Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Gedurende de jaren 2005 en 2006 heeft de vennootschap F, gevestigd in Duitsland, een aantal douaneaangiften laten opstellen voor het in Nederland in het vrije verkeer brengen van partijen bevroren rauw kippenvlees, afkomstig uit onder meer Brazilië en Argentinië.
19
In deze periode bezat de vennootschap D, eveneens gevestigd in Duitsland, alle aandelen in F. A, zijn zoon B en een derde, X, waren allen aandeelhouders van D en maakten deel uit van het bestuur van deze vennootschap. Tot februari 2005 was A de bestuurder van F; vanaf februari 2005 werd hij vervangen door X.
20
F had de producten waarop de in punt 18 van dit arrest genoemde aangiften voor het vrije verkeer betrekking hadden, gekocht van de in Uruguay gevestigde vennootschap K. Bij deze aangiften werden door K opgestelde facturen overgelegd; de op de aangiften vermelde prijs was die welke K aan F in rekening had gebracht. De door F betaalde prijs, herleid tot de cif-invoerprijs overeenkomstig artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2777/75, was telkens hoger dan de reactieprijs, hetgeen tot gevolg had dat geen van de door de verordeningen nr. 2777/75 en nr. 1484/95 bedoelde aanvullende rechten was verschuldigd.
21
F verkocht al deze producten vervolgens aan de in Zwitserland gevestigde vennootschap G en legde, ter voldoening aan haar in artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 omschreven verplichting, de voor deze verkopen uitgereikte facturen over aan de Nederlandse douaneautoriteiten. F bracht G systematisch een prijs in rekening die hoger was dan de prijs die door K aan F in rekening was gebracht. 99 % van de aandelen in G waren in bezit van de zoon van A, B, die tevens de bestuurder was van G.
22
De Nederlandse douaneautoriteiten hebben navraag gedaan over de verdere doorverkoop van de door F ingevoerde producten. Bij gebrek aan afdoende antwoorden hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk was aan de hand van de door F overgelegde bescheiden vast te stellen of de aan F in rekening gebrachte cif-invoerprijs hoger was dan de reactieprijs. Op grond daarvan heeft de als douaneautoriteit optredende Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: „Minister”), op 10 september 2008 onder meer aan A een reeks uitnodigingen tot betaling (hierna: „aanslagbiljetten I”) gestuurd teneinde, met toepassing van artikel 3, lid 5, alsmede artikel 4 van verordening nr. 1484/95, betaling te vorderen van aanvullende rechten voor de invoer waarop de betrokken aangiften voor het vrije verkeer betrekking hadden en, voor een deel van de betrokken producten, betaling van omzetbelasting gevorderd.
23
Na aanvullend onderzoek hebben de Nederlandse douaneautoriteiten vastgesteld dat de aan- en verkopen van de door F ingevoerde producten steeds volgens een bepaald patroon verliepen. G kocht de betrokken producten van Zuid-Amerikaanse leveranciers voor prijzen die onder de reactieprijs lagen en verkocht deze door aan K voor prijzen die ruim boven de reactieprijs lagen. K verkocht de producten voor een iets hogere prijs dan de prijs waarvoor zij deze zelf had gekocht aan F, die vervolgens opdracht gaf tot invoer van de producten om deze in de Europese Unie in het vrije verkeer te brengen. F verkocht deze vervolgens door aan G voor een nog hogere prijs. G verkocht deze vervolgens aan D voor een prijs die zowel onder haar inkoopprijs als onder de reactieprijs lag. Tot slot verkocht D de producten aan een klant voor een prijs die hoger was dan de prijs waarvoor zij deze van G had gekocht, maar lager dan de prijs die G had betaald aan F, de prijs die F aan K had betaald bij de invoer van de producten en de reactieprijs.
