Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 september 2017
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 september 2017
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 13 september 2017
Uitspraak
Arrest van Het Hof (Derde kamer)
13 september 2017(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Toepassing van de socialezekerheidsregelingen - Migrerende werknemers - Vaststelling van de toe te passen wetgeving - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 14, lid 2, onder b), i) - Persoon die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen - Persoon die in een lidstaat in loondienst werkzaam is en een deel van zijn werkzaamheden in zijn woonlidstaat uitoefent”"
In zaak C‑570/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 30 oktober 2015, ingekomen bij het Hof op 5 november 2015, in de procedure
X
tegenStaatssecretaris van Financiën,
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 december 2016,
gelet op de opmerkingen van:
-
X, vertegenwoordigd door A. B. Bongers, belastingadviseur,
-
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en M. Noort als gemachtigden,
-
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en L. Van den Broeck als gemachtigden,
-
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 2017,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 2, onder a), en artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB 2008, L 177, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).
2 Dat verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen X en de Staatssecretaris van Financiën (Nederland) over een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„1.2.Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;
[...]”
4 Artikel 14 van deze verordening luidt als volgt:
„Ten aanzien van de toepassing van de in artikel 13, lid 2, onder a), neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden:
[...]
Op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, wordt de toepasselijke wetgeving als volgt vastgesteld:
[...]
op andere personen dan die bedoeld onder a) is van toepassing:
de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen of indien zij verbonden zijn aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende lidstaten hebben;
de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich bevindt, indien zij niet wonen op het grondgebied van een der staten waar zij hun werkzaamheden uitoefenen.
[...]”
5 Artikel 14 bis, lid 2, van dezelfde verordening bevat de volgende bepaling:
„Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de lidstaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent. [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6 In 2009 is X, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in dat jaar in België woonde, 1 872 uren voor een in Nederlandse gevestigde werkgever werkzaam geweest als accountmanager en relatiemanager telecommunicatie.
7 Van die 1 872 uren heeft hij 121 uren, dat wil zeggen ongeveer 6,5 % van het totale aantal arbeidsuren, in België gewerkt. Het betrof 17 uren die zijn besteed aan het bezoeken van klanten en 104 uren waarop belanghebbende thuis heeft gewerkt. De werkzaamheden in België werden niet volgens een vast patroon verricht en in het arbeidscontract was geen regeling getroffen over het verrichten van werkzaamheden in België.
8 De overige werkzaamheden die X in 2009, gedurende 1751 uren, voor zijn werkgever heeft verricht, waren werkzaamheden in Nederland, zowel op kantoor als tijdens bezoeken aan potentiële klanten.
9 Het geding van X tegen de Staatssecretaris van Financiën betreft de berekening van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2009.
10 Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (Nederland) heeft in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Nederland) geoordeeld dat X in 2009 louter incidenteel werkzaamheden in België heeft verricht. Het heeft daarop geconcludeerd dat die werkzaamheden bij het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving buiten beschouwing dienen te blijven en dat op grond van artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 voor het jaar 2009 uitsluitend de Nederlandse wetgeving toepasselijk is.
11 X heeft tegen die beslissing beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechterlijke instantie.
12 De Hoge Raad der Nederlanden heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
„Naar welke maatstaf of maatstaven moet worden beoordeeld welke wetgeving door verordening [...] nr. 1408/71 als toepasselijk wordt aangewezen in het geval van een in België wonende werknemer die het overgrote deel van zijn werkzaamheden voor zijn Nederlandse werkgever in Nederland verricht, en daarnaast 6,5 percent van die werkzaamheden in het desbetreffende jaar verricht in België, thuis en bij klanten, zonder dat daarbij sprake is van een vast patroon en zonder dat met zijn werkgever afspraken zijn gemaakt over het verrichten van werkzaamheden in België?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
13 Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon als in het hoofdgeding, die in loondienst werkzaam is voor rekening van een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever en die woont in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij in het betreffende jaar een deel van die werkzaamheden in loondienst – 6,5 % van zijn arbeidsuren – heeft verricht, zonder dat dit vooraf met zijn werkgever was overeengekomen, moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van die bepaling.
14 Er zij aan herinnerd dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71, waarvan artikel 14, lid 2, deel uitmaakt, volgens vaste rechtspraak van het Hof een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen, dat tot doel heeft de werknemers die zich binnen de Europese Unie verplaatsen onder de socialezekerheidsregeling van één lidstaat te brengen, teneinde te voorkomen dat meerdere nationale wettelijke regelingen toepasselijk zijn en dat daaruit complicaties kunnen voortvloeien (arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 Daartoe legt artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 het beginsel vast dat op de persoon die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont (zie in die zin arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 30 ).
16 Dat beginsel geldt echter „[o]nder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17” van verordening nr. 1408/71. In een aantal bijzondere gevallen zou strikte toepassing van de in artikel 13, lid 2, onder a), van die verordening neergelegde algemene regel immers ertoe kunnen leiden dat zowel voor de werknemer als voor de werkgever en de socialezekerheidsorganen juist administratieve complicaties worden geschapen in plaats van vermeden, waardoor de uitoefening van het vrije verkeer door de onder die verordening vallende personen zou kunnen worden belemmerd (arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 31 ).
