Opmerkingen vooraf
15
In het arrest van
6 juni 2013, Commissie/België (C‑383/10, EU:C:2013:364
), heeft het Hof vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de invoering en instandhouding van een regeling waarbij door niet-ingezeten banken betaalde interesten discriminatoir worden belast als gevolg van de toepassing van een belastingvrijstelling die uitsluitend voor door ingezeten banken betaalde interesten geldt, de krachtens artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
16
Naar aanleiding van dat arrest is die regeling aldus gewijzigd dat de belastingvrijstelling thans ook voor door niet-ingezeten banken betaalde interesten geldt.
17
Volgens het bij de wet van 25 april 2014 gewijzigde WIB 1992 kunnen deposanten slechts in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling indien de betrokken spaardepositoregeling voldoet aan bepaalde wettelijke vereisten, zoals in euro uitgedrukte spaardeposito’s, een beperking van de terugnemingen en opnemingen, alsook een wijze van berekening van de vergoeding waarbij deze bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie.
18
Het WIB 1992 bepaalt dat deposito’s die zijn ontvangen door kredietinstellingen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, aan analoge vereisten moeten voldoen zoals vastgesteld door de bevoegde overheidsinstanties van die andere lidstaat.
19
Volgens de memorie van toelichting bij de wet van 25 april 2014 moeten „de voorwaarden ‚analoog’ [...] zijn, [dat wil zeggen] dat de spaarboekjes aan dezelfde voorwaarden onderworpen moeten zijn als de basisvoorwaarden die in artikel 21, 5°, WIB 92 vermeld zijn”.
20
Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Belgische regering verklaard dat die tekst aldus moet worden begrepen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan door spaardeposito’s die worden aangehouden bij in een andere lidstaat dan België gevestigde banken, niet identiek hoeven te zijn aan die waaraan moet worden voldaan door spaardeposito’s die worden aangehouden bij in België gevestigde banken, maar dat het volstaat dat die voorwaarden analoog zijn.
21
Los van deze kwestie staat vast dat een spaardeposito bij een in België gevestigde bank of een in het buitenland gevestigde bank in ieder geval slechts de betrokken belastingvrijstelling kan genieten, indien het met name aan twee voorwaarden voldoet.
22
In de eerste plaats moet die spaarrekening worden onderworpen aan bepaalde beperkingen met betrekking tot de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming van die rekening en in de tweede plaats moet de vergoeding van die rekening uit een basisrente en een getrouwheidspremie bestaan.
23
De vraag van de verwijzende rechter moet in het licht van deze vaststellingen worden beantwoord.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
24
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 56 en 63 VWEU alsmede de artikelen 36 en 40 van de EER-Overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale belastingvrijstellingsregeling als die van artikel 21, 5°, WIB 1992, zoals gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, die weliswaar zonder onderscheid geldt voor inkomsten uit spaardeposito’s bij aanbieders van bankdiensten die in België zijn gevestigd of in een andere lidstaat van de EER, maar die is voorbehouden aan inkomsten uit spaardeposito’s bij banken die voldoen aan voorwaarden die de facto eigen zijn aan de nationale markt.
25
Voor de beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat een dergelijke nationale regeling onder de twee door de verwijzende rechter vermelde fundamentele vrijheden kan vallen, maar dat dit niet wegneemt dat de eventuele beperkende gevolgen van die regeling voor het vrije verkeer van kapitaal slechts het onvermijdelijke gevolg zijn van de eventuele beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting. Wanneer een nationale maatregel tegelijkertijd op meerdere fundamentele vrijheden betrekking heeft, onderzoekt het Hof de maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van één van deze vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de andere vrijheden volledig ondergeschikt zijn aan die ene en daarmee kunnen worden verbonden (zie naar analogie arresten van
8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C‑42/07, EU:C:2009:519, punt 47
, en
11 maart 2010, Attanasio Group, C‑384/08, EU:C:2010:133, punt 40
, en beschikking van
28 september 2016, Durante, C‑438/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:728, punt 14
).
26
Bijgevolg moet de betrokken belastingvrijstellingsregeling uitsluitend in het licht van artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst worden onderzocht.
27
Voorts moet worden vastgesteld dat bankdiensten diensten in de zin van artikel 57 VWEU zijn. Artikel 56 VWEU verzet zich tegen de toepassing van elke nationale regeling die een dienstverrichter zonder objectieve rechtvaardiging belemmert in de mogelijkheid de vrijheid van dienstverrichting daadwerkelijk uit te oefenen (zie in die zin arrest van
14 januari 2016, Commissie/Griekenland, C‑66/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:5, punt 22
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In casu wordt bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling voorzien in een belastingregeling die zonder onderscheid geldt voor vergoedingen van een spaardeposito die worden betaald door in België gevestigde banken en vergoedingen van een spaardeposito die worden betaald door in een andere lidstaat gevestigde banken.
29
Niettemin kan zelfs een nationale wettelijke regeling die – ongeacht de plaats waar de dienstverrichter is gevestigd – zonder onderscheid geldt voor alle diensten, een beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormen, wanneer op grond van die regeling een voordeel wordt voorbehouden aan gebruikers van diensten die voldoen aan bepaalde voorwaarden die de facto eigen zijn aan de nationale markt en dat voordeel derhalve wordt ontzegd aan gebruikers van andere in wezen soortgelijke diensten die niet voldoen aan de in die wettelijke regeling gestelde bijzondere voorwaarden. Een dergelijke wettelijke regeling tast immers de situatie van de gebruikers van de diensten als zodanig aan en kan hen dus ervan weerhouden de diensten van bepaalde dienstverrichters te gebruiken wanneer de door die dienstverrichters aangeboden diensten niet voldoen aan de in die wettelijke regeling gestelde voorwaarden, en kan bijgevolg de toegang tot de markt aan voorwaarden onderwerpen (zie in die zin arresten van
10 mei 1995, Alpine Investments, C‑384/93, EU:C:1995:126, punten 26‑28 en 35‑38
, en
10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punten 65
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Bijgevolg moet in de eerste plaats worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, hoewel zij zonder onderscheid van toepassing is, de vrijheid van dienstverrichting belemmert.
31
In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals is vermeld in Circulaire AAFisc nr. 22/2014, de deposito’s moeten voldoen aan de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde vereisten. In het bijzonder moeten opvragingen van deposito’s worden beperkt om deposito’s te onderscheiden van een rekening-courant en moet de vergoeding van de spaardeposito’s verplicht en uitsluitend bestaan uit een basisrente en een getrouwheidspremie.
32
Voorts blijkt uit de door de betrokkenen ter terechtzitting voor het Hof verstrekte toelichting dat in andere lidstaten van de EER dan het Koninkrijk België geen regeling inzake spaardeposito’s bestaat die voldoet aan de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde voorwaarden, met name aan de voorwaarden inzake de vergoeding van de spaardeposito’s. Die wijze van vergoeding lijkt een bijzonder kenmerk van de Belgische bankenmarkt te vormen.
33
Derhalve heeft de betrokken nationale regeling, hoewel zij zonder onderscheid geldt voor vergoedingen van spaarrekeningen die zijn geopend bij in België en in andere lidstaten van de EER gevestigde kredietinstellingen, tot gevolg dat Belgische ingezetenen de facto ervan worden weerhouden om gebruik te maken van de diensten van in die andere lidstaten gevestigde banken en om bij deze laatste banken spaarrekeningen te openen en aan te houden, aangezien de door deze banken betaalde interesten niet in aanmerking kunnen komen voor de betrokken belastingvrijstelling, met name doordat de vergoeding van de spaarrekeningen niet bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie.
34
Voorts kan die regeling houders van een spaarrekening bij een in België gevestigde bank die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling, ervan weerhouden hun spaartegoeden over te brengen naar een in een andere lidstaat gevestigde bank die geen rekeningen aanbiedt die aan deze voorwaarden voldoen.
35
Derhalve kan die regeling een in beginsel krachtens artikel 56, eerste alinea, VWEU verboden belemmering van de vrijheid van dienstverrichting vormen, doordat zij de toegang van in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, met name ten aanzien van de in punt 29 van het onderhavige arrest genoemde elementen.
36
In de tweede plaats moet worden nagegaan of die belemmering kan worden gerechtvaardigd door de redenen die de Belgische regering aanvoert.
37
Nationale maatregelen die de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, kunnen niettemin toelaatbaar zijn indien zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te verwezenlijken (zie met name arrest van
6 juni 2013, Commissie/België, C‑383/10, EU:C:2013:364, punt 49
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
De Belgische regering betoogt dat de betrokken regeling bijdraagt tot de bescherming van de consument. Zij benadrukt dat het daartoe noodzakelijk is dat Belgische ingezetenen over bestendige, beschermde, stabiele, voldoende en risicoloze spaartegoeden beschikken om hun grote of onvoorziene uitgaven te kunnen dekken.
39
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de bescherming van de consument een van de dwingende redenen van algemeen belang is die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting kunnen rechtvaardigen (zie met name arrest van
23 januari 2014, Commissie/België, C‑296/12, EU:C:2014:24, punt 47
).
40
Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokken wettelijke regeling aan een dergelijke dwingende reden van algemeen belang beantwoordt.
41
Voorts dient die rechter zich ervan te vergewissen dat de betrokken belastingregeling, in de veronderstelling dat daarmee daadwerkelijk een dergelijke doelstelling wordt nagestreefd, niet verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstelling en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is.
42
Ook al zou de betrokken regeling aan een reden van algemeen belang beantwoorden, doordat die regeling de facto de vrijstelling ontzegt aan alle inkomsten van de spaarrekeningen die beschikbaar zijn op de interne markt – met uitzondering van inkomsten van rekeningen die worden aangehouden bij in België gevestigde banken –, zij kan immers spaarrekeningen uitsluiten die zijn geopend bij bankinstellingen, met name bij andere dan Belgische bankinstellingen, die de verwezenlijking mogelijk maken van dezelfde doelstelling als die van die regeling, namelijk de bescherming van de consument. In het bijzonder kan uit geen van de voor het Hof aangevoerde argumenten worden afgeleid dat de toepassing van de in artikel 2 KB/WIB 1992 gestelde voorwaarden inzake de vergoeding van de deposito’s noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstelling.
43
Bijgevolg kan de bescherming van de consument niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de betrokken belemmering van de vrijheid van dienstverrichting.
44
Artikel 36 van de EER-Overeenkomst is vergelijkbaar met artikel 56 VWEU, zodat de in de punten 27 tot en met 43 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen inzake dit laatste artikel ook voor dat artikel 36 gelden.
45
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 56 VWEU en artikel 36 van de EER-Overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, waarbij wordt voorzien in een nationale belastingvrijstellingsregeling, voor zover deze laatste regeling – hoewel zij zonder onderscheid geldt voor inkomsten uit spaardeposito’s bij aanbieders van bankdiensten die in België zijn gevestigd of in een andere lidstaat van de EER – de toegang van in andere lidstaten gevestigde dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.