24
Op grond van deze bevindingen en gelet op de nauwe banden tussen D, F en G, hebben de Nederlandse douaneautoriteiten zich op het standpunt gesteld dat A met andere marktdeelnemers een keten van transacties had opgezet waarbij de oorspronkelijke prijs voor de in verordening nr. 2777/75 bedoelde producten die waren gekocht van onafhankelijke leveranciers in Zuid-Amerika, bij de volgende transacties kunstmatig was verhoogd, zodanig dat de cif-invoerprijs van de betrokken producten hoger was dan de reactieprijs, met het oogmerk geen aanvullende rechten als bedoeld in de verordeningen nr. 2777/75 en nr. 1484/95 te betalen. De Minister heeft de koop- en verkoopovereenkomsten tussen G en K alsmede tussen K en F, net als de overeenkomsten tussen D, F en G, dan ook aangemerkt als schijntransacties. Bijgevolg stond hij op het standpunt dat de prijs die de oorspronkelijke Zuid-Amerikaanse leveranciers aan G in rekening hadden gebracht moest worden gebruikt als basis voor de berekening van de cif-invoerprijs en de eventueel verschuldigde aanvullende rechten.
25
Aangezien de aldus berekende cif-invoerprijzen lager waren dan de representatieve prijs waarvan was uitgegaan bij de afgifte van de aanslagbiljetten I, was voor elk van de aangiften van F een hoger bedrag aan aanvullende rechten verschuldigd dan het in die aanslagbiljetten gevorderde bedrag. De Minister stelde zich op het standpunt dat de douaneschulden waren ontstaan als gevolg van het doen van een onjuiste aangifte als bedoeld in artikel 48, lid 1, van de Douanewet, zodat de verschuldigde aanvullende rechten op grond van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 22e, lid 1, AWR, van de schuldenaar konden worden gevorderd na het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek vermelde termijn van drie jaar.
26
De Minister heeft bijgevolg op 7 en 10 mei 2010, onder meer aan A, ter zake van de meer verschuldigde aanvullende rechten uitnodigingen tot betaling (hierna: „aanslagbiljetten II”) uitgereikt. Deze aanslagbiljetten zijn, net als de aanslagbiljetten I, vastgesteld op de voet van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 54 van het Douanebesluit, op grond dat de in de door F ingediende aangiften voor het vrije verkeer opgegeven prijzen afkomstig waren van facturen die op instigatie van A tot stand waren gekomen, terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze facturen waren gegrond op kunstmatige transacties.
27
Op 22 september 2008 en 19 mei 2010 heeft A bij de bevoegde Nederlandse douaneautoriteit bezwaar ingediend tegen respectievelijk de aanslagbiljetten I en de aanslagbiljetten II. Deze bezwaren zijn afgewezen bij beslissingen van 16 januari 2012, waartegen A is opgekomen bij de rechtbank Noord-Holland (Nederland). Daar het beroep van A bij deze rechtbank ongegrond is verklaard, heeft A hoger beroep tegen die uitspraak ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam (Nederland), dat het hoger beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak in eerste aanleg heeft bevestigd. Daarop heeft A bij de verwijzende rechter beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam.
28
De verwijzende rechter deelt de beoordeling van het gerechtshof Amsterdam dat de in het hoofdgeding betrokken elkaar opvolgende transacties misbruik vormden in de zin van het arrest van
21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 69
en aldaar aangehaalde rechtspraak), namelijk handelingen die niet waren verricht in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel onrechtmatig voordeel te verkrijgen uit de door het Unierecht, met name door de verordeningen nr. 2777/75 en nr. 1484/95, toegekende voordelen.
29
Gelet op deze beoordeling overweegt de verwijzende rechter dat F, om aan de verplichting van artikel 3, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1484/95 te voldoen, de Nederlandse douaneautoriteiten de facturen had moeten overleggen die waren opgesteld door de Zuid-Amerikaanse leveranciers en gericht aan G. De verwijzende rechter heeft echter twijfels over de vraag of het niet-overleggen van deze facturen door F gelijkstaat aan het verstrekken van „[verkeerde] voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens” in de zin van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek.
