Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18
44
In zijn schriftelijke opmerkingen betoogt Van den Berg dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 niet-ontvankelijk is omdat cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden slechts in een limitatief omschreven aantal bepalingen kan worden ingesteld en artikel 6a AOW daar niet bij zit. De verwijzende rechter had de zaak dus niet inhoudelijk mogen behandelen en was derhalve niet bevoegd om vragen te stellen aan het Hof.
45
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een regel van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van
10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 26
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van
10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 27
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet aan het Hof staat om te toetsen of de beslissing waarbij het is aangezocht, in overeenstemming met de regels van nationaal recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering is gegeven (arrest van
16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 26
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
De argumenten van Van den Berg zijn dan ook niet voldoende om te leiden tot weerlegging van het in punt 46 van dit arrest genoemde vermoeden van relevantie. Hieruit volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 ontvankelijk is.
Eerste en tweede vraag in de zaken C‑95/18 en C‑96/18
49
Met de eerste en de tweede vraag in de zaken C‑95/18 en C‑96/18, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 45 en 48 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.
50
Ter beantwoording van deze vragen moet in herinnering worden gebracht dat, teneinde het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Unie te verzekeren, met als beginsel hun gelijke behandeling ten aanzien van de verschillende nationale wetgevingen, bij verordening nr. 1408/71, in titel II, een coördinatiestelsel is ingesteld dat onder meer betrekking heeft op de vaststelling van de wetgeving(en) die moet(en) worden toegepast op werknemers en zelfstandigen die gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer. De volledigheid van dit stelsel van conflictregels heeft tot gevolg dat de wetgever van elke afzonderlijke lidstaat in beginsel niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling naar eigen inzicht te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (arrest van
26 februari 2015, De Ruyter, C‑623/13, EU:C:2015:123, punten 34 en 35
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 13 van verordening nr. 1408/71, dat de algemene regels voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving bevat, in lid 1 dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn, hetgeen, onder voorbehoud van de in de artikelen 14 quater en 14 septies voorziene gevallen, elke mogelijkheid van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen over eenzelfde periode uitsluit (arrest van
26 februari 2015, De Ruyter, C‑623/13, EU:C:2015:123, punt 36
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 vult het in artikel 13, lid 1, neergelegde beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, verder in en bepaalt dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.
53
Het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is heeft echter niet tot gevolg dat een lidstaat die krachtens de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, de bevoegdheid kan worden ontzegd om onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig zijn nationale recht aan een migrerende werknemer gezinsbijslagen of een ouderdomspensioen toe te kennen. Verordening nr. 1408/71 strekt er immers niet toe de lidstaat waar een persoon woont, te beletten deze persoon krachtens zijn wetgeving gezinsbijslagen of ouderdomsuitkeringen toe te kennen, ook al is deze persoon ingevolge artikel 13, lid 2, onder a), van die verordening onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar hij werkzaamheden in loondienst uitoefent (zie in die zin arrest van
23 april 2015, Franzen e.a., C‑382/13, EU:C:2015:261, punten 58‑61
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
De verwijzende rechter wijst erop dat in de hoofdgedingen de toepasselijke Nederlandse wetgeving met zich meebrengt dat een persoon die ingezetene van Nederland is, niet verzekerd is voor het nationale stelsel van sociale verzekeringen indien hij in een andere lidstaat werkt. Deze wetgeving laat ook geen ruimte voor een andere uitkomst, aangezien in omstandigheden als die van de hoofdgedingen geen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausules van het BUB 1989 en het BUB 1999. Een persoon in een situatie als die waarop die zaken betrekking hebben, kan volgens de verwijzende rechter dus geen gebruik maken van de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde mogelijkheid om af te wijken van het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.
55
Ook kenmerkend voor de geschetste situatie is dat de migrerende werknemers in casu geen recht hadden op uitkering ingevolge de wetgeving van de werklidstaat, die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is.
