zelf geen verzekeraar is, maar die in het kader van een collectieve verzekering zijn cliënten een dergelijke dekking verschaft door gebruik te maken van de diensten van een verzekeraar die het verzekerde risico op zich neemt. Dergelijke handelingen impliceren echter naar hun aard dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico’s door de verzekering worden gedekt, dat wil zeggen de verzekerde (zie arrest
Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punten 40 en 41
).
24
In het onderhavige geval heeft een dienstverrichter als Aspiro zich echter niet zelf tegenover de verzekerde ertoe verbonden, deze laatste de dekking van een risico te waarborgen, en is de dienstverrichter geenszins contractueel verbonden met de verzekerde.
25
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst ter zake van behandeling van schadegevallen zoals die door de verwijzende rechter is omschreven, weliswaar een essentieel onderdeel van de handeling ter zake van verzekering is doordat hij in casu de vaststelling van de aansprakelijkheid en van het bedrag van de schade en de beslissing om de verzekerde al dan niet schadeloos te stellen omvat, maar dat die dienst, die overigens wordt verricht aan de verzekeraar, geen handeling ter zake van verzekering kan zijn in de zin van artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn.
26
Die vaststelling vindt voor het overige steun in de noodzaak, zoals in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de uitzonderingen op het algemene btw-stelsel strikt uit te leggen.
27
Aan die constatering kan niet worden afgedaan door het argument van Aspiro en van de Poolse regering dat handelingen ter zake van verzekering voor de btw moeten worden behandeld als financiële diensten. Die vennootschap en die regering merken op dat aangezien diensten ter zake van de behandeling van schadegevallen een sleutelelement van de handeling ter zake van verzekering zijn, waarbij zij een gescheiden geheel vormen, zij in navolging van de voor financiële diensten gekozen oplossing in aanmerking moeten komen voor de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn. Deze visie vindt steun in het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 2006/112 wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten [COM(2007) 747 definitief], door de Commissie ingediend op 28 november 2007.
28
Dienaangaande heeft het Hof in een arrest waarin het om financiële instellingen ging, geoordeeld dat indien de verrichte diensten over het geheel genomen, in het betrokken geval informaticadiensten, een gescheiden geheel vormen en de kenmerkende en essentiële functies van de in artikel 135, lid 1, onder d) en f), van de btw-richtlijn omschreven financiële diensten vervullen, zij in aanmerking komen voor de in die bepaling neergelegde vrijstelling (zie in die zin arrest
SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 66
).
29
Het Hof heeft echter verklaard dat de analogie met financiële diensten op het gebied van handelingen ter zake van verzekeringen niet opgaat, en daarbij gewezen op de verschillen in bewoordingen tussen artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn, dat enkel doelt op handelingen ter zake van verzekering in eigenlijke zin, en artikel 135, lid 1, onder d) en f), van die richtlijn, dat doelt op handelingen „betreffende” of „inzake” bepaalde bankverrichtingen (zie in die zin arrest
Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 43
).
30
Aangezien voor het overige het in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde voorstel voor een richtlijn door de Raad niet is aangenomen, is het hoe dan ook volledig irrelevant voor de uitlegging van het geldende recht en kan het een uitlegging van artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn die naar analogie op die van artikel 135, lid 1, onder d) en f), van die richtlijn is gebaseerd, dus niet rechtvaardigen.
31
Bovendien moet worden vastgesteld dat het beginsel van fiscale neutraliteit aan de constatering in punt 25 van het onderhavige arrest niet afdoet. Zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan bij gebreke van een ondubbelzinnige bepaling de werkingssfeer van een vrijstelling op grond van dit beginsel niet worden uitgebreid. Dit beginsel is immers geen regel van primair recht waaraan de geldigheid van een vrijstelling kan worden getoetst, maar een uitleggingsbeginsel dat moet worden toegepast samen met het beginsel dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest
Deutsche Bank, C‑44/11, EU:C:2012:484, punt 45
).
32
In de tweede plaats moet worden onderzocht of de dienstverrichtingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn „[met verzekering] samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen” zijn en op die grond in aanmerking komen voor vrijstelling.
33
Wat „[met verzekering] samenhangende diensten” betreft is, zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de term „samenhangende” voldoende ruim om diverse verrichtingen te omvatten waarmee handelingen ter zake van verzekeringen tot stand komen, waaronder de afwikkeling van schadegevallen, die een van de voornaamste onderdelen van die handelingen vormt.
34
Aangaande de voorwaarde dat de betrokken handelingen moeten worden „verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen”, moet worden nagegaan of de activiteit van een dienstverrichter als Aspiro, die erin bestaat dat een onderneming namens en voor rekening van een verzekeringsmaatschappij schadegevallen afwikkelt, kan worden geacht te zijn verricht door dergelijke makelaars of tussenpersonen.