30
De verwijzende rechter heeft ook twijfels over de precieze strekking van het begrip „personen die [...] [verkeerde] gegevens hebben verstrekt” in de zin van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek. Hij vraagt zich in het bijzonder af of dit begrip ook van toepassing is op een natuurlijke persoon, zoals A, die de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens niet zelf heeft verstrekt noch voor deze verstrekking als orgaan of functionaris van een rechtspersoon verantwoordelijk kan worden gesteld, maar die wel nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelsstromen in het kader waarvan anderen dergelijke gegevens hebben verstrekt.
31
Aangezien A bij de Nederlandse rechters heeft betoogd dat hij pas zo heeft gehandeld nadat door specialisten op het gebied van douanerecht was bevestigd dat die structuur in overeenstemming was met de toepasselijke, met name fiscale, bepalingen, vraagt de verwijzende rechter zich bovendien af of deze omstandigheid van invloed is op de toetsing aan de voorwaarde uit artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, dat de personen die gegevens hebben verstrekt redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.
32
De verwijzende rechter heeft tevens twijfels over de uitlegging van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, meer bepaald over de vraag of de Minister het recht had de aanslagbiljetten II meer dan drie jaar na de invoer van de betrokken producten uit te reiken. Hij merkt in dat verband op dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek enkel van toepassing lijkt te zijn op situaties waarin de goederen onrechtmatig het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht, zoals in geval van smokkel, en niet op situaties als die in het hoofdgeding. Volgens hem vloeit uit deze laatste bepaling voort dat in een situatie als die in het hoofdgeding, de douaneschuld ontstaat bij het doen van een douaneaangifte, wat geen strafrechtelijk vervolgbare handeling is.
33
Tot slot vermeldt de verwijzende rechter dat ingeval het Hof artikel 221, lid 4, van het douanewetboek aldus zou uitleggen dat geen beroep op de verlenging van de verjaringstermijn krachtens deze bepaling kan worden gedaan wanneer de douaneschuld is ontstaan op voet van artikel 201 van het douanewetboek, de vraag rijst of de aanslagbiljetten II rechtmatig zijn uitgereikt, aangezien de termijn van drie jaar die ingaat bij het ontstaan van de douaneschuld krachtens lid 3 van dit artikel was geschorst naar aanleiding van het beroep dat A had ingesteld tegen de aanslagbiljetten I. Hij is niettemin van oordeel dat moet worden vastgesteld of, overeenkomstig die bepaling, de douaneautoriteiten door het instellen van beroep, zolang dit beroep duurt, verdere bedragen mogen vorderen ten opzichte van de rechten die zijn gevorderd in het aanslagbiljet waartegen beroep is ingesteld.
34
In deze omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
-
Dient artikel 62 van het [douanewetboek] in samenhang gelezen met [...] de bepalingen van [verordeningen nr.] 2777/75 en [nr.] 1484/95 zo te worden uitgelegd dat tot de in artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het [douanewetboek] bedoelde gegevens op basis waarvan de douaneaangifte wordt opgesteld, mede behoren de in artikel 3, lid 2, van [verordening nr.] 1484/95 bedoelde, aan de douaneautoriteiten over te leggen, bescheiden?
-
Dient artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het [douanewetboek] aldus te worden uitgelegd dat onder de aansprakelijk te houden personen mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon, die niet zelf de in die alinea omschreven handeling (‚verstrekken van de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens’) feitelijk heeft verricht noch voor de uitvoering van die handeling als functionaris verantwoordelijk kan worden gesteld, maar die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en het vervolgens opzetten van een structuur van vennootschappen en handelsstromen in het kader waarvan vervolgens (door anderen) ‚het verstrekken van de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens’ heeft plaatsgevonden?
-
Dient de voorwaarde ‚terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens verkeerd waren’ in artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het [douanewetboek], aldus te worden uitgelegd dat rechtspersonen en natuurlijke personen, die ervaren marktdeelnemers zijn, niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor aanvullende rechten die wegens misbruik van recht zijn verschuldigd, wanneer zij pas tot het opzetten van een transactiestructuur met het oog op het ontwijken van aanvullende rechten zijn overgegaan, nadat door gerenommeerde specialisten op het gebied van het douanerecht was bevestigd dat een dergelijke structuur juridisch en fiscaal aanvaardbaar was?
-
Dient artikel 221, lid 4, van het [douanewetboek] aldus te worden uitgelegd dat de termijn van drie jaar niet wordt verlengd in een situatie waarin na het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, eerste volzin, van het [douanewetboek] bedoelde termijn wordt vastgesteld dat rechten bij invoer die op de voet van artikel 201 van het [douanewetboek] verschuldigd zijn geworden ten gevolge van het doen van een douaneaangifte voor het brengen van goederen in het vrije verkeer, niet eerder zijn geheven als gevolg van een opgave van verkeerde of onvolledige gegevens in de aangifte?
-
Dienen artikel 221, lid 3, en artikel 221, lid 4, van het [douanewetboek] aldus te worden uitgelegd dat, wanneer aan een douaneschuldenaar ter zake van een invoeraangifte eenmaal een mededeling van verschuldigde rechten is gedaan waartegen die douaneschuldenaar beroep in de zin van artikel 243 van het [douanewetboek] heeft ingesteld, de douaneautoriteiten ter zake van dezelfde douaneaangifte in aanvulling op deze in rechte betwiste mededeling wettelijk verschuldigde rechten bij invoer kunnen navorderen met voorbijgaan aan het hetgeen in artikel 221, lid 4, van het [douanewetboek] is bepaald?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
35
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, in omstandigheden als in het hoofdgeding, artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de bescheiden die krachtens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1484/95 moeten worden overgelegd, voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens vormen in de zin van deze bepaling.
36
In dat verband moet worden opgemerkt dat artikel 201, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat een douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer een aan rechten bij invoer onderworpen goed in het vrije verkeer wordt gebracht.
37
Verder moeten op grond van artikel 62, lid 2, van het douanewetboek bij de douaneaangiften alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.
38
Uit de verwijzingsbeslissing komt naar voren dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen waren aangegeven voor de douaneregeling van het in het vrije verkeer brengen, die overeenkomstig artikel 79, tweede alinea, van het douanewetboek de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten meebrengt. Uit artikel 4, punt 10, van het douanewetboek blijkt dat deze rechten onder meer de belastingen bij invoer omvatten, die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die van toepassing zijn op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen.
39
Uit de verwijzingsbeslissing komt tevens naar voren dat het bij de goederen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, gaat om partijen producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2777/75. Deze verordening is vastgesteld op basis van de artikelen 42 en 43 EEG, thans de artikelen 42 en 43 VWEU, die betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De aanvullende rechten bij invoer die zijn ingesteld overeenkomstig artikel 5 van deze verordening, moeten dus worden beschouwd als „belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid” in de zin van artikel 4, punt 10, van het douanewetboek.
40
De verwijzende rechter wijst er daarnaast op dat de cif-invoerprijs van een geleverde partij per 100 kilogram in het enig document in het onderhavige geval hoger was dan de representatieve prijs. In dergelijke gevallen dient de importeur op grond van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1484/95 aan de bevoegde instanties van de lidstaten van invoer als bewijs echter ten minste de verschillende in dat artikel opgesomde bescheiden over te leggen.
41
Hieruit volgt dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, het overleggen van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1484/95 bedoelde bescheiden als nodig moet worden beschouwd voor de opstelling van de douaneaangifte in de zin van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek.
42
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat, in omstandigheden als in het hoofdgeding, artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de bescheiden die krachtens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1484/95 moeten worden overgelegd, voor de opstelling van de douaneaangifte noodzakelijke gegevens vormen in de zin van deze bepaling.
