Eerste vraag
31
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 aldus moet worden uitgelegd dat reeds omdat de in de Unie ingevoerde goederen met verlies zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs, vastgesteld moet worden dat deze laatste prijs niet juist is gebleken.
32
Ter beantwoording van deze vraag moet in eerste instantie worden bepaald welke betekenis moet worden toegekend aan het vereiste van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 dat „de zending is afgezet tegen voorwaarden waaruit blijkt dat de in lid 2 bedoelde [cif‑invoerprijzen] juist zijn”.
33
Daarbij moet worden opgemerkt dat deze verordening geen definitie bevat van het begrip „afzetvoorwaarden” zoals opgenomen in artikel 3, lid 4.
34
Uit de vereisten dat het Unierecht eenvormig wordt toegepast en dat het gelijkheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, vloeit voort dat een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd (arrest van
1 oktober 2019, Planet49, C‑673/17, EU:C:2019:801, punt 47
en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet er volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen en de doelstellingen ervan, maar ook met de context ervan en met het Unierecht in zijn geheel [zie in die zin arresten van
4 juli 2019, Baltic Media Alliance, C‑622/17, EU:C:2019:566, punt 63
, en
8 juli 2019, Commissie/België (Artikel 260, lid 3, VWEU – Netwerken met hoge snelheid), C‑543/17, EU:C:2019:573, punt 49
].
35
Met betrekking tot, in de eerste plaats, de letterlijke uitlegging van het begrip „afzetvoorwaarden”, dat in het merendeel van de taalversies van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 wordt gebruikt, wijst het gebruik van het meervoud in de term „voorwaarden” erop dat de wetgever daarmee een geheel van samenhangende voorwaarden bedoelde en niet slechts één voorwaarde. Bovendien verwijst de term „afzet” in beginsel naar de verkoop op de Uniemarkt van een zending voordien ingevoerde goederen.
36
Bovendien kan volgens artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 uit deze „afzetvoorwaarden” blijken dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is. Het gebruik van de term „blijkt” toont in dit verband aan dat hetgeen in deze voorwaarden is opgenomen een reeks aanwijzingen kan vormen waaruit blijkt dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is.
37
Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dus dat het begrip „afzetvoorwaarden” moet worden opgevat als een verwijzing naar alle omstandigheden die zich voordoen nadat goederen in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht en waaruit kan blijken dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist of daarentegen onjuist is.
38
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat deze mogelijkheid dat de cif‑invoerprijs juist blijkt in het licht van alle omstandigheden waaronder een partij goederen wordt afgehandeld, past bij het met verordening nr. 1484/95 nagestreefde doel dat, zoals blijkt uit artikel 3, lid 2, van deze verordening, gelezen in samenhang met de derde overweging ervan, erin bestaat een procedure vast te stellen ter verificatie van de juistheid van de in een douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs. Deze procedure wordt toegepast wanneer de in een douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs hoger is dan de voor het betreffende product geldende representatieve prijs, die op grond van artikel 2, lid 1, van deze verordening in essentie overeenkomt met de op een gegeven moment geldende gemiddelde marktprijs van het betrokken product.
39
Aangezien de aanvullende rechten worden berekend op basis van de cif‑invoerprijs zoals die in een douaneaangifte staat vermeld, kan een importeur er immers belang bij hebben om een extra hoge cif‑invoerprijs aan te geven, teneinde verschuldigde rechten te ontduiken of het te betalen bedrag te verlagen. Zoals blijkt uit artikel 4 van verordening nr. 1484/95 is het bedrag aan aanvullende rechten dat de importeur moet betalen lager naarmate de cif‑invoerprijs hoger is.
40
Wanneer de cif‑invoerprijs hoger is dan de geldende representatieve prijs, kunnen de douaneautoriteiten op grond van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95, nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, de cif‑invoerprijs verifiëren door na te gaan of uit de „afzetvoorwaarden” van de goederenzending blijkt dat deze prijs juist is.
