Hoofdgeding en prejudiciële vragen
28
Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft LDz als aangever op 25 februari 2011 een aantal tankwagons onder de regeling extern communautair douanevervoer in de zin van artikel 91 van het douanewetboek geplaatst, door een spoorvrachtbrief over te leggen. De goederen in doorvoer, te weten solvent, moesten door de vervoerder, Baltijas Tranzīta Serviss, worden vervoerd naar het douanekantoor van bestemming, in casu de douanecontrolepost van de haven van Ventspils (Letland).
29
Tijdens het vervoer van die goederen over het Letse grondgebied werd vastgesteld dat de onderste losinstallatie van een van de tankwagons lekte. Op 28 februari en 1 maart 2011 werden standaardprocessen-verbaal opgesteld, te weten een proces-verbaal van controle en een proces-verbaal houdende vaststelling van de technische toestand van die tankwagon, met betrekking tot de defecten van de betrokken tank en de maatregelen die waren getroffen om schade te voorkomen. Op 1 maart 2011 werd voorts in een proces-verbaal houdende vaststelling van schade opgenomen dat in de betrokken tank 2 448 kilogram (kg) vracht ontbrak.
30
Op 10 maart 2011 heeft het douanekantoor van bestemming vastgesteld dat er 2 448 kg vracht ontbrak omdat de onderste losinstallatie van een van de betrokken tankwagons niet correct was afgesloten of beschadigd was. Aangezien aan het douanekantoor van bestemming geen document was overgelegd betreffende het aanbrengen van de ontbrekende vracht en de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer zonder onregelmatigheden, en niet was bewezen dat het ontbreken van vracht het gevolg was van een handeling van de verzender, heeft de VID een besluit vastgesteld waarbij LDz betaling werd opgelegd van 63,26 lats (LVL) (ongeveer 90,01 EUR) aan douanerechten en 228,02 LVL (ongeveer 324,44 EUR) aan btw. LDz heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend. De directeur-generaal van de VID heeft het besluit bevestigd bij een besluit van 16 september 2011.
31
LDz heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter, Letland) en gesteld dat in casu meerdere personen hoofdelijk gehouden kunnen zijn tot betaling van de betrokken douaneschuld, met name de personen verantwoordelijk voor de technische uitvoering van het vervoer en het correct opstellen van het proces-verbaal houdende vaststelling van schade. Voorts heeft LDz aangevoerd dat de VID geen rekening had gehouden met de omstandigheid dat het vastgestelde vrachttekort het gevolg was van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van de betrokken goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband hield, dan wel door toeval of overmacht.
32
Bij vonnis van 6 augustus 2013 heeft deze rechter het beroep van LDz verworpen.
33
Bij arrest van 8 december 2014 heeft de Administratīvā apgabaltiesa (regionale bestuursrechter, Letland) het hoger beroep van LDz tegen het vonnis in eerste aanleg verworpen.
34
In het kader van de beoordeling van het door LDz ingestelde beroep in cassatie betwijfelt de Augstākās tiesas Administratīvo lietu departaments (hoogste rechterlijke instantie, afdeling bestuursrechtspraak, Letland) in de eerste plaats of de VID en de lagere rechterlijke instanties in casu terecht toepassing hebben gemaakt van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek, inzake onttrekking van goederen aan het douanetoezicht. Deze rechter wijst er in dit verband op dat, enerzijds, de VID stelt dat punt 2.2 van het „Handboek douanevervoer” van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie van de Commissie (werkdocument Taxud/2033/2008-LV Rev. 4) van 15 september 2009 van toepassing is op alle gevallen waarin het douanekantoor van bestemming vaststelt dat er goederen ontbreken, terwijl, anderzijds, LDz er de nadruk op legt dat is vastgesteld dat in casu om technische redenen solvent uit de betrokken tank is gelekt en maatregelen zijn getroffen om dat defect te verhelpen.
