Beantwoording van de prejudiciële vragen
14
Met zijn vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn alsmede artikel 49 of artikel 63 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke belastingregeling als die in het hoofdgeding, volgens welke als voorwaarde voor het belastingvoordeel van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn – namelijk vrijstelling van bronbelasting voor winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan een niet-ingezeten moedermaatschappij wanneer deze moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meer ingezetenen van een derde staat – geldt dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel te halen uit deze vrijstelling.
Toepasselijkheid van de Verdragsbepalingen
15
Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op zowel de bepalingen van de moeder-dochterrichtlijn als de Verdragsbepalingen en een nationale maatregel inzake een materie die op het niveau van de Unie uitputtend is geharmoniseerd, volgens vaste rechtspraak aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel moet worden getoetst en niet aan die van het primaire recht (arrest van
8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 19
en aldaar aangehaalde rechtspraak), dient vooraf te worden uitgemaakt of artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn een dergelijke harmonisatie tot stand brengt.
16
Blijkens de bewoordingen van die bepaling is dit duidelijk niet het geval.
17
Artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn beperkt zich immers ertoe de lidstaten de bevoegdheid te laten de nationale of verdragsrechtelijke voorschriften toe te passen die noodzakelijk zijn ter bestrijding van fraude en misbruik. Bijgevolg kunnen dergelijke bepalingen worden getoetst aan het primaire Unierecht.
18
Uit het voorgaande volgt dat een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die is vastgesteld om uitvoering te geven aan artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn, niet alleen aan de bepalingen van die richtlijn kan worden getoetst, maar ook aan de toepasselijke bepalingen van het primaire recht.
Artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn
19
Vooraf zij verduidelijkt dat niet wordt betwist dat de bij het hoofdgeding betrokken vennootschappen onder de moeder-dochterrichtlijn vallen en evenmin dat de betrokken winstuitkeringen binnen de werkingssfeer van artikel 5, lid 1, ervan vallen.
20
Zoals uit de derde overweging ervan blijkt, beoogt de moeder-dochterrichtlijn door de invoering van een gemeenschappelijke fiscale regeling iedere benadeling van de samenwerking tussen vennootschappen uit verschillende lidstaten ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde lidstaat op te heffen en aldus de hergroepering van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken. Deze richtlijn beoogt aldus de fiscale neutraliteit van de winstuitkering door een in een lidstaat gelegen dochteronderneming aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij te verzekeren (arrest van
8 maart 2017, Wereldhave Belgium e.a., C‑448/15, EU:C:2017:180, punt 25
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Daartoe wordt in de vijfde overweging van deze richtlijn verklaard dat, teneinde de belastingneutraliteit te verzekeren, de winst die een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij uitkeert, van inhouding van een belasting aan de bron moet worden vrijgesteld.
22
Op die grondslag formuleert artikel 5, lid 1, van diezelfde richtlijn het beginsel van een verbod van bronbelasting op de door een in een lidstaat gevestigde dochteronderneming aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij uitgekeerde winst ter voorkoming van dubbele belasting (zie in die zin arresten van
17 oktober 1996, Denkavit e.a., C‑283/94, C‑291/94 en C‑292/94, EU:C:1996:387, punt 22
, en
25 september 2003, Océ van der Grinten, C‑58/01, EU:C:2003:495, punt 83
).
23
Door de lidstaten te verbieden een bronbelasting in te houden op de winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij, beperkt artikel 5, lid 1, van de moeder-dochterrichtlijn de bevoegdheid van de lidstaten tot het belasten van de winsten die door op hun grondgebied gevestigde vennootschappen worden uitgekeerd aan vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd (zie in die zin arrest van
1 oktober 2009, Gaz de France – Berliner Investissement, C‑247/08, EU:C:2009:600, punt 38
).