56
Het is juist dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de Unieburgers gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie elk willekeurig beroep uit te oefenen en in de weg staan aan maatregelen die deze burgers zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst een activiteit willen verrichten. Het primaire recht van de Unie kan een werknemer evenwel niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst op sociaal gebied neutraal is aangezien een dergelijke verplaatsing, rekening houdend met de verschillen tussen de regelingen en wetgevingen van de lidstaten, naargelang van het geval, op dat gebied meer of minder voordelig kan zijn voor de betrokken persoon (zie in die zin arrest van
18 juli 2017, Erzberger, C‑566/15, EU:C:2017:562, punten 33 en 34
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Artikel 45 VWEU staat weliswaar in de weg aan nationale maatregelen die het gebruik van de in dat artikel neergelegde fundamentele vrijheid van verkeer door Unieburgers kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, maar deze bepaling geeft een werknemer die zich naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst verplaatst, niet het recht om zich in de gastlidstaat te beroepen op dezelfde sociale verzekeringen als die waarvoor hij in zijn lidstaat van herkomst in aanmerking kwam in overeenstemming met de wetgeving van die laatste staat (zie naar analogie arrest van
18 juli 2017, Erzberger, C‑566/15, EU:C:2017:562, punten 33 en 35
).
58
Artikel 45 VWEU kan ook niet aldus worden uitgelegd dat het een migrerende werknemer het recht geeft om zich in zijn woonlidstaat te beroepen op dezelfde sociale verzekeringen als die waarvoor hij in aanmerking zou komen indien hij in die lidstaat zou werken, wanneer het zo is dat hij in een andere lidstaat werkt en ingevolge de bepalingen van de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is, niet in aanmerking komt voor sociale verzekeringen.
59
Voorts raakt artikel 48 VWEU, dat in een regeling voor de coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten voorziet, niet aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij verzekerde personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het Unierecht de voorwaarden voor toekenning van uitkeringen krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen (arrest van
12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak, C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339, punt 42
).
60
Wordt artikel 48 VWEU echter aldus uitgelegd dat een lidstaat die niet bevoegd is, verplicht is om sociale verzekeringen toe te kennen aan een migrerende werknemer die in een andere lidstaat arbeid in loondienst verricht, dan staat in omstandigheden als die van de hoofdgedingen de regeling voor de coördinatie van de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten ter discussie, welke regeling nadere invulling heeft gekregen in het in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.
61
Die uitlegging dreigt namelijk het middels het VWEU ingestelde evenwicht te verstoren, aangezien een dergelijke verplichting in situaties als die in de hoofdgedingen ertoe kan leiden dat alleen de wet van de lidstaat met de gunstigste socialezekerheidsregeling wordt toegepast. Een dergelijk aanknopingscriterium is praktisch zeer moeilijk uitvoerbaar, gelet op de vele potentiële uitkeringen uit hoofde van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 genoemde verschillende takken van sociale zekerheid.
62
Bovendien kan door die oplossing het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat met de gunstigste socialezekerheidsregeling verstoord raken.
63
Uit de gegevens die de verwijzende rechter in zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft verstrekt, blijkt dat de omstandigheid dat de migrerende werknemers die partij zijn in de hoofdgedingen niet verzekerd waren voor de sociale verzekeringen gedurende de tijdvakken dat zij buiten hun woonlidstaat hebben gewerkt, louter voortvloeit uit de toepassing van de wetgeving van de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is. Opgemerkt moet worden dat er geen sprake is van harmonisatie van de inhoud van de nationale socialezekerheidswetgevingen, noch op grond van de bepalingen van het VWEU, noch op grond van verordening nr. 1408/71.
64
De artikelen 45 en 48 VWEU kunnen derhalve niet aldus worden uitgelegd dat zij in omstandigheden als die in de hoofdgedingen voor de woonlidstaat de verplichting behelzen om uitkering toe te kennen aan een migrerende werknemer wanneer deze werknemer volgens de wetgeving van de werklidstaat, die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is, niet in aanmerking komt voor uitkering.
65
Overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1408/71 kunnen twee lidstaten in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of groepen personen, wel uitzonderingen vaststellen op het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. Dit is met name zinvol wanneer, zoals bij partijen in de hoofdgedingen, de migrerende werknemer volgens de toepasselijke wetgeving van de werklidstaat niet in aanmerking komt voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag en daarvoor wel in aanmerking zou zijn gekomen als hij in zijn woonlidstaat werkloos zou zijn gebleven.
