Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
A‑Rosa, met zetel in Duitsland, exploiteert met name twee cruiseschepen op de Rhône en de Saône (Frankrijk), waarop respectievelijk 45 en 46 seizoenarbeiders uit andere lidstaten dan Frankrijk hotelwerkzaamheden verrichten. De twee schepen varen uitsluitend op de Franse binnenwateren.
23
A‑Rosa heeft een filiaal in Zwitserland dat verantwoordelijk is voor het beheer van alles wat te maken heeft met de scheepsactiviteiten, het beheer, de administratie en het personeel, te weten de op de schepen ingezette werknemers. In dat verband vallen alle arbeidsovereenkomsten van de seizoenarbeiders onder het Zwitserse recht.
24
Bij een controle van de twee schepen op 7 juni 2007 heeft Urssaf onregelmatigheden vastgesteld ten aanzien van de sociale verzekering van de werknemers die de hotelwerkzaamheden verrichten. Die vaststelling heeft geleid tot een op 22 oktober 2007 aan A‑Rosa betekende navordering ten bedrage van 2 024 123 EUR wegens achterstallige sociale bijdragen volgens het Franse socialezekerheidsstelsel voor de periode van 1 april 2005 tot en met 30 september 2007.
25
Tijdens die controles heeft A‑Rosa een eerste reeks E 101‑verklaringen, betreffende 2007, overgelegd, die krachtens artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 door het Zwitserse socialezekerheidsorgaan waren afgegeven.
26
A‑Rosa heeft de navordering aangevochten bij de Tribunal des affaires de sécurité sociale du Bas-Rhin (rechter in eerste aanleg voor socialezekerheidsaangelegenheden Bas-Rhin, Frankrijk). Dat beroep werd bij vonnis van 9 februari 2011 verworpen. Die rechter heeft namelijk geoordeeld dat de activiteit van A‑Rosa volledig op het Franse grondgebied was gericht, en daar op vaste, stabiele en voortgezette wijze werd uitgeoefend, zodat A‑Rosa zich niet kon beroepen op het door haar in het kader van haar beroep aangevoerde artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1408/71, aangezien die bepaling de bijzondere situatie van de detachering van werknemers regelt.
27
A‑Rosa heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Cour d’appel de Colmar (rechter in tweede aanleg Colmar, Frankrijk).
28
Bij brief van 27 mei 2011 heeft Urssaf het Zwitserse socialezekerheidsorgaan verzocht de E 101‑verklaringen in te trekken, waarbij zij met name betoogde dat die verklaringen niet op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 hadden mogen worden opgesteld aangezien de betrokken schepen permanent en uitsluitend in Frankrijk voeren, zodat voor de werknemers die specifiek voor het verrichten van werkzaamheden aan boord van die schepen waren aangeworven, periodieke aangiftes hadden moeten worden gedaan bij de Franse socialezekerheidsinstanties.
29
Bij brief van 18 augustus 2011 heeft het Zwitserse socialezekerheidsorgaan op dit verzoek geantwoord door er met name op te wijzen dat zij A‑Rosa had opgedragen de socialezekerheidsbijdragen overeenkomstig het recht van het desbetreffende land in te houden voor de personen die daadwerkelijk in slechts één lidstaat van de Unie werken, en door Urssaf, gelet op het feit dat alle socialezekerheidsbijdragen over 2007 voor die personen in Zwitserland waren ingehouden en betaald, te verzoeken om af te zien van een correctie waarbij het Franse socialezekerheidsstelsel met terugwerkende kracht op die personen van toepassing zou worden verklaard.
30
Tijdens de procedure in hoger beroep heeft A‑Rosa een tweede reeks E 101‑verklaringen, betreffende 2005 en 2006, overgelegd, die eveneens door het Zwitserse socialezekerheidsorgaan op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 waren afgegeven.
31
Het door A‑Rosa ingestelde hoger beroep werd grotendeels verworpen bij het arrest van 12 september 2013 van de Cour d’appel de Colmar. Hoewel die vennootschap zich beriep op de door haar overgelegde E 101‑verklaringen, heeft deze rechter in dat verband, na te hebben opgemerkt dat die verklaringen niet waren opgesteld op grond van artikel 14, lid 1, onder a), van verordening nr. 1408/71 – waarop A‑Rosa betoogde zich te baseren – maar wel op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van die verordening, en dat die verklaringen door A‑Rosa waren overgelegd in twee delen, een eerste tijdens de controle door Urssaf en een tweede na de beslissing van de Tribunal des affaires de sécurité sociale du Bas-Rhin, geoordeeld dat de werknemers wier loon het voorwerp van de naheffing vormde, hun activiteiten alleen op het Franse grondgebied uitoefenden, zodat A‑Rosa niet had aangetoond dat er sprake was van uitzonderingen die het haar mogelijk maakten zich te onttrekken aan het in artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 vastgestelde territorialiteitsbeginsel.