24
Derhalve kunnen de lidstaten niet eenzijdig beperkende maatregelen vaststellen en het recht op de in dat artikel 5, lid 1, voorziene vrijstelling van bronbelasting aan verschillende voorwaarden koppelen (zie in die zin beschikking van
4 juni 2009, KBC Bank en Beleggen, Risicokapitaal, Beheer, C‑439/07 en C‑499/07, EU:C:2009:339, punt 38
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn bepaalt evenwel dat deze richtlijn geen beletsel vormt voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken.
26
Zoals de advocaat-generaal in de punten 24 en 25 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn, hoewel daarin uitdrukking wordt gegeven aan het algemene beginsel van Unierecht dat niemand zich met misbruik of frauduleus kan beroepen op de door het rechtsstelsel van de Unie geboden rechten, als afwijking van de bij deze richtlijn ingevoerde belastingregels strikt worden uitgelegd (zie in die zin arrest van
25 september 2003, Océ van der Grinten, C‑58/01, EU:C:2003:495, punt 86
).
27
Van de bij artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn aan de lidstaten geboden bevoegdheid om ter zake toepassing te maken van de nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruik kan dus geen uitlegging worden gegeven die verder gaat dan de tekst zelf van die bepaling (zie in die zin arrest van
25 september 2003, Océ van der Grinten, C‑58/01, EU:C:2003:495, punt 86
).
28
Dienaangaande zij opgemerkt dat uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dat enkel de toepassing is toegestaan van de nationale of verdragsrechtelijke voorschriften die daartoe „noodzakelijk” zijn.
29
Alsdan rijst de vraag of een nationale wettelijke belastingregeling als die in het hoofdgeding voldoet aan dit noodzakelijkheidsvereiste.
30
In dit verband zij eraan herinnerd dat een nationale wettelijke regeling slechts beoogt fraude en misbruik te voorkomen wanneer zij specifiek tot doel heeft, gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen (zie in die zin arresten van
12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C‑196/04, EU:C:2006:544, punt 55
, en
5 juli 2012, SIAT, C‑318/10, EU:C:2012:415, punt 40
).
31
Bijgevolg kan een algemeen vermoeden van fraude en misbruik geen rechtvaardiging vormen voor een belastingmaatregel die afbreuk doet aan de doelstellingen van een richtlijn of afdoet aan de uitoefening van een door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheid (arresten van
26 september 2000, Commissie/België, C‑478/98, EU:C:2000:497, punt 45
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
5 juli 2012, SIAT, C‑318/10, EU:C:2012:415, punt 38
).
32
Bij het onderzoek of met een transactie fraude en misbruik wordt nagestreefd, kunnen de bevoegde nationale autoriteiten niet ermee volstaan, vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen, maar zij moeten in elk concreet geval de betreffende transactie in haar geheel onderzoeken. De vaststelling van een belastingregel van algemene strekking die bepaalde categorieën van belastingplichtigen automatisch van het belastingvoordeel uitsluit, zonder dat de belastingdienst gehouden is zij het maar een begin van bewijs of aanwijzingen van fraude en misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van fraude en misbruik noodzakelijk is (zie in die zin arrest van
8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punten 55 en 56
).
33
In casu dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling niet tot specifiek doel heeft, volstrekt kunstmatige constructies waarmee wordt beoogd ten onrechte dat voordeel te verkrijgen, uit te sluiten van een belastingvoordeel, maar in het algemeen ziet op elke situatie waarin een moedermaatschappij die direct of indirect wordt gecontroleerd door ingezetenen van een derde staat, haar zetel om welke reden ook buiten Frankrijk heeft.