17 Volgens artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1408/71 is op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont van toepassing, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op dat grondgebied uitoefent.
18 Uit die bepaling, waarmee wordt afgeweken van de algemene regel van aanknoping bij de werklidstaat, volgt dat voor toepassing ervan de voorwaarde geldt dat de belanghebbende op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen.
19 Dat vereiste veronderstelt dat de betrokken persoon gewoonlijk werkzaamheden van betekenis op het grondgebied van twee of meer lidstaten uitoefent (zie naar analogie arrest van 30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, EU:C:2000:169, punt 25 ).
20 Daarbij kan met de omstandigheid dat de betrokken persoon slechts af en toe werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat verricht voor de toepassing van artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1408/71 geen rekening worden gehouden.
21 Om te beoordelen of een persoon moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten pleegt uit te oefenen, of dat daarentegen slechts af en toe werkzaamheden zijn verdeeld over het grondgebied van meerdere lidstaten, moeten in het bijzonder de duur van de tijdvakken van de werkzaamheden en de aard van het werk zoals die zijn vastgelegd in de contractdocumenten alsook, in voorkomend geval, de daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden in de beschouwing worden betrokken (zie in die zin arresten van 12 juli 1973, Hakenberg, 13/73, EU:C:1973:92, punt 20 , en 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 44 ).
22 Voor de beoordeling of gewoonlijk en in aanzienlijke mate werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten worden uitgeoefend, moet erop worden gewezen dat het Hof in zijn arrest van 16 februari 1995, Calle Grenzshop Andresen (C‑425/93, EU:C:1995:37 ), heeft geoordeeld dat de situatie van een werknemer die in een lidstaat woont, die in dienst is van een onderneming waarvan de zetel zich in een andere lidstaat bevindt en die in het kader van die arbeidsverhouding een deel van zijn werkzaamheden geregeld – tien uren per week – in zijn woonlidstaat verricht, onder artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1408/71 valt.
23 Ook heeft het Hof geoordeeld dat een persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst ongeveer voor de helft van de tijd op het grondgebied van zijn woonlidstaat en voor de helft van de tijd op het grondgebied van een andere lidstaat verricht, moet worden geacht gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten te verrichten in de zin van artikel 14 bis van verordening nr. 1408/71 (zie in die zin arrest van 13 oktober 1993, Zinnecker, C‑121/92, EU:C:1993:840, punten 15‑18 ).
24 In de onderhavige zaak volgt uit de verwijzingsbeslissing dat in de arbeidsovereenkomst in het hoofdgeding niet was bepaald dat X werkzaamheden op het grondgebied van zijn woonlidstaat zou verrichten. Bovendien zou belanghebbende slechts ongeveer 6,5 % van het totaal van de door hem in het betrokken jaar gewerkte uren in die lidstaat, voornamelijk thuis, hebben gewerkt.
25 In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat een persoon zoals in het hoofdgeding gewoonlijk werkzaamheden van betekenis op het grondgebied van zijn woonlidstaat verricht.
26 Die vaststelling strookt met het in de bepalingen in titel II van verordening nr. 1408/71 neergelegde stelsel van conflictregels.
27 Zo volgt uit artikel 13, lid 2, onder a), van die verordening dat slechts van de algemene regel van aanknoping bij de werklidstaat moet worden afgeweken in bijzondere situaties, waarin een andere aanknopingsband geschikter blijkt te zijn.
28 Wanneer wordt aanvaard dat het feit dat een persoon van alle uren die hij over een jaar ten behoeve van zijn op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever heeft verricht, slechts 6,5 % van die uren op het grondgebied van een andere lidstaat, die zijn woonstaat is, heeft gewerkt, zonder dat dat vooraf met die werkgever was overeengekomen, toepassing van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kan rechtvaardigen, zou er in de eerste plaats aan voorbij worden gegaan dat aanknoping bij de woonlidstaat een afwijking van de regel vormt en zou in de tweede plaats het gevaar ontstaan dat de in titel II van die verordening neergelegde conflictregels worden ontweken, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie opmerkt.
29 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon als in het hoofdgeding, die in loondienst werkzaam is voor rekening van een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever en die woont in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij in het betreffende jaar een deel van die werkzaamheden in loondienst – 6,5 % van zijn arbeidsuren – heeft verricht, zonder dat dit vooraf met zijn werkgever was overeengekomen, niet moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van die bepaling.
Kosten
30 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 14, lid 2, onder b), i), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, moet aldus worden uitgelegd dat een persoon als in het hoofdgeding, die in loondienst werkzaam is voor rekening van een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever en die woont in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij in het betreffende jaar een deel van die werkzaamheden in loondienst – 6,5 % van zijn arbeidsuren – heeft verricht, zonder dat dit vooraf met zijn werkgever was overeengekomen, niet moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van die bepaling.
Bay Larsen
Vilaras
Malenovský
Safjan
Šváby
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 september 2017.
De griffier
A. Calot Escobar
De president van de Derde kamer
L. Bay Larsen