32
A‑Rosa heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Frankrijk). Deze rechter betwijfelt, op basis van de door de Cour d’appel de Colmar gedane vaststellingen, of aan de afgifte van een E 101‑verklaring door de bevoegde instelling van een lidstaat op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 gevolgen zijn verbonden die de rechtspraak van het Hof gewoonlijk verbindt aan een dergelijke verklaring, wanneer de voorwaarden waaronder de in die verklaring bedoelde werknemer zijn activiteiten op het grondgebied van een lidstaat verricht, duidelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van de uitzonderingsregelingen van dat artikel 14 vallen.
33
Daarom heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Geldt het gevolg verbonden aan de E 101‑verklaring die, door het orgaan aangewezen door de overheid van de lidstaat waarvan de socialezekerheidswetgeving van toepassing blijft op de situatie van de werknemer, is afgegeven overeenkomstig artikel 11, lid 1, en artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. [574/72], ook voor de organen en autoriteiten van de ontvangende [lid]staat [en] voor de rechterlijke instanties van bedoelde lidstaat, wanneer wordt vastgesteld dat de omstandigheden waarin de werknemer zijn activiteiten verricht kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van de uitzonderingsbepalingen van artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/71 vallen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
34
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. 574/72 aldus moet worden uitgelegd dat een E 101‑verklaring die door het orgaan aangewezen door de bevoegde overheid van een lidstaat is afgegeven op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, zowel de socialezekerheidsorganen van de lidstaat waar het werk wordt verricht als de rechterlijke instanties van die lidstaat bindt, zelfs indien zij vaststellen dat de voorwaarden waaronder de betrokken werknemer zijn activiteit uitoefent, kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van die bepaling van verordening nr. 1408/71 vallen.
35
Vooraf zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. In dit kader is het Hof uitsluitend bevoegd zich over de uitlegging of geldigheid van het Unierecht uit te spreken tegen de achtergrond van de situatie, feitelijk en rechtens, zoals zij door de verwijzende rechter is beschreven, om deze laatste de elementen aan de hand te doen die nuttig zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding (arrest van
28 juli 2016, Kratzer, C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 27
).
36
Bijgevolg vormen de door de verwijzende rechter gedane vaststellingen de basis voor het antwoord op de door hem gestelde vraag, zoals zij in punt 34 van het onderhavige arrest is geherformuleerd, en loopt deze derhalve niet vooruit op de vraag of de betrokken werknemers binnen de werkingssfeer van artikel 14 van verordening nr. 1408/71 vallen en evenmin op de vraag welke wetgeving van toepassing is op dergelijke werknemers.
37
Er zij aan herinnerd dat de E 101‑verklaring – evenals de regeling van materieel recht van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 – ertoe strekt het vrije verkeer van werknemers en het vrije verrichten van diensten te vergemakkelijken (zie naar analogie arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 20
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Met deze verklaring bevestigt het bevoegde orgaan van de lidstaat waar het bedrijf dat de werknemers tewerkstelt is gevestigd, dat deze werknemers aan zijn eigen socialezekerheidsregeling onderworpen blijven. Nu in beginsel de werknemers bij één enkele socialezekerheidsregeling moeten zijn aangesloten, impliceert deze verklaring noodzakelijkerwijs dat de regeling van de andere lidstaat niet van toepassing kan zijn (arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 21
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In dat verband moet worden opgemerkt dat op grond van het beginsel van loyale samenwerking, neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU, het afgevende orgaan verplicht is, de feiten die voor de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de geldende socialezekerheidsregeling relevant zijn, juist te beoordelen en derhalve de juistheid van de gegevens in de E 101‑verklaring te garanderen (arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 22
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Aangaande het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de arbeid wordt verricht, volgt uit de samenwerkingsverplichtingen van artikel 4, lid 3, VEU eveneens dat aan die verplichtingen niet is voldaan – en dat de doelstellingen van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. 574/72 zijn geschonden – indien het orgaan van die lidstaat zich op het standpunt stelt dat het niet gebonden is aan de gegevens in de E 101‑verklaring, en die werknemers ook aan zijn eigen socialezekerheidsregeling onderwerpt (zie naar analogie arrest van
30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, EU:C:2000:169, punt 39
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Aangezien de E 101‑verklaring een vermoeden creëert dat de betrokken werknemer regelmatig is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, is zij dus bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht (zie in die zin arrest van