34
Zoals de advocaat-generaal in de punten 27 en 28 van haar conclusie heeft opgemerkt, impliceert alleen al de omstandigheid dat een in de Unie gevestigde vennootschap direct of indirect wordt gecontroleerd door ingezetenen van een derde staat, evenwel niet dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die uitsluitend is opgezet om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
35
Bovendien zij gepreciseerd dat een dergelijke vennootschap hoe dan ook is onderworpen aan de belastingwetgeving van haar lidstaat van vestiging (zie in die zin arrest van
12 december 2002, Lankhorst-Hohorst, C‑324/00, EU:C:2002:749, punt 37
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Door als voorwaarde voor de vrijstelling van bronbelasting over winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij te stellen dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel uit deze vrijstelling te halen, zonder dat de belastingdienst gehouden is zij het maar een begin van bewijs van fraude en misbruik te leveren, voert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling bijgevolg een algemeen vermoeden van fraude en misbruik in en doet zij af aan het met de moeder-dochterrichtlijn nagestreefde doel om dubbele belasting over winstuitkeringen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij te vermijden.
37
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de betrokken moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere ingezetenen van een derde staat. Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt dat uit geen enkele bepaling van de moeder-dochterrichtlijn blijkt dat de herkomst van de aandeelhouders van de in de Unie gevestigde vennootschappen van enig belang is voor het recht van deze vennootschappen om aanspraak te maken op de bij deze richtlijn geboden belastingvoordelen.
38
Gelet op al het voorgaande dient te worden vastgesteld dat artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke belastingregeling als die in het hoofdgeding, volgens welke als voorwaarde voor het belastingvoordeel van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn – namelijk vrijstelling van bronbelasting voor winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan een niet-ingezeten moedermaatschappij wanneer deze moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meer ingezetenen van een derde staat – geldt dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel te halen uit deze vrijstelling.
Toepasselijke vrijheid
39
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de fiscale behandeling van dividenden zowel onder de vrijheid van vestiging als onder het vrije verkeer van kapitaal kan vallen (arrest van
15 september 2011, Accor, C‑310/09, EU:C:2011:581, punt 30
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Voor de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere vrijheid van verkeer valt, dient rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arrest van
15 september 2011, Accor, C‑310/09, EU:C:2011:581, punt 31
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een bepalende invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van
15 september 2011, Accor, C‑310/09, EU:C:2011:581, punt 32
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke belastingregeling in 2005 en 2006 van toepassing was op moedermaatschappijen die minstens 20 % van het kapitaal van hun dochterondernemingen in handen hadden. Die beslissing bevat daarentegen geen gegevens over het voorwerp van die wettelijke regeling.
43
Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van haar conclusie heeft verklaard, impliceert een dergelijke deelneming niet noodzakelijk dat de houdster ervan een bepalende invloed op de besluiten van de uitkerende vennootschap uitoefent (zie in die zin arrest van
13 april 2000, Baars, C‑251/98, EU:C:2000:205, punt 20
).
44
In die omstandigheden dient rekening te worden gehouden met de feitelijke gegevens van het concrete geval teneinde uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van deze vrijheden van verkeer valt (zie in die zin arrest van
13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punten 93 en 94
).
45
Wat de feitelijke gegevens van het hoofdgeding betreft, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat Enka ten tijde van de feiten het volledige kapitaal van haar Franse dochteronderneming, Euro Stockage, in handen had.
46
Derhalve dient te worden vastgesteld dat een dergelijke deelneming eerstbedoelde vennootschap een bepalende invloed op de besluiten van laatstbedoelde vennootschap verleende, waardoor zij de activiteiten ervan kon bepalen. Bijgevolg moeten de op deze deelnemingen toepasselijke nationale bepalingen worden getoetst aan de vrijheid van vestiging.
47
In deze context zij gepreciseerd dat, anders dan de Franse regering aanvoert, de omstandigheid dat een moedermaatschappij die ingezetene is van een andere lidstaat dan de Franse Republiek, direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere ingezetenen van een derde staat, deze vennootschap niet het recht ontneemt om zich op deze vrijheid te beroepen.