66
Gelet op al het voorgaande moeten de artikelen 45 en 48 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.
Derde vraag in zaak C‑95/18
67
Met de derde vraag in zaak C‑95/18 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.
68
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat hoewel krachtens artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont, dit niet wegneemt dat deze verordening er niet toe strekt de woonstaat te beletten deze persoon krachtens zijn wetgeving een uitkering zoals een ouderdomspensioen toe te kennen (zie in die zin arrest van
20 mei 2008, Bosmann, C‑352/06, EU:C:2008:290, punt 31
).
69
In het arrest van
20 mei 2008, Bosmann (C‑352/06, EU:C:2008:290, punt 32
), heeft het Hof onder verwijzing naar de arresten van
12 juni 1986, Ten Holder (302/84, EU:C:1986:242
), en
10 juli 1986, Luijten (60/85, EU:C:1986:307
), aangegeven dat op basis van die arresten, bij lezing daarvan in hun specifieke contexten, welke van die van het hoofdgeding verschillen, niet kan worden uitgesloten dat een lidstaat die niet de bevoegde staat is en die het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst en inzake verzekering, aan een persoon die op zijn grondgebied woont een dergelijke bijslag kan toekennen, wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan.
70
Met zijn oordeel dat de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk kan stellen van een verzekeringsvoorwaarde, heeft het Hof enkel uitdrukking gegeven aan het voor migrerende werknemers geldende beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. Artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt immers dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont. Gelet op het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, kan de lidstaat waar de migrerende werknemer woont, dus aan die werknemer geen verzekeringsplicht opleggen zonder het coördinatiestelsel als bedoeld in artikel 48 VWEU ter discussie te stellen.
71
Een dergelijke verzekeringsplicht, met bijbehorende premiebetaling, die wordt opgelegd door een lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, zou ertoe kunnen leiden dat een migrerende werknemer in twee verschillende lidstaten premies voor sociale verzekeringen moet betalen, hetgeen zich niet verdraagt met het door de Uniewetgever vastgelegde beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.
72
Dat de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk kan stellen van een verzekeringsvoorwaarde, mag echter niet aldus worden opgevat dat een migrerende werknemer niet verzekerd kan zijn in die lidstaat. De woonlidstaat kan namelijk op basis van een ander aanknopingscriterium dan voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering, uitkeringen – en met name een ouderdomsuitkering – toekennen aan een ingezetene, wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan.
73
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 blijkt dat de echtgenote van Giesen overeenkomstig het nationale recht dat van toepassing was tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode, in die periode voor de AOW verzekerd was als ingezetene van Nederland. Het in die wet gehanteerde aanknopingscriterium was dus waar de migrerende werknemer woont.
74
Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering er echter op gewezen dat premiebetaling nodig was om in aanmerking te komen voor ouderdomsuitkeringen en dat ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in zaak C‑95/18 het wooncriterium alleen niet voldoende was voor toekenning van dergelijke uitkeringen. De verwijzende rechter dient dus na te gaan of de echtgenote van Giesen ten tijde van de feiten in zaak C‑95/18 recht had op een ouderdomsuitkering, ongeacht of zij premieplichtig was.
75
Opgemerkt moet nog worden dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de artikelen 45 en 48 VWEU, alsmede de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordening nr. 1408/71, met name tot doel hebben te voorkomen dat een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, zonder objectieve rechtvaardiging minder gunstig wordt behandeld dan een werknemer die al zijn arbeidsjaren in één lidstaat heeft vervuld (arrest van
12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak, C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339, punt 80
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
Dit laatste zou echter het geval zijn indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling tot gevolg heeft dat de migrerende werknemer wordt benadeeld ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden verrichten in de lidstaat waar die regeling van toepassing is, en dat die werknemer premies moet betalen die geen recht geven op een uitkering, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
77
Gelet op een en ander moet artikel 13 van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.