Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8
Hüttenwerke Krupp exploiteert een staalfabriek. Door middel van chemische reductie produceert zij op basis van ijzererts en cokes bij een hoge temperatuur in hoogovens ruwijzer.
9
De installatie omvat compressoren die worden aangedreven door elektrische motoren, met behulp waarvan omgevingslucht wordt gecomprimeerd en naar windverhitters geleid. De gecomprimeerde en daarna verwarmde lucht wordt vervolgens door andere blaastoestellen in een hoogoven geblazen, waar het ijzererts door toevoeging van koolmonoxide bij hoge temperatuur geleidelijk wordt omgevormd in ijzer (chemische reductie). De toevoer van hete perslucht is noodzakelijk om de chemische reductie in de hoogoven op gang te brengen en te houden.
10
Op 26 april 2013 heeft Hüttenwerke Krupp het Hauptzollamt krachtens § 9a StromStG verzocht om belastingvrijstelling voor 20 585,2 MWh elektriciteit die in november 2012 was verbruikt om een compressor aan te drijven. Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het Hauptzollamt dit verzoek afgewezen. Ook het door Hüttenwerke Krupp tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift werd afgewezen.
11
Tegen dit besluit heeft Hüttenwerke Krupp beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
12
Verzoekster stelt dat het in artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 genoemde begrip „elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” alle elektriciteit omvat die wordt verbruikt bij het proces van chemische reductie, zoals blijkt uit het woord „voor” in de bewoordingen van deze bepaling. Volgens haar omvat dit begrip het gehele proces van verwezenlijking van de chemische reductie, zonder dat verschil wordt gemaakt tussen de verschillende stappen van het proces. Ook het genereren en doorleiden van perslucht maken deel uit van het proces van chemische reductie, zonder welke dat proces niet mogelijk zou zijn.
13
Het Hauptzollamt daarentegen voert aan dat de elektriciteit rechtstreeks voor het chemische reductieproces moet worden gebruikt en niet in hulpinrichtingen voor andere productiestadia, zelfs wanneer deze inrichtingen onontbeerlijk zijn voor de productie van ruwijzer. De elektriciteit die wordt verbruikt in een compressor die in het proces voorafgaat aan de eigenlijke chemische reductie kan niet worden beschouwd als elektriciteit die rechtstreeks wordt gebruikt voor dat proces.
14
De verwijzende rechter geeft aan dat de beslechting van het geding voor hem afhangt van de uitlegging van de bewoordingen van § 9a, lid 1, StromStG, in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, waarbij artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 is omgezet.
15
De verwijzende rechter meent zelf dat het gebruik van gecomprimeerde en verwarmde omgevingslucht in een hoogoven een noodzakelijk bestanddeel uitmaakt van het hoogovenproces en dus ook van het chemischereductieproces, dat niet als een voorafgaand en reeds afgesloten deelproces kan worden beschouwd. Hij voegt daaraan toe dat de hete perslucht enkel wordt geproduceerd om een hoogoven te voorzien van een element dat absoluut noodzakelijk is voor de chemische reductie.
16
Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld.
„Moet artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 [...] met betrekking tot het hoogovenproces voor de vervaardiging van ruwijzer aldus worden uitgelegd dat ook elektriciteit voor de aandrijving van compressoren te beschouwen is als elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 aldus moet worden uitgelegd dat de elektriciteit die wordt verbruikt voor de werking van compressoren voor het genereren van perslucht die vervolgens wordt gebruikt in een hoogoven in het productieproces van ruwijzer door chemische reductie van ijzererts, elektriciteit is die „voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” in de zin van die bepaling.
18
Deze vraag houdt in feite de vraag in hoe nauw de band moet zijn tussen de elektriciteit en de chemische reductie om ervan uit te gaan dat de elektriciteit „voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” in de zin van artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96.
19
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 2, lid 4, onder b), van richtlijn 2003/96 een reeks energieproducten en elektriciteit die voor daarin vermelde doeleinden worden gebruikt, aan de werkingssfeer ervan onttrekt. Energieproducten en elektriciteit die onder deze bepaling vallen, zijn dus niet onderworpen aan belasting krachtens deze richtlijn.
20
Aldus is de in artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 genoemde „elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” onttrokken aan de werkingssfeer van deze richtlijn.
21
De gebruikelijke betekenis van de woorden „elektriciteit die [...] wordt gebruikt voor chemische reductie” in de verschillende taalversies van artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, suggereert dat een verwijderd verband tussen elektriciteitsverbruik en de chemische reductie niet volstaat om dat verbruik onder de werkingssfeer van deze bepaling te brengen, evenmin als het verbruik van elektriciteit dat niet is vereist om de chemische reductie tot een goed einde te brengen.
22
Niettemin kan op grond van de enkele bewoordingen van richtlijn 2003/96 niet worden bepaald of er een voldoende nauwe band is tussen de elektriciteit die wordt verbruikt voor een doel als in het hoofdgeding en de chemische reductie, in de zin van die bepaling.
23
Derhalve moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie met name arrest van
10 september 2014, Holger Forstmann Transporte, C‑152/13, EU:C:2014:2184, punt 26
).