Tweede en derde vraag
43
Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld in de zin van die bepaling mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad terwijl hij, ten eerste, niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte gegevens heeft verstrekt en, ten tweede, de betrokken transacties pas heeft bedacht en uitgevoerd nadat specialisten op het gebied van het douanerecht hem hadden verzekerd dat deze transacties wettig waren.
44
In dit verband moet er allereerst aan worden herinnerd dat volgens artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek geldt dat wanneer een douaneaangifte, voor de betrokken douaneregelingen, is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar kunnen worden beschouwd.
45
Uit deze bepaling vloeit voort dat gegevens die zijn gebruikt voor het opstellen van een douaneaangifte als „verkeerd” in de zin van deze bepaling moeten worden beschouwd, wanneer zij ertoe hebben geleid dat de wettelijk verschuldigde invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven.
46
Bijgevolg moeten, wanneer een douaneaangifte is opgesteld op basis van gegevens betreffende handelstransacties die zijn verricht met het doel het bedrag van de te betalen invoerrechten kunstmatig te verlagen, deze gegevens als „verkeerd” in de zin van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek worden beschouwd wanneer zij tot gevolg hebben dat de bij verordening nr. 2777/75 ingestelde aanvullende invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven over de betrokken goederen.
47
Wat betreft de vraag of, voor de toepassing van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, een persoon die nauw en bewust betrokken is bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelstransacties die aan de basis liggen van dergelijke gegevens, kan worden beschouwd als een persoon die deze gegevens heeft verstrekt, moet worden opgemerkt dat, volgens lid 3 van dat artikel, niet alleen de aangever schuldenaar van de douaneschuld kan zijn of, in geval van indirecte vertegenwoordiging, de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, maar ook de personen die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt.
48
Hieruit volgt dat artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek beoogt de invordering van de douaneschuld te vereenvoudigen door de kring van personen die als schuldenaar hiervan kunnen worden aangemerkt te vergroten.
49
Daartoe breidt deze bepaling het begrip „schuldenaar” in de zin van dit artikel uit tot andere personen dan de aangever, door wier optreden de douaneautoriteiten het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten onjuist hebben vastgesteld op basis van verkeerde gegevens.
50
Derhalve zou in omstandigheden waarin vaststaat dat personen een structuur van vennootschappen en handelstransacties hebben opgezet om de realiteit van de betrokken handelingen voor de douaneautoriteiten te verhullen, een uitlegging van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek in die zin dat krachtens bovenbedoelde bepaling enkel de personen die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt als schuldenaar van de douaneschuld kunnen worden beschouwd, ingaan tegen de doelstelling die met deze bepaling wordt nagestreefd.
51
Dientengevolge moet een persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelstransacties waardoor een douaneaangifte kon worden opgesteld op basis van gegevens die tot gevolg hebben dat de wettelijk verschuldigde rechten voor de goederen waarop deze verklaring betrekking heeft niet worden geheven, worden geacht betrokken te zijn geweest bij de handelingen in verband met het verstrekken van deze gegevens. Hij is dus, voor de toepassing van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, een persoon die dergelijke gegevens heeft verstrekt.
52
Bovendien moet een persoon, wanneer hij bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van die structuur van vennootschappen en handelstransacties, worden geacht redelijkerwijze te hebben geweten dat de door die structuur gegenereerde gegevens, waarop de douaneaangifte is gebaseerd, verkeerd waren. In dit verband is het feit dat deze persoon de structuur van vennootschappen en handelstransacties in kwestie pas heeft bedacht en op kunstmatige wijze opgezet nadat hem door specialisten op het gebied van douanerecht was verzekerd dat die structuur wettig was, niet van invloed.
53
In deze omstandigheden moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld in de zin van die bepaling mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen, als die in het hoofdgeding, die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad, terwijl hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat deze persoon wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de handelingen waarop die structuur betrekking had niet waren uitgevoerd in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel om de door het Unierecht toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen. De omstandigheid dat deze persoon die structuur pas heeft bedacht en op kunstmatige wijze opgezet nadat hem door specialisten op het gebied van douanerecht was verzekerd dat die structuur wettig was, is in dit verband niet van invloed.