35
De omstandigheid dat Aspiro volgens de feitenomschrijving door de verwijzende rechterlijke instantie niet de hoedanigheid van assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon bezit, is in dit verband niet bepalend. De formele hoedanigheid van die vennootschap kan immers niet volstaan ter bepaling of haar activiteit al dan niet onder de werkingssfeer van de vrijstelling valt.
36
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, dient de inhoud zelf van de betrokken activiteiten te worden onderzocht (zie in die zin arresten
Arthur Andersen, C‑472/03, EU:C:2005:135, punt 32
;
Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punt 66
, en
J.C.M. Beheer, C‑124/07, EU:C:2008:196, punt 17
).
37
Voor dat onderzoek moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. In de eerste plaats moet de dienstverrichter in een betrekking staan met de verzekeraar en met de verzekerde (arrest
Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 44
). Die betrekking kan uitsluitend indirect zijn indien de dienstverrichter onderaannemer van de makelaar of van de tussenpersoon is (zie in die zin arrest
J.C.M. Beheer, C‑124/07, EU:C:2008:196, punt 29
). In de tweede plaats dient de activiteit van de dienstverrichter essentiële aspecten van de functie van verzekeringstussenpersoon te dekken, zoals het zoeken van nieuwe cliënten en het in contact brengen van die nieuwe cliënten met de verzekeraar (zie in die zin arrest
Arthur Andersen, C‑472/03, EU:C:2005:135, punten 33 en 36
).
38
De eerste van die voorwaarden wordt vervuld door een dienstverrichter als Aspiro. Deze staat immers in een rechtstreekse betrekking met de verzekeringsmaatschappij – hij verricht zijn activiteit namens en voor rekening van deze laatste – en hij staat in een rechtstreekse betrekking met de verzekerde in het kader van het onderzoek en het beheer van schadegevallen.
39
Aangaande daarentegen de tweede van voormelde voorwaarden, betreffende de diensten verricht door assurantiemakelaars of verzekeringstussenpersonen, deze diensten moeten verband houden met de aard zelf van het beroep van assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon, die bestaat in het zoeken van cliënten en het in contact brengen van die cliënten met de verzekeraar, met het oog op het sluiten van verzekeringsovereenkomsten (zie onder meer arresten
Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 45
;
Arthur Andersen, C‑472/03, EU:C:2005:135, punt 36
, en
J.C.M. Beheer, C‑124/07, EU:C:2008:196, punt 18
). In het geval van een onderaannemer is het van belang dat deze deelneemt aan het sluiten van verzekeringsovereenkomsten (zie in die zin arrest
J.C.M. Beheer, C‑124/07, EU:C:2008:196, punten 9 en 18
).
40
De activiteit waarbij schadegevallen worden geregeld namens en voor rekening van een verzekeraar, zoals die in het hoofdgeding, houdt geenszins verband met het zoeken van nieuwe cliënten en het in contact brengen van die cliënten met de verzekeraar met het oog op het sluiten van verzekeringsovereenkomsten.
41
Een dergelijke activiteit valt dus niet onder de handelingen „verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen” in de zin van artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn.
42
Evenals de diensten die aan de orde waren in de zaak waarin het arrest
Arthur Andersen (C‑472/03, EU:C:2005:135
) is gewezen, moeten de diensten ter zake van de behandeling van schadegevallen die worden verricht door een dienstverrichter als Aspiro niet worden beschouwd als de verrichting van diensten door een verzekeringstussenpersoon, maar als een splitsing van de activiteiten van verzekeringsmaatschappijen (zie in die zin arrest
Arthur Andersen, C‑472/03, EU:C:2005:135, punt 38
).
43
In die omstandigheden is het niet nodig om, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk doet, te verwijzen naar het begrip „verzekeringsbemiddeling” in artikel 2, lid 3, van richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PB 2003, L 9, blz. 3), of activiteiten van „assurantiemakelaar” en „verzekeringsagent” in artikel 2, lid 1, van richtlijn 77/92/EEG van de Raad van 13 december 1976 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (PB 1977, L 26, blz. 14), die richtlijn 2002/92 heeft vervangen. Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van haar conclusie opmerkt, beogen die richtlijnen het vrije verkeer van de betrokken diensten in de Unie te bevorderen en hebben zij een ander doel dan de btw-richtlijn. De betrokken definities kunnen dan ook niet als zodanig worden gebruikt om in het kader van de btw-richtlijn te bepalen welke handelingen van btw zijn vrijgesteld.
44
Bijgevolg is de handeling waarbij enkel de behandeling van schadegevallen wordt toevertrouwd aan een derde, zonder dat die uitbesteding verband houdt met het zoeken van nieuwe cliënten en het in contact brengen van die cliënten met de verzekeringsmaatschappij met het oog op het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, niet vrijgesteld van btw.
45
Blijkens het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten ter zake van de behandeling van schadegevallen zoals die in het hoofdgeding, die door een derde namens en voor rekening van een verzekeringsmaatschappij worden verricht, niet onder de in die bepaling voorziene vrijstelling vallen.