24
In dat verband moet worden opgemerkt dat deze richtlijn krachtens artikel 2, lid 4, onder b), tweede streepje, ervan niet van toepassing is op duaal gebruik van energieproducten. Deze bepaling bevat een definitie van duaal gebruik van energieproducten, waaruit volgt dat een energieproduct een duaal gebruik kent wanneer het zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof wordt gebruikt. Het gebruik van energieproducten voor met name chemische reductie wordt als duaal gebruik beschouwd.
25
Artikel 2, lid 4, onder b), van richtlijn 2003/96 moet worden gelezen in het licht van overweging 22 ervan, die luidt dat op energieproducten in wezen een communautair regelgevingskader van toepassing moet zijn wanneer deze als verwarmingsbrandstof of als motorbrandstof worden gebruikt. Uit die overweging volgt ook dat ervan kan worden uitgegaan dat de aard en de logica van het belastingstelsel gebieden om met name vormen van duaal gebruik van energieproducten van de werkingssfeer van dit regelgevingskader uit te sluiten en dat elektriciteit die op vergelijkbare wijze wordt gebruikt, op dezelfde wijze dient te worden behandeld.
26
Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft uiteengezet, heeft de wetgever van de Unie er vanwege de inwisselbaarheid van energieproducten en elektriciteit voor gekozen om deze producten voor de afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 2003/96, en derhalve voor de heffing van de belasting overeenkomstig deze richtlijn, op dezelfde manier te behandelen. Door de materiële werkingssfeer van deze richtlijn op die manier af te bakenen kunnen namelijk op het niveau van de Europese Unie algemene minimumniveaus voor de belasting worden vastgesteld voor zowel energieproducten als elektriciteit en kan in laatste instantie de tweevoudige doelstelling van die richtlijn worden bereikt, zoals aangekondigd in de overwegingen 2 tot en met 6, 7, 11 en 12 ervan, te weten, aan de ene kant de goede werking van de interne markt in de energiesector zekerstellen en aan de andere kant de doelstellingen van het milieubeleid stimuleren.
27
Gelet op de overwegingen in de punten 25 en 26 van dit arrest moet worden opgemerkt dat een uitlegging van het begrip „elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” in artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 die ruimer is dan de uitlegging van het begrip „energieproducten [gebruikt] voor chemische reductie” in de zin van het tweede streepje van die bepaling, tot gevolg zou hebben dat energieproducten en elektriciteit die op vergelijkbare wijze worden gebruikt, voor de afbakening van de werkingssfeer niet meer op dezelfde wijze worden behandeld, zoals de wetgever van de Unie heeft gewenst.
28
Een dergelijke uitlegging zou ertoe leiden dat elektriciteit wordt onttrokken aan de belasting die bij richtlijn 2003/96 is vastgesteld, wat in het nadeel uitvalt van een energieproduct dat op vergelijkbare wijze wordt gebruikt en wél overeenkomstig die richtlijn wordt belast. Gelet op de inwisselbaarheid van energieproducten en elektriciteit zou deze uitlegging ertoe leiden dat het gebruik van elektriciteit wordt bevoordeeld ten opzichte van energieproducten, hetgeen uiteindelijk in strijd is met de tweevoudige doelstelling van richtlijn 2003/96, die in punt 26 van dit arrest in herinnering is gebracht.
29
In casu moet tevens nader worden verduidelijkt dat uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat de elektriciteit voor de werking van de compressor in de installatie die in het hoofdgeding aan de orde is op een andere manier wordt gebruikt dan om de elektrische motoren aan te drijven die nodig zijn voor het comprimeren van de omgevingslucht. De opmerkingen van Hüttenwerke Krupp stoelen eveneens op de premisse dat de elektriciteit in de omstandigheden die in het hoofdgeding aan de orde zijn, wordt verbruikt voor de werking van de compressor als aandrijvende kracht. Hüttenwerke Krupp heeft overigens ter terechtzitting op een vraag van het Hof geantwoord dat de perslucht uit de compressor inderdaad in de windverhitter wordt verwarmd voordat ze in de hoogoven wordt geblazen.
30
Gesteld dat de compressor niet was aangedreven door elektriciteit maar door een energieproduct, bijvoorbeeld gasolie, dan zou die gasolie niet onder het begrip energieproduct met „duaal gebruik” in de zin van artikel 2, lid 4, onder b), tweede streepje, eerste deel, van richtlijn 2003/96 vallen en aldus kunnen profiteren van de uitsluiting van de werkingssfeer van deze richtlijn, want het verbruik van dat energieproduct zou er enkel toe dienen een aandrijvende kracht te genereren, wat dus neerkomt op verbruik als motorbrandstof.
31
Om de redenen die in de punten 26 tot en met 28 van dit arrest zijn uiteengezet, kan het derde streepje van deze bepaling derhalve niet aldus worden uitgelegd dat de elektriciteit die wordt verbruikt voor dezelfde doeleinden als een dergelijk energieproduct uitgesloten is van de werkingssfeer van deze richtlijn, zonder dat de door de wetgever van de Unie gewenste gelijke behandeling van energieproducten en elektriciteit voor de afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 2003/96 wordt doorbroken.
32
Gelet op een en ander moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 4, onder b), derde streepje, van richtlijn 2003/96 aldus moet worden uitgelegd dat de elektriciteit die wordt verbruikt voor de werking van compressoren voor het genereren van perslucht die vervolgens wordt gebruikt in een hoogoven in het productieproces van ruwijzer door chemische reductie van ijzererts, geen elektriciteit is die „voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie” in de zin van die bepaling.