48
Het Hof heeft immers reeds voor recht verklaard dat uit geen enkele Unierechtelijke bepaling volgt dat de herkomst van de aandeelhouders – natuurlijke dan wel rechtspersonen – van in de Unie gevestigde vennootschappen een invloed heeft op dit recht, aangezien de hoedanigheid van vennootschap van de Unie ingevolge artikel 54 VWEU gebaseerd is op de plaats van de maatschappelijke zetel en de rechtsorde waarin de vennootschap is opgericht, en niet op de nationaliteit van haar aandeelhouders (arrest van
1 april 2014, Felixstowe Dock and Railway Company e.a., C‑80/12, EU:C:2014:200, punt 40
).
49
In het hoofdgeding staat vast dat de betrokken moedermaatschappij een in de Unie gevestigde vennootschap is. Bijgevolg kan deze vennootschap zich op de vrijheid van vestiging beroepen.
50
Deze vaststelling kan niet worden weerlegd door de overwegingen in de punten 99 en 100 van het arrest van
13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation (C‑524/04, EU:C:2007:161
), aangezien – anders dan in de situatie waarover het ging in de zaak die heeft geleid tot dat arrest – in het hoofdgeding de moedermaatschappij de zeggenschapsrelatie over haar dochteronderneming heeft.
51
Gelet op het voorgaande dienen de prejudiciële vragen te worden beantwoord tegen de achtergrond van de vrijheid van vestiging.
Vrijheid van vestiging
52
De door artikel 49 VWEU aan de onderdanen van de Unie toegekende vrijheid van vestiging omvat voor hen de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het bestuur van ondernemingen onder dezelfde voorwaarden als in de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Zij brengt overeenkomstig artikel 54 VWEU voor de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, het recht mee om in de betrokken lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap (arrest van
17 juli 2014, Nordea Bank Danmark, C‑48/13, EU:C:2014:2087, punt 17
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Aangaande de behandeling in de lidstaat van ontvangst blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 49, eerste alinea, tweede volzin, VWEU de marktdeelnemers uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om vrij de rechtsvorm te kiezen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden in een andere lidstaat past, zodat deze vrije keuze niet mag worden beperkt door discriminerende fiscale bepalingen (arrest van
17 mei 2017, X, C‑68/15, EU:C:2017:379, punt 40
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Bovendien moeten alle maatregelen die het gebruik van de vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken, als beperkingen van deze vrijheid worden beschouwd (arrest van
8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 59
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat enkel wanneer een ingezeten dochteronderneming winst uitkeert aan een niet-ingezeten moedermaatschappij die direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere ingezetenen van een derde staat, als voorwaarde voor de vrijstelling van bronbelasting geldt dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel uit deze vrijstelling te halen. Wanneer een dergelijke dochteronderneming winst uitkeert aan een ingezeten moedermaatschappij die ook direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere ingezetenen van een derde staat, kan deze ingezeten moedermaatschappij daarentegen voor deze vrijstelling in aanmerking komen zonder dat deze voorwaarde voor haar geldt.
56
Een dergelijk verschil in behandeling kan een niet-ingezeten moedermaatschappij ervan afhouden in Frankrijk een activiteit uit te oefenen via een in deze lidstaat gevestigde dochteronderneming en vormt dus een belemmering van de vrijheid van vestiging.
57
Deze belemmering kan enkel worden aanvaard indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang die door het Unierecht zijn erkend. In dat geval moet de belemmering ook geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en mag zij niet verder gaan dan nodig is voor het verwezenlijken van dat doel (arrest van
17 december 2015, Timac Agro Deutschland, C‑388/14, EU:C:2015:829, punten 26 en 29
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Aangaande de vergelijkbaarheid van de situatie van een ingezeten vennootschap en de situatie van een niet-ingezeten vennootschap die dividenden van een ingezeten dochteronderneming ontvangen, zij gepreciseerd dat de vrijstelling van bronbelasting voor winstuitkeringen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij – zoals is uiteengezet in punt 22 van het onderhavige arrest – beoogt dubbele belasting of opeenvolgende belasting over die winst te voorkomen.
59
Weliswaar heeft het Hof met betrekking tot maatregelen die een lidstaat heeft getroffen om opeenvolgende belasting of dubbele belasting over door een ingezeten vennootschap uitgekeerde winst te voorkomen of te verminderen, geoordeeld dat de situatie van ingezeten dividend ontvangende aandeelhouders niet noodzakelijk vergelijkbaar is met die van dividend ontvangende aandeelhouders die ingezetenen zijn van een andere lidstaat, maar het Hof heeft ook gepreciseerd dat, zodra een lidstaat niet alleen ingezeten aandeelhouders maar ook niet-ingezeten aandeelhouders voor het dividend dat zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, aan zijn heffingsbevoegdheid onderwerpt, de situatie van deze niet-ingezeten aandeelhouders die van de ingezeten aandeelhouders benadert (arrest van
14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France, C‑170/05, EU:C:2006:783, punten 34 en 35
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
In het hoofdgeding dient te worden geoordeeld, aangezien de Franse Republiek ervoor heeft gekozen haar heffingsbevoegdheid uit te oefenen over winstuitkeringen door een ingezeten dochteronderneming aan haar niet-ingezeten moedermaatschappij, dat de situatie van deze niet-ingezeten moedermaatschappij vergelijkbaar is met die van een ingezeten moedermaatschappij.
61
Met betrekking tot de rechtvaardiging voor en de evenredigheid van de belemmering voert de Franse Republiek aan dat deze belemmering wordt gerechtvaardigd zowel door de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking als door de doelstelling van behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.
62
Deze lidstaat voert met name aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling beoogt „treaty shopping” te voorkomen, waarbij constructies worden opgezet die in een derde staat gevestigde vennootschappen gebruiken om te ontsnappen aan de toepassing van het tarief van de bronbelasting over binnenlandse dividenden zoals dat is bepaald naar Frans recht of in het verdrag tussen de derde staat en de Franse Republiek teneinde via de in de moeder-dochterrichtlijn voorziene vrijstelling van bronbelasting tussen lidstaten onder een lager belastingtarief te vallen zoals dat is bepaald in het verdrag tussen een andere lidstaat en diezelfde derde staat.
63
In dit verband zij opgemerkt dat het voorkomen van belastingfraude en ‑ontwijking en het behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten met elkaar samenhangende doelstellingen zijn (arrest van
17 december 2015, Timac Agro Deutschland, C‑388/14, EU:C:2015:829, punt 47
en aldaar aangehaalde rechtspraak) en voorts dat deze doelstellingen, omdat zij dwingende redenen van algemeen belang vormen, een belemmering van de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen (arrest van
8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 65
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Niettemin dient te worden vastgesteld dat de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking dezelfde draagwijdte heeft, ongeacht of ze wordt aangevoerd krachtens artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn dan wel als rechtvaardiging voor een belemmering van het primaire recht. De in de punten 30 tot en met 36 van dit arrest uiteengezette overwegingen gelden dus evenzeer met betrekking tot die vrijheid.
65
De door de Franse Republiek in het hoofdgeding aangevoerde doelstelling van bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking kan derhalve een belemmering van de vrijheid van vestiging niet rechtvaardigen.
66
Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van de moeder-dochterrichtlijn alsmede artikel 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke belastingregeling als die in het hoofdgeding, volgens welke als voorwaarde voor het belastingvoordeel van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn – namelijk vrijstelling van bronbelasting voor winstuitkeringen van een ingezeten dochteronderneming aan een niet-ingezeten moedermaatschappij wanneer deze moedermaatschappij direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meer ingezetenen van een derde staat – geldt dat deze moedermaatschappij aantoont dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel of als een van haar voornaamste doelen heeft, voordeel te halen uit deze vrijstelling.