41
In de derde plaats moet met betrekking tot de context waarin dit begrip „afzetvoorwaarden” wordt gebruikt, worden opgemerkt dat uit de gezamenlijke lezing van de leden 4 en 5 van artikel 3 van verordening nr. 1484/95 blijkt dat de douaneautoriteiten de mogelijkheid hebben om achteraf, dat wil zeggen nadat de betrokken goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, te verifiëren of de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is, teneinde in voorkomend geval aanvullende rechten te heffen die aanvankelijk niet waren toegepast omdat een cif‑invoerprijs was aangegeven die niet met de werkelijke prijs overeenstemde.
42
Uit een en ander volgt dat het begrip „afzetvoorwaarden” uit artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 aldus moet worden uitgelegd dat daarmee alle voorwaarden worden bedoeld waaronder goederen in de Unie worden verkocht en die een reeks overeenstemmende aanwijzingen kunnen vormen waaruit kan blijken dat de in een douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is en aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van een in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan aanvullende rechten.
43
Op basis van deze uitlegging moet in tweede instantie worden vastgesteld of de douaneautoriteiten reeds omdat een importeur zijn in de Unie ingevoerde goederen met verlies heeft verkocht – namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs – kunnen vaststellen dat deze prijs niet juist is gebleken en aanvullende rechten kunnen heffen.
44
Hieromtrent moet worden opgemerkt dat een dergelijke verkoop met verlies, die per definitie geen rendabele handelspraktijk is, zeker een sterke aanwijzing kan vormen dat de importeur de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs kunstmatig heeft verhoogd teneinde het verschuldigde invoerrecht te ontduiken of het te betalen bedrag te verlagen, met name wanneer het gaat om een periodiek terugkerende verkoop met verlies of om over een langere periode plaatsvindende verkooptransacties met verlies.
45
Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen de douaneautoriteiten echter niet uit enkel de vaststelling dat een importeur goederen in de Unie met verlies heeft doorverkocht, automatisch afleiden dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs niet overeenkomt met de werkelijke prijs.
46
Zoals in punt 42 van dit arrest is vastgesteld, moet de juistheid van de in een douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs overeenkomstig artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 worden geverifieerd tegen de achtergrond van alle afzetvoorwaarden van de goederenzending. De douaneautoriteiten kunnen immers alleen oordelen dat de in deze douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs niet overeenkomt met de werkelijke prijs wanneer uit een reeks overeenstemmende aanwijzingen met betrekking tot al deze voorwaarden niet blijkt dat deze cif‑invoerprijs juist is, en alleen dan kunnen zij het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan aanvullende rechten vaststellen. De douaneautoriteiten kunnen dus niet na enkel een verificatie van de verkoopprijs van de betrokken goederen de cif‑invoerprijs buiten beschouwing laten en aanvullende rechten heffen.
47
Zoals de Nederlandse regering en de Commissie in hun opmerkingen hebben betoogd, is het in een situatie waarin goederen in de Unie zijn ingevoerd en vervolgens met verlies zijn verkocht, mogelijk dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs gerechtvaardigd is in het licht van andere afzetvoorwaarden van de goederenzending, met inbegrip van commerciële gegevens over die zending. Het is dus niet uitgesloten dat een ongunstige ontwikkeling van de marktprijs van de betrokken goederen een importeur in bepaalde omstandigheden ertoe kan dwingen deze goederen gedurende een bepaalde periode te verkopen tegen een lagere prijs dan de prijs die hij zelf heeft betaald bij de transactie waarvoor de douaneaangiften zijn gedaan, teneinde zijn positie op die markt te handhaven.
48
Zoals volgt uit artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 moet de importeur de douaneautoriteiten echter wel het bewijs leveren dat de zending is afgezet tegen voorwaarden waaruit blijkt dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is.
49
Zoals de advocaat-generaal in de punten 43 en 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat, ingeval de cif‑invoerprijs lager is dan de geldende representatieve prijs, de bewijslast bij de importeur ligt. Hij moet alle benodigde informatie en uitleg ter zake verstrekken, in het bijzonder met betrekking tot de omstandigheden rond een eventuele verliesgevende verkoop van de betrokken goederen en met betrekking tot de mogelijke banden tussen de importeur en de afnemers van die goederen op de Uniemarkt, en zo bewijzen dat uit de afzetvoorwaarden van de betrokken zending blijkt dat de door hem aangegeven cif‑invoerprijs juist is.
50
Indien de importeur, na in de gelegenheid te zijn gesteld te bewijzen dat uit deze afzetvoorwaarden blijkt dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is, geen bewijzen of gegevens heeft overgelegd aan de hand waarvan de juistheid van deze prijs kan worden vastgesteld, gaan de douaneautoriteiten, zoals volgt uit artikel 3, lid 5, van verordening nr. 1484/95, ertoe over de verschuldigde aanvullende rechten overeenkomstig artikel 220 van het douanewetboek te innen.
51
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1484/95 aldus moet worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif‑invoerprijs niet juist is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden waaronder deze goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is.
Tweede vraag
52
Met zijn tweede vraag informeert de verwijzende rechter bij het Hof naar de methode die de douaneautoriteiten moeten gebruiken om de aanvullende rechten te bepalen die mogelijkerwijs verschuldigd zijn wanneer de importeur niet overeenkomstig de overwegingen in de punten 48 tot en met 50 van dit arrest bewijst dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is.
53
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter bijgevolg in essentie te vernemen of artikel 3, lid 5, en artikel 4 van verordening nr. 1484/95 aldus moeten worden uitgelegd dat de aanvullende douanerechten berekend moeten worden op basis van de representatieve prijs ingeval de importeur de juistheid van de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs niet heeft kunnen bewijzen.
54
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van
13 december 2001, Kloosterboer Rotterdam (C‑317/99, EU:C:2001:681, punt 30
), waaraan de verwijzende rechter refereert, weliswaar heeft geoordeeld dat wanneer een cif‑invoerprijs beschikbaar is, deze altijd als grondslag voor de vaststelling van een aanvullend recht moet dienen, maar dat dit arrest betrekking had op de geldigheid van een eerdere versie van artikel 3 van verordening nr. 1484/95, waarin was bepaald dat dit recht alleen op basis van de cif‑invoerprijs werd vastgesteld indien de importeur hierom verzocht. De vraag hoe de aanvullende invoerrechten moeten worden berekend wanneer de juistheid van de cif‑invoerprijs niet is bewezen, heeft het Hof in dat arrest daarentegen niet onderzocht.
55
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1484/95 vastgestelde aanvullende invoerrechten moeten worden beschouwd als „belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid” in de zin van artikel 4, punt 10, van het douanewetboek en dat die geacht worden te vallen onder de douaneschuld (zie naar analogie arrest van
19 oktober 2017, A, C‑522/16, EU:C:2017:778, punten 39 en 57
).
56
Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt in dit verband met de Unieregeling inzake de douanewaarde beoogd een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit (arrest van
15 juli 2010, Gaston Schul, C‑354/09, EU:C:2010:439, punt 27
en aldaar aangehaalde rechtspraak). De douaneautoriteiten kunnen zich bij de berekening van aanvullende invoerrechten dus niet baseren op een prijs die niet juist is gebleken.
57
Hieruit volgt dat de douaneautoriteiten de door de importeur opgegeven cif‑invoerprijs buiten beschouwing moeten laten wanneer de juistheid van deze prijs niet is aangetoond. In een dergelijke situatie moet de hoogte van de verschuldigde aanvullende rechten worden berekend aan de hand van de algemene bepalingen van het douanewetboek die betrekking hebben op de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen, en met name die waarin artikel 29 van dat wetboek voorziet.
58
Zoals de advocaat-generaal in de punten 51 tot en met 53 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, kunnen de douaneautoriteiten, wanneer het niet mogelijk is de douanewaarde met toepassing van dit artikel 29 vast te stellen, gebruikmaken van de in de artikelen 30 en 31 van het douanewetboek genoemde vervangende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van deze goederen, waarbij zij met name rekening houden met de verkoopprijs van identieke goederen die voor uitvoer naar de Unie zijn verkocht en op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald (zie naar analogie arrest van
16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punten 33 en 35
).
59
Uit een en ander volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 3, lid 5, en artikel 4 van verordening nr. 1484/95 aldus moeten worden uitgelegd dat, ingeval de importeur niet heeft kunnen bewijzen dat de in de douaneaangifte vermelde cif‑invoerprijs juist is, de douaneautoriteiten deze prijs bij de heffing van aanvullende rechten buiten beschouwing moeten laten en gebruik moeten maken van de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen die zijn neergelegd in de artikelen 29 tot en met 31 van het douanewetboek.