Eerste vraag
39
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat via een onlineplatform mogelijke huurders tegen vergoeding in contