Eerste vraag
12
Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn, op grond waarvan „bepaalde culturele diensten” worden vrijgesteld, aldus moet worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft en dus, wanneer het niet in nationaal recht is omgezet, rechtstreeks kan worden ingeroepen door een publiekrechtelijke culturele instelling of door een andere culturele instelling die door de betrokken lidstaat wordt erkend en die culturele diensten verricht.
13
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat particulieren zich in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, voor de nationale rechter tegenover de staat op die bepalingen kunnen beroepen wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten, dan wel dit op onjuiste wijze heeft gedaan (zie onder meer arresten van
19 januari 1982, Becker, 8/81, EU:C:1982:7, punt 25
; van
15 januari 2014, Association de médiation sociale, C‑176/12, EU:C:2014:2, punt 31
, en van
7 juli 2016, Ambisig, C‑46/15, EU:C:2016:530, punt 16
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14
In artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn is zoals gezegd een vrijstelling neergelegd voor „bepaalde culturele diensten”. Die bepaling preciseert dus niet, welke culturele diensten de lidstaten dienen vrij te stellen. Zij bevat noch een uitputtende lijst van vrij te stellen diensten, noch verplicht zij de lidstaten om alle culturele diensten vrij te stellen, maar spreekt enkel van „bepaalde” van die diensten. Die bepaling laat het derhalve aan de lidstaten over, te bepalen welke culturele diensten voor die vrijstelling in aanmerking komen.
15
BFI betoogt onder verwijzing naar de rechtsprak van het Hof volgens welke de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, autonome begrippen van Unierecht zijn die dienen te voorkomen dat het btw-stelsel door de lidstaten uiteenlopend wordt toegepast (zie onder meer arrest van
21 februari 2013, Žamberk, C‑18/12, EU:C:2013:95, punt 17
), dat de uitdrukking „bepaalde culturele diensten” aldus moet worden uitgelegd dat zij doelt op alle culturele diensten die worden verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend, zodat zij voldoende duidelijk en nauwkeurig is.
16
Een dergelijke uitlegging strookt echter niet met de gangbare betekenis van de in artikel 13, A, lid 1, onder n), gebruikte term „bepaalde” en ontneemt het gebruik van de term in die bepaling zijn nuttig effect.
17
Bovendien kan de door BFI voorgestane uitlegging ertoe leiden dat over die term wordt heengestapt en dat de draagwijdte van de uit die bepaling voortvloeiende vrijstelling wordt uitgestrekt tot alle culturele diensten, in strijd met de rechtspraak van het Hof volgens welke de termen die worden gebruikt om de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, van die richtlijn aan te duiden eng moeten worden uitgelegd (zie in die zin arresten van
14 juni 2007, Horizon College, C‑434/05, EU:C:2007:343, punt 16
; van
22 oktober 2015, Hedqvist, C‑264/14, EU:C:2015:718, punten 34 en 35
, en van
25 februari 2016, Commissie/Nederland, C‑22/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:118, punt 20
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
Ook volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, anders dan BFI betoogt, het vereiste om de eenvormige toepassing van de vrijstellingen van dat artikel 13, A, lid 1, te waarborgen geen absoluut vereiste is. De in genoemd artikel bedoelde vrijstellingen zijn immers weliswaar autonome begrippen van Unierecht, waarmee moet worden voorkomen dat het btw-stelsel per lidstaat uiteenlopend wordt toegepast, maar de wetgever van de Europese Unie kan de omschrijving van bepaalde begrippen van een vrijstelling aan de lidstaten overlaten (zie in die zin arresten van
28 maart 1996, Gemeente Emmen, C‑468/93, EU:C:1996:139, punt 25
; van
4 mei 2006, Abbey National, C‑169/04, EU:C:2006:289, punten 38 en 39
, en van
9 december 2015, Fiscale Eenheid X, C‑595/13, EU:C:2015:801, punt 30
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
De letterlijke uitlegging van artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van die richtlijn en door de door de wetgever van de Unie nagestreefde doelstellingen.
20
Zoals de advocaat-generaal in de punten 20 en 21 van zijn conclusie opmerkt, heeft de wetgever van de Unie het oorspronkelijke voorstel van de Commissie om een uitputtende lijst van de voor vrijstelling van btw in aanmerking komende culturele diensten op te stellen (zie het voorstel voor een Zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag [COM(73) 950 def. van 20 juni 1973]) niet gevolgd, maar door het gebruik van de termen „bepaalde culturele diensten” geopteerd voor een formulering van die vrijstelling die de lidstaten de mogelijkheid biedt, te bepalen welke culturele diensten zij vrijstellen.
21
Zoals de Commissie in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft beklemtoond, heeft zij nadien weliswaar voorgesteld om de oorspronkelijke tekst van artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn te vervangen door een uitputtende lijst van vrijgestelde culturele diensten (zie het voorstel voor een Negentiende richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting houdende wijziging van richtlijn 77/388/EEG – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag [COM(84) 648 def. van 5 december 1984]), maar heeft de wetgever die oorspronkelijke tekst, die het volgens de analyse in haar eerste verslag aan de Raad over de werking van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, ingediend op grond van artikel 34 van de Zesde richtlijn 77/388 [COM(83) 426 def., van 14 september 1983] aan de beoordeling van elke lidstaat overlaat om de inhoud van die vrijstelling te bepalen, gehandhaafd.
22
Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan het besluit van de wetgever van de Unie om de lidstaten een beoordelingsmarge te laten bij de bepaling van de vrijgestelde culturele diensten, worden verklaard doordat de culturele tradities en het regionale erfgoed binnen de Europese Unie en soms zelfs binnen een en dezelfde lidstaat zeer uiteenlopend zijn.
23
Geconstateerd moet dan ook worden dat artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn, waar het spreekt van „bepaalde culturele diensten”, niet verlangt dat alle culturele diensten worden vrijgesteld, zodat de lidstaten „bepaalde” van die diensten kunnen vrijstellen en andere aan btw kunnen onderwerpen.
24
Voor zover die bepaling de lidstaten een beoordelingsmarge laat voor de bepaling van de vrijgestelde culturele diensten, voldoet zij niet aan de voorwaarden waaraan zij volgens de in punt 14 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak zou moeten voldoen om voor de nationale rechterlijke instanties rechtstreeks te kunnen worden ingeroepen.
25
Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de overwegingen in de punten 34 tot en met 37 van het arrest van
17 februari 2005, Linneweber en Akritidis (C‑453/02 en C‑462/02, EU:C:2005:92
), en in de punten 59 tot en met 61 van het arrest van
28 juni 2007, JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies (C‑363/05, EU:C:2007:391
), dat een eventuele beoordelingsmarge van de lidstaten de rechtstreekse werking van de betrokken vrijstellingen niet noodzakelijkerwijs uitsluit.
26
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen te kennen heeft gegeven, heeft de uit het arrest van
17 februari 2005, Linneweber en Akritidis (C‑453/02 en C‑462/02, EU:C:2005:92
), voortvloeiende rechtspraak namelijk betrekking op de mogelijkheid voor de lidstaten, de toepassingsvoorwaarden voor een vrijstelling te bepalen, en niet op de beoordelingsmarge waarmee zij de omvang van een vrijstelling kunnen bepalen, zoals onder meer blijkt uit de bewoordingen „bepaalde culturele diensten” in artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn.
27
Aangaande het arrest van
28 juni 2007, JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies (C‑363/05, EU:C:2007:391
), moet worden opgemerkt dat artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn van de in die zaak aan de orde vrijstelling verschilt doordat het slechts de vrijstelling van „bepaalde” culturele diensten verlangt.
28
Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13, A, lid 1, onder n), van de Zesde richtlijn, op grond waarvan „bepaalde culturele diensten” worden vrijgesteld, aldus moet worden uitgelegd dat het geen rechtstreekse werking heeft en dus, wanneer het niet in nationaal recht is omgezet, niet rechtstreeks kan worden ingeroepen door een publiekrechtelijke culturele instelling of door een andere culturele instelling die door de betrokken lidstaat wordt erkend en die culturele diensten verricht.