30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, EU:C:2000:169, punt 40
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Zo niet, zou inbreuk worden gemaakt op het beginsel dat werknemers slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, alsmede op de voorzienbaarheid van de toepasselijke regeling en, dientengevolge, op de rechtszekerheid. Indien moeilijk te bepalen was welke de toepasselijke regeling is, zou elk van de bevoegde organen van de twee betrokken lidstaten immers geneigd zijn aan te nemen dat zijn eigen socialezekerheidsregeling van toepassing is, met alle nadelige gevolgen van dien voor de betrokken werknemers (arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 25
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Zolang de E 101‑verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer arbeid verricht er dus rekening mee te houden dat de werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat dit orgaan de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen (arrest van
30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, EU:C:2000:169, punt 42
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Het bevoegde orgaan van de lidstaat die de E 101‑verklaring heeft afgegeven, dient echter de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en de verklaring zo nodig in te trekken, wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer arbeid verricht twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan die verklaring ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 (zie naar analogie arrest van
30 maart 2000, Banks e.a., C‑178/97, EU:C:2000:169, punt 43
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Indien de betrokken organen het niet eens worden over, met name, de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie, en derhalve over de vraag of die situatie onder artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 valt, staat het hun vrij de zaak voor te leggen aan de Administratieve Commissie (zie naar analogie arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 28
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Slaagt de Administratieve Commissie er niet in, de standpunten van de bevoegde organen over de in het betrokken geval toepasselijke wettelijke regeling met elkaar te verzoenen, dan staat het de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken werknemer een werk uitvoert, in ieder geval vrij, met behoud van eventuele mogelijkheden van beroep in rechte in de lidstaat van het afgevende orgaan, een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 259 VWEU in te leiden, en aldus het Hof de mogelijkheid te bieden in een dergelijk beroep de vraag betreffende de op die werknemer toepasselijke wettelijke regeling en dus ook de juistheid van de gegevens in de E 101‑verklaring te onderzoeken (arrest van
10 februari 2000, FTS, C‑202/97, EU:C:2000:75, punt 58
).
47
Zo het bevoegde nationale orgaan van de lidstaat van ontvangst van de betrokken werknemer een E 101‑verklaring ongeldig kon laten verklaren door een rechterlijke instantie van die lidstaat, zou het op de loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de lidstaten gebaseerde stelsel in gevaar kunnen komen (arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 30
).
48
Uit het voorgaande volgt dat de E 101‑verklaring, zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, geldt in de interne rechtsorde van de lidstaat waarheen de werknemer zich begeeft om een werk uit te voeren, en dan ook de organen van die lidstaat bindt (zie in die zin arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 31
).
49
Hieruit volgt dat een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst niet bevoegd is de geldigheid na te gaan van een E 101‑verklaring uit het oogpunt van de feiten op grond waarvan deze verklaring is afgegeven (zie in zin arrest van
26 januari 2006, Herbosch Kiere, C‑2/05, EU:C:2006:69, punt 32
).
50
Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat, aangezien de E 101‑verklaring voor het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst bindend is, niet kan worden aanvaard dat de persoon die van de diensten van een werknemer gebruikmaakt, met die verklaring geen rekening zou houden. Heeft hij twijfels over de geldigheid van de verklaring, dan dient deze persoon echter het betrokken orgaan daarvan op de hoogte te stellen (arrest van
9 september 2015, X en Van Dijk, C‑72/14 en C‑197/14, EU:C:2015:564, punt 42
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Bijgevolg is een overeenkomstig artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. 574/72 door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven E 101‑verklaring, terwijl volgens de organen en rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht de betrokken werknemers niet binnen de werkingssfeer van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 vallen, verbindend voor zowel die organen en rechterlijke instanties als de persoon die beroep doet op de diensten van die werknemers.
52
De omstandigheid dat de betrokken werknemers kennelijk niet binnen de werkingssfeer van dat artikel 14 vallen, heeft geen enkele invloed op de bovenstaande overwegingen.
53
Immers, aangezien het Hof middels zijn rechtspraak de procedure heeft vastgelegd die moet worden gevolgd voor de beslechting van eventuele geschillen tussen de organen van de betrokken lidstaten over de geldigheid of correctheid van een E 101‑verklaring, zijn de organen van de lidstaten die de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72 moeten toepassen, met inbegrip van de Zwitserse Bondsstaat ingevolge de overeenkomst EG-Zwitserland, verplicht om deze procedure in acht te nemen, ook al zou zijn gebleken dat de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van de bepaling vallen op grond waarvan de E 101‑verklaring werd afgegeven.
54
In dat verband kunnen de door de Franse regering en Urssaf aangevoerde argumenten met betrekking tot de inefficiëntie van die procedure en de noodzaak om oneerlijke concurrentie en sociale dumping tegen te gaan, geenszins rechtvaardigen dat die procedure wordt geschonden, en a fortiori, dat wordt beslist om geen rekening te houden met een door het bevoegde orgaan van een andere lidstaat afgegeven E 101‑verklaring.
55
Dergelijke argumenten kunnen evenmin worden beschouwd als rechtvaardiging om in omstandigheden als in het hoofdgeding de rechtspraak van het Hof in dat verband te wijzigen.
56
Om te beginnen vloeit in het kader van het hoofdgeding uit het aan het Hof overgelegde dossier immers voort dat de Franse autoriteiten de mogelijkheid van dialoog met het Zwitserse socialezekerheidsorgaan niet hebben uitgeput, en zelfs niet hebben getracht om de zaak aan de Administratieve Commissie voor te leggen, zodat de feiten aan de oorsprong van dit geschil niet van aard zijn om de gestelde tekortkomingen van de door de rechtspraak van het Hof vastgelegde procedure aan het licht te brengen, of de onmogelijkheid aan te tonen om eventuele situaties van oneerlijke mededinging of sociale dumping op te lossen, zoals de advocaat-generaal in de punten 75 en 82 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
57
Vervolgens moet worden opgemerkt dat besluit nr. 181 de rechtsbeginselen heeft overgenomen die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof betreffende de E 101‑verklaring, met inbegrip van de verplichting om de eventuele discrepanties inzake de wetgeving die toepasselijk is op de feiten die ten grondslag liggen aan de afgifte van een E 101‑verklaring, aan de Administratieve Commissie voor te leggen.
58
Daarenboven bepaalt de Uniewetgever in artikel 84 bis, lid 3, van verordening nr. 1408/71 dat als zich moeilijkheden voordoen bij de uitleg en de toepassing van deze verordening die de rechten van de hieronder vallende personen in gevaar kunnen brengen, er in de eerste plaats een dialoog moet worden gevoerd tussen de bevoegde organen van de betrokken lidstaten, en in de tweede plaats, een beroep moet worden gedaan op de Administratieve Commissie.
59
Bovendien is bij de thans van kracht zijnde verordening nr. 987/2009 de rechtspraak van het Hof gecodificeerd, waarbij het bindend karakter van de E 101‑verklaring en de exclusieve bevoegdheid van het afgevende orgaan inzake de beoordeling van de geldigheid van die verklaring is bevestigd en uitdrukkelijk de procedure is opgenomen die door de Franse regering en Urssaf ter discussie is gesteld als middel om de geschillen op te lossen die betrekking hebben op zowel de correctheid van de door het bevoegde orgaan van een lidstaat opgestelde documenten als de bepaling van de op de betrokken werknemer toepasselijke wetgeving.
60
Tot slot heeft de omstandigheid dat in casu de uitreikende staat van de E 101‑verklaringen de Zwitserse Bondsstaat is en dat bijgevolg een eventueel beroep wegens niet-nakoming tegen deze staat niet kan worden ingesteld, zoals de Franse regering heeft aangevoerd, geen enkele invloed op het bindende karakter van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde E 101‑verklaringen, aangezien de overeenkomst EG-Zwitserland voorziet in een eigen regeling ter beslechting van geschillen tussen de overeenkomstsluitende partijen, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 65 van zijn conclusie.
61
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 12 bis, punt 1 bis, van verordening nr. 574/72 aldus moet worden uitgelegd dat een E 101‑verklaring die door het orgaan aangewezen door de bevoegde overheid van een lidstaat is afgegeven op grond van artikel 14, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, zowel de socialezekerheidsorganen van de lidstaat waar het werk wordt verricht als de rechterlijke instanties van die lidstaat bindt, zelfs indien zij vaststellen dat de voorwaarden waaronder de betrokken werknemer zijn activiteit uitoefent, kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van die bepaling van verordening nr. 1408/71 vallen.