Vierde vraag
54
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 221, lid 4, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat, in omstandigheden als in het hoofdgeding, het feit dat de douaneschuld bij invoer, overeenkomstig artikel 201, lid 1, ervan, is ontstaan doordat aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, de mogelijkheid uitsluit dat het bedrag van de voor dergelijke goederen verschuldigde invoerrechten aan de schuldenaar wordt medegedeeld na het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van dit wetboek bepaalde termijn.
55
Allereerst moet eraan worden herinnerd dat, ingevolge artikel 201, lid 1, van het douanewetboek, een douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer een aan rechten bij invoer onderworpen goed in het vrije verkeer wordt gebracht.
56
Overeenkomstig artikel 221, lid 3, van het douanewetboek mag de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Lid 4 van dat artikel voorziet niettemin in de mogelijkheid, voor de douaneautoriteiten, om de schuldenaar het bedrag aan wettelijke verschuldigde rechten mede te delen na het verstrijken van de termijn van drie jaar wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar was.
57
Uit punt 40 van dit arrest vloeit voort dat in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding de aanvullende rechten die overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 2777/75 zijn ingesteld, onder de douaneschuld vallen. Bijgevolg moet, aangezien het verstrekken van verkeerde gegevens de oorzaak is van het feit dat dergelijke rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, een dergelijke douaneschuld worden geacht te zijn „ontstaan”, in de zin van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, als gevolg van het verstrekken van deze gegevens.
58
In dit verband zij aangetekend dat, ofschoon uit artikel 201, lid 1, van het douanewetboek volgt dat het in het vrije verkeer brengen een van de in dit artikel opgesomde feiten is die de douaneschuld bij invoer doen ontstaan, deze overweging niet tot gevolg kan hebben dat een dergelijke schuld niet, in de zin van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, is „ontstaan” als gevolg van handelingen als die aan de orde in het hoofdgeding.
59
Uit niets blijkt namelijk dat de wetgever van de Unie de strafrechtelijk vervolgbare handelingen die in de weg hebben gestaan aan het geheel of gedeeltelijk heffen van douanerechten in het kader van het in het vrije verkeer brengen, heeft willen uitsluiten van de werkingssfeer van artikel 221, lid 4, van het douanewetboek.
60
Een tegengestelde uitlegging zou de verwezenlijking van de doelstelling van deze bepaling, namelijk het uitbreiden van de mogelijkheden tot invordering van de douaneschuld, kunnen ondermijnen.
61
Derhalve moet worden vastgesteld dat in de situaties waarin artikel 201 van het douanewetboek van toepassing is, kan worden voorbijgegaan aan de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek bepaalde mededelingstermijn van drie jaar indien de betrokken goederen illegaal in het vrije verkeer zijn gebracht na de opstelling van een douaneaangifte op basis van verkeerde gegevens en deze omstandigheid strafrechtelijk vervolgbaar is.
62
Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding het feit dat de douaneschuld bij invoer overeenkomstig artikel 201, lid 1, ervan, is ontstaan doordat aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, op zichzelf niet de mogelijkheid uitsluit om het bedrag van de voor dergelijke goederen verschuldigde invoerrechten aan de schuldenaar mede te delen na het verstrijken van de termijn van artikel 221, lid 3, van dat wetboek.
Vijfde vraag
63
Uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter, die kort zijn weergegeven in punt 33 van dit arrest, volgt dat indien het Hof van oordeel is dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek kan worden aangevoerd ten aanzien van op basis van artikel 201 van dit wetboek ontstane douaneschulden, de vijfde vraag niet hoeft te worden beantwoord. Gelet op het antwoord op de vierde vraag, hoeft de vijfde vraag derhalve niet te worden beantwoord.