35
In die context vraagt de verwijzende rechter zich af of in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet veeleer toepassing moet worden gemaakt van artikel 204, lid 1, onder a), van het douanewetboek, gelezen in samenhang met de afwijking van artikel 206, lid 1, van dat wetboek, op grond waarvan geen douaneschuld bij invoer hoeft te worden berekend indien is vastgesteld dat de goederen geheel zijn vernietigd, waardoor zij niet in het economische circuit van de Europese Unie kunnen terechtkomen.
36
In de tweede plaats brengt die rechter in herinnering dat de vraag betreffende de vrijstelling van betaling van invoerrechten en die betreffende de vrijstelling van btw samenhangen. In dat verband gaat hij uit van het beginsel dat er geen btw verschuldigd is wanneer krachtens het douanewetboek geen douanerechten bij invoer moeten worden berekend voor goederen die zijn vernietigd terwijl zij onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst en daardoor niet in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen.
37
Tot slot merkt die rechter op dat hoewel uit artikel 94, lid 1, en artikel 96, lid 1, van het douanewetboek voldoende duidelijk blijkt dat de aangever als dusdanig gehouden is tot betaling van de douaneschuld en het Hof in zijn rechtspraak het belang heeft benadrukt van de aansprakelijkheid van de aangever in het kader van de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de lidstaten, er twijfels blijven bestaan over de strekking van de bepalingen van het douanewetboek op basis waarvan andere personen aansprakelijk zijn wat betreft de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de regeling extern communautair douanevervoer of de betaling van de douaneschuld. Krachtens zowel artikel 203 als artikel 204 van dat wetboek zouden op grond van het betrokken lek meer personen dan enkel de aangever kunnen worden aangesproken.
38
In deze omstandigheden heeft de Augstākās tiesas Administratīvo lietu departaments de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
-
Moet artikel 203, lid 1, van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat het altijd van toepassing is wanneer in het kader van de regeling extern douanevervoer niet alle goederen op het douanekantoor van bestemming worden aangebracht, ook al wordt afdoende aangetoond dat de goederen zijn vernietigd en onherstelbaar verloren zijn gegaan?
-
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, kan het afdoende bewijs dat de goederen vernietigd zijn en, bijgevolg, het feit dat het uitgesloten is dat de goederen in het economisch circuit van de lidstaat terechtkomen, dan een grond vormen voor toepassing van artikel 204, lid 1, onder a), en artikel 206 van [het douanewetboek], zodat de goederen die vernietigd zijn terwijl zij zich onder de regeling extern douanevervoer bevonden, buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de douaneschuld?
-
Indien artikel 203, lid 1, artikel 204, lid 1, onder a), en artikel 206 van [het douanewetboek] aldus kunnen worden uitgelegd dat ook over de ten tijde van het extern douanevervoer vernietigde goederen rechten bij invoer worden geheven, kunnen artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van [de btw-richtlijn] dan aldus worden uitgelegd dat samen met de rechten bij invoer tevens de [btw] moet worden voldaan, ook wanneer het uitgesloten is dat de goederen feitelijk in het economisch circuit van de lidstaat terechtkomen?
-
Moet artikel 96 van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat de aangever altijd aansprakelijk is voor de betaling van die douaneschuld, die in het kader van de regeling extern douanevervoer ontstaat, ongeacht of de vervoerder de krachtens lid 2 van dat artikel 96 op hem rustende verplichtingen is nagekomen?
-
Moeten artikel 94, lid 1, artikel 96, lid 1, en artikel 213 van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van de lidstaat verplicht is om alle personen hoofdelijk aansprakelijk te stellen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in het douanewetboek kunnen worden geacht samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn?
-
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt en de wetten van de lidstaat de verplichting tot betaling van de [btw] bij invoer van goederen doorgaans verbinden aan de procedure voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen, moeten de artikelen 201, 202 en 205 van [de btw-richtlijn] dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat verplicht is alle personen die in het concrete geval overeenkomstig het bepaalde in [het douanewetboek] kunnen worden geacht tot betaling van de douaneschuld gehouden te zijn, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de [btw]?
-
Indien het antwoord op de vijfde of de zesde vraag bevestigend luidt, kunnen artikel 96, lid 1, en artikel 213 van [het douanewetboek] en de artikelen 201, 202 en 205 van [de btw-richtlijn] dan aldus worden uitgelegd dat wanneer de douane van de lidstaat ten gevolge van een vergissing geen van de personen die samen met de aangever tot betaling van de douaneschuld gehouden zijn, hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling daarvan, de aangever op deze enkele grond van zijn aansprakelijkheid voor de voldoening van de douaneschuld is bevrijd?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
39
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 203, lid 1, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.
40
In dat verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 203, lid 1, van het douanewetboek een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
41
Volgens de rechtspraak van het Hof moet „onttrekking aan het douanetoezicht” in de zin van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek worden opgevat als elk handelen of nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteit de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen, ook al is het slechts tijdelijk, en wordt belet de in artikel 37, lid 1, van dat wetboek bedoelde controles uit te voeren (arresten van
1 februari 2001, D. Wandel, C‑66/99, EU:C:2001:69, punt 47
, en
12 juni 2014, SEK Zollagentur, C‑75/13, EU:C:2014:1759, punt 28
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Iedere – al dan niet opzettelijke – verwijdering uit de toegelaten opslagplaats van aan douanetoezicht onderworpen goederen zonder toestemming van de bevoegde douaneautoriteit, zoals diefstal, is dus een onttrekking van goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van dit wetboek (zie in die zin arresten van
1 februari 2001, D. Wandel, C‑66/99, EU:C:2001:69, punten 48 en 50
;
12 februari 2004, Hamann International, C‑337/01, EU:C:2004:90, punt 36
, en
11 juli 2013, Harry Winston, C‑273/12, EU:C:2013:466, punten 30 en 33
). Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat een in tijdelijke opslag geplaatst goed moet worden geacht aan het douanetoezicht te zijn onttrokken indien het voor de regeling extern communautair douanevervoer is aangegeven, maar de opslag niet verlaat en niet wordt aangebracht bij het douanekantoor van bestemming, terwijl de documenten voor douanevervoer daar wel zijn aangebracht (arrest van
12 juni 2014, SEK Zollagentur, C‑75/13, EU:C:2014:1759, punt 33
).
43
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het douanekantoor van bestemming heeft vastgesteld dat er 2 448 kg vracht, te weten solvent, ontbrak omdat de onderste losinstallatie van de betrokken tankwagon niet correct was afgesloten of beschadigd was. Volgens de verwijzende rechter heeft de Administratīvā apgabaltiesa in dit verband niet nader bepaald in welke omstandigheden deze vracht verloren is gegaan.
44
Hoe dan ook neemt de verwijzende rechter aan dat er sprake is van een algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen.
45
In dit verband is in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek bepaald dat aan douanetoezicht onderworpen goederen aan douanecontroles kunnen worden onderworpen.
46
Volgens artikel 4, punt 14, van dit wetboek worden dergelijke controles met name verricht met het oog op de correcte toepassing van de douanewetgeving en kunnen zij onder meer verificatie van goederen, controle van de aangiftegegevens en de aanwezigheid en de echtheid van documenten en controle van vervoermiddelen inhouden.
47
Overeenkomstig de in de punten 41 en 42 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof kan het verdwijnen van een deel van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen in beginsel een onttrekking daarvan aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van dit wetboek vormen, voor zover de douaneautoriteiten in dat geval daadwerkelijk de toegang tot dat deel van de goederen wordt belemmerd en hun wordt belet de in artikel 37, lid 1, van dit wetboek bedoelde controles uit te voeren.
48
De toepassing van artikel 203, lid 1, van het douanewetboek is evenwel aan de orde wanneer het verdwijnen van de goederen het risico meebrengt dat zij in het economische circuit van de Unie terechtkomen zonder te zijn ingeklaard (zie in die zin arresten van
20 januari 2005, Honeywell Aerospace, C‑300/03, EU:C:2005:43, punt 20
, en
15 mei 2014, X, C‑480/12, EU:C:2014:329, punten 35 en 36
).
49
Dit is niet het geval bij het verdwijnen van goederen door hun algehele vernietiging of onherstelbaar verlies – waarbij dit verlies in artikel 206, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek wordt omschreven als de onmogelijkheid voor eenieder om de goederen te gebruiken – bij het lekken van een vloeistof, zoals het solvent in het hoofdgeding, uit een tank tijdens het vervoer. Goederen die niet meer bestaan of voor eenieder onbruikbaar zijn, kunnen om die enkele reden niet in het economische circuit van de Unie terechtkomen.
50
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 203, lid 1, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.
Tweede vraag
51
Met zijn tweede vraag, die is gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 204, lid 1, onder a), en artikel 206 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen van toepassing zijn indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.
52
Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek een verschillende werkingssfeer hebben. Uit de bewoordingen van artikel 204 van dit wetboek blijkt dat dit artikel slechts van toepassing is op de gevallen die niet onder artikel 203 van dit wetboek vallen, waarvan de toepasselijkheid op de feiten in kwestie als eerste wordt onderzocht (arresten van
12 februari 2004, Hamann International, C‑337/01, EU:C:2004:90, punten 28‑30
, en
29 oktober 2015, B & S Global Transit Center, C‑319/14, EU:C:2015:734, punten 25‑27
).
53
Gelet op het antwoord op de eerste vraag is artikel 203, lid 1, van het douanewetboek in casu niet van toepassing, zodat moet worden nagegaan of de situatie in het hoofdgeding onder artikel 204, lid 1, onder a), van dit wetboek valt.
54
Krachtens laatstbedoelde bepaling ontstaat een douaneschuld bij invoer indien, in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203 van het douanewetboek, niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen die ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst.
55
Voor de regeling extern communautair douanevervoer is volgens artikel 96, lid 1, onder a), van dat wetboek een van die verplichtingen met name de goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen op het douanekantoor van bestemming.
56
In dat verband zij vastgesteld dat in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding het aanbrengen op het douanekantoor van bestemming van een kleiner volume goederen dan het volume dat onder de regeling extern communautair douanevervoer was aangegeven bij het douanekantoor van vertrek, door de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van een deel van die goederen, niet kan worden gekwalificeerd als het aanbrengen van ongeschonden goederen in de zin van artikel 96, lid 1, onder a), van dat wetboek.
57
Bijgevolg moet een dergelijk aanbrengen worden gekwalificeerd als de in artikel 204, lid 1, onder a), van dat wetboek bedoelde niet-nakoming van een van de verplichtingen van de regeling extern communautair douanevervoer, waardoor in beginsel een douaneschuld bij invoer ontstaat voor het deel van de goederen dat niet is aangebracht op het douanekantoor van bestemming.
58
Artikel 206, lid 1, van het douanewetboek bepaalt echter dat in afwijking van artikel 204, lid 1, onder a), van dat wetboek ten aanzien van bepaalde goederen geen douaneschuld bij invoer wordt geacht te ontstaan wanneer de belanghebbende het bewijs levert dat de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder die goederen waren geplaatst, het gevolg is van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van bedoelde goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht.
59
Bijgevolg moet worden nagegaan of het lekken van een vloeistof, zoals solvent, uit een tank omdat de onderste losinstallatie van de betrokken tankwagon niet correct was afgesloten of beschadigd was, kan worden gekwalificeerd als toeval of overmacht.
60
Dienaangaande is het vaste rechtspraak van het Hof dat de betekenis van het begrip overmacht moet worden bepaald naargelang van het wettelijke kader waarin het effect moet sorteren, aangezien het niet op alle toepassingsgebieden van het Unierecht dezelfde inhoud heeft (arresten van
18 december 2007, Société Pipeline Méditerranée et Rhône, C‑314/06, EU:C:2007:817, punt 25
, en
14 juni 2012, CIVAD, C‑533/10, EU:C:2012:347, punt 26
).
61
In de context van de douanewetgeving bevatten de begrippen overmacht en toeval een objectief element, dat betrekking heeft op het bestaan van abnormale omstandigheden buiten het toedoen van de marktdeelnemer, en een subjectief element, dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen (zie in die zin arresten van
18 december 2007, Société Pipeline Méditerranée et Rhône, C‑314/06, EU:C:2007:817, punt 24
;
14 juni 2012, CIVAD, C‑533/10, EU:C:2012:347, punt 28
; beschikking van
21 september 2012, Noscira/BHIM, C‑69/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:589, punt 39
; beschikking van de president van het Hof van
30 september 2014, Faktor B. i W. Gęsina/Commissie, C‑138/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2256, punt 19
, en arrest van
4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 192
).
62
Voorts moeten de begrippen overmacht en toeval in de zin van artikel 206, lid 1, van het douanewetboek strikt worden uitgelegd, aangezien die bepaling een afwijking vormt van de regel van artikel 204, lid 1, onder a), van dat wetboek (zie naar analogie arresten van
14 juni 2012, CIVAD, C‑533/10, EU:C:2012:347, punt 24
;
4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punten 190 en 191
, en
25 januari 2017, Vilkas, C‑640/15, EU:C:2017:39, punt 56
).
63
In het licht van de in punt 61 van het onderhavige arrest geformuleerde criteria moet het lekken van solvent zoals in het hoofdgeding, in de hypothese dat dit is veroorzaakt door het incorrect afsluiten van de losinstallatie, niet worden beschouwd als een abnormale omstandigheid of een omstandigheid buiten het toedoen van een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen, maar veeleer als het gevolg van het ontbreken van de zorgvuldigheid die normaal wordt verwacht in het kader van de activiteit van die marktdeelnemer, zodat in casu geen sprake is van het objectieve element of het subjectieve element waarnaar in dat punt wordt verwezen en waardoor de begrippen overmacht en toeval worden gekenmerkt.
64
Wat de hypothese betreft van de beschadiging van de losinstallatie, kan niet worden uitgesloten dat die omstandigheid aan de in punt 61 van het onderhavige arrest geformuleerde criteria voldoet indien zij abnormaal en buiten het toedoen van een dergelijke marktdeelnemer blijkt te zijn en de gevolgen ervan niet vermeden hadden kunnen worden ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid. Het staat evenwel aan de nationale rechter om na te gaan of aan die criteria is voldaan. In het kader van dat onderzoek moet deze rechter met name rekening houden met de naleving door marktdeelnemers zoals de aangever en de vervoerder van de regels en voorschriften die gelden op het vlak van de technische staat van tanks en de veiligheid van het vervoer van vloeibare stoffen zoals solvent.
65
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 204, lid 1, onder a), van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat wanneer niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen is aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond, die situatie in beginsel een douaneschuld bij invoer doet ontstaan voor het deel van de goederen dat niet bij dat kantoor is aangebracht, aangezien er sprake is van niet-nakoming van een van de verplichtingen van die regeling, namelijk het aanbrengen van ongeschonden goederen op het douanekantoor van bestemming. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of een omstandigheid zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu beantwoordt aan de criteria die gelden voor de begrippen overmacht en toeval in de zin van artikel 206, lid 1, van het douanewetboek, namelijk of zij abnormaal is voor een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen en een omstandigheid buiten zijn toedoen is, en of die gevolgen niet hadden kunnen worden vermeden ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid. In het kader van dat onderzoek moet deze rechter met name rekening houden met de naleving door marktdeelnemers zoals de aangever en de vervoerder van de regels en voorschriften die gelden op het vlak van de technische staat van tanks en de veiligheid van het vervoer van vloeibare stoffen zoals solvent.
Derde vraag
66
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat btw verschuldigd is voor het geheel vernietigde of onherstelbaar verloren gegane deel van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst.
67
Krachtens artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn is de invoer van goederen onderworpen aan de btw. Artikel 70 van die richtlijn vestigt het beginsel dat het belastbare feit plaatsvindt en de btw verschuldigd wordt op het ogenblik waarop de invoer van de goederen geschiedt. Artikel 71, lid 1, van die richtlijn bepaalt in de eerste alinea dat wanneer goederen vanaf het binnenbrengen ervan in de Unie onder de regeling extern communautair douanevervoer worden geplaatst, het belastbare feit pas plaatsvindt en de btw pas verschuldigd wordt op het tijdstip waarop deze goederen aan deze regeling worden onttrokken (zie in die zin arrest van
11 juli 2013, Harry Winston, C‑273/12, EU:C:2013:466, punt 40
).
68
Uit die bepalingen volgt dat de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen enkel kan leiden tot het belastbare feit en het verschuldigd worden van de btw indien deze omstandigheden gelijk kunnen worden gesteld met het onttrekken van dergelijke goederen aan die regeling.
69
In dat verband moet worden vastgesteld dat de btw uit haar aard een verbruiksbelasting is, zodat zij van toepassing is op goederen en diensten die in het economische circuit van de Unie terechtkomen en kunnen worden verbruikt (zie in die zin arresten van
7 november 2013, Tulică en Plavoşin, C‑249/12 en C‑250/12, EU:C:2013:722, punt 35
, en
2 juni 2016, Eurogate Distribution en DHL Hub Leipzig, C‑226/14 en C‑228/14, EU:C:2016:405, punt 65
).
70
Het onttrekken van goederen aan de regeling extern communautair douanevervoer, waardoor het belastbare feit plaatsvindt en de btw verschuldigd wordt, moet dus worden geacht ertoe te strekken dat die goederen terechtkomen in het economische circuit van de Unie, wat uitgesloten is in het geval van onbestaande of door niemand bruikbare goederen (zie in die zin arrest van
29 april 2010, Dansk Transport og Logistik, C‑230/08, EU:C:2010:231, punten 93 en 96
).
71
Goederen die geheel zijn vernietigd of onherstelbaar verloren zijn gegaan terwijl zij onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst, kunnen niet terechtkomen in het economische circuit van de Unie en bijgevolg niet aan die regeling worden onttrokken, zodat zij dus niet kunnen worden beschouwd als „ingevoerd” in de zin van artikel 2, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn en evenmin op basis daarvan aan de btw kunnen worden onderworpen.
72
Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat geen btw verschuldigd is voor het geheel vernietigde of onherstelbaar verloren gegane deel van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst.
Vierde vraag
73
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van dat wetboek, in het bijzonder de verplichting om deze goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen op het douanekantoor van bestemming.
74
Op grond van artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), van dat wetboek ontstaat een douaneschuld bij invoer indien onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen niet ongeschonden bij de douane worden aangebracht op het douanekantoor van bestemming. Volgens artikel 204, lid 3, van dat wetboek is de schuldenaar van de douaneschuld de persoon die de verplichtingen moet nakomen die voortvloeien uit het gebruik van deze regeling.
75
Artikel 96, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat de aangever deze goederen ongeschonden moet aanbrengen op het douanekantoor van bestemming. Volgens artikel 96, lid 2, van dat wetboek is een vervoerder van deze goederen, onverminderd de verplichtingen van de aangever, eveneens verplicht deze ongeschonden op het douanekantoor van bestemming aan te brengen.
76
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 204 van dit wetboek beoogt een correcte toepassing van de douanewetgeving te verzekeren. Krachtens artikel 96, lid 1, en artikel 204, lid 1, van dit wetboek is de aangever, in zijn hoedanigheid van subject van de regeling extern communautair douanevervoer, immers schuldenaar van de douaneschuld die ontstaat bij niet-inachtneming van de bepalingen inzake deze regeling. Het aansprakelijk stellen van de aangever heeft tot doel de snelle en eenvormige toepassing van de bepalingen inzake deze regeling en het goede verloop van het douanevervoer te verzekeren in het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de lidstaten ervan (arrest van
15 juli 2010, DSV Road, C‑234/09, EU:C:2010:435, punt 30
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
Deze aansprakelijkheid is evenmin afhankelijk van de goede trouw van de aangever of de omstandigheid dat de regeling extern communautair douanevervoer buiten zijn toedoen is geschonden (zie in die zin arrest van
3 april 2008, Militzer & Münch, C‑230/06, EU:C:2008:186, punt 49
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Bovendien wordt aan die aansprakelijkheid niet afgedaan door de omstandigheid dat zij zich op grond van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek ook uitstrekt tot andere personen, zoals de vervoerder van goederen, voor zover de bepalingen van dat wetboek inzake de regeling extern communautair douanevervoer ter zake geen enkele vrijstelling ten voordele van de aangever bevatten. Uit de bewoordingen van artikel 96, lid 2, van dat wetboek volgt immers dat de verplichting van de vervoerder van goederen om die ongeschonden op het douanekantoor van bestemming aan te brengen geldt „[o]nverminderd de […] verplichtingen van de aangever” in dat verband.
79
Daaruit volgt dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die ontstaat voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de krachtens artikel 96, lid 2, van dat wetboek op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
80
Die conclusie impliceert evenwel niet noodzakelijkerwijze dat de aangever als enige gehouden is tot betaling van die douaneschuld.
81
Zoals uit de punten 74 en 75 van het onderhavige arrest blijkt, moet de vervoerder die niet heeft voldaan aan zijn verplichting om onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen ongeschonden aan te brengen op het douanekantoor van bestemming, immers om die reden ook worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld, wat betekent dat hij krachtens artikel 213 van het douanewetboek samen met de aangever hoofdelijk gehouden is tot betaling van die schuld.
82
Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van dat wetboek, in het bijzonder de verplichting om deze goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen op het douanekantoor van bestemming.
Vijfde vraag
83
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 96, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 213 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van een lidstaat verplicht is om de vervoerder die naast de aangever moet worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld, hoofdelijk aan te spreken.
84
In dat verband moet worden opgemerkt dat in artikel 213 van het douanewetboek het beginsel van hoofdelijkheid in geval van pluraliteit van schuldenaren van eenzelfde douaneschuld is vastgelegd, zonder dat in andere bepalingen van dat wetboek of toepassingsbepalingen daarvan nader wordt geregeld hoe die hoofdelijkheid moet worden toegepast (zie in die zin arrest van
17 februari 2011, Berel e.a., C‑78/10, EU:C:2011:93, punten 42 en 43
).
85
Uit de aard van hoofdelijke aansprakelijkheid vloeit voort dat elke schuldenaar is gehouden tot betaling van het volledige bedrag van de schuld en dat de schuldeiser in beginsel de vrijheid behoudt om de betaling van deze schuld te eisen van een of meerdere schuldenaren naar keuze.
86
Zoals volgt uit de punten 76 tot en met 79 en 82 van het onderhavige arrest, is de aangever op grond van artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van het douanewetboek gehouden tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van dat wetboek.
87
Bijgevolg wordt in het douanewetboek, door het neerleggen daarin van deze objectieve aansprakelijkheid van de aangever, een juridisch basismechanisme vastgesteld dat met name het goede verloop van het douanevervoer vergemakkelijkt, in het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de lidstaten ervan (arrest van
15 juli 2010, DSV Road, C‑234/09, EU:C:2010:435, punt 30
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat het in artikel 213 van dit wetboek neergelegde mechanisme van hoofdelijkheid een aanvullend juridisch instrument vormt dat de nationale autoriteiten ter beschikking is gesteld om de doeltreffendheid van hun maatregelen op het gebied van de invordering van de douaneschuld en de bescherming van de eigen middelen van de Unie te versterken (arrest van
17 februari 2011, Berel e.a., C‑78/10, EU:C:2011:93, punt 48
).
89
In omstandigheden zoals die van het hoofdgeding moet de douaneautoriteit van een lidstaat dus de aangever aanspreken. Uit het in punt 85 van het onderhavige arrest bedoelde mechanisme van hoofdelijkheid volgt echter dat deze autoriteit de mogelijkheid – maar niet de verplichting – heeft om de vervoerder hoofdelijk aan te spreken.
90
In dit verband moet worden gepreciseerd dat de omstandigheid dat de douaneautoriteit van een lidstaat geen betaling van de douaneschuld eist van de vervoerder op grond van die hoofdelijke aansprakelijkheid, niet afdoet aan het recht van de aangever om een regresvordering tegen de vervoerder in te stellen.
91
Gelet op het voorgaande moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 96, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 213 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van een lidstaat niet verplicht is om de vervoerder die naast de aangever moet worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld, hoofdelijk aan te spreken.
Zesde en zevende vraag
92
Gelet op het antwoord op de vijfde vraag hoeven de zesde en de zevende vraag niet te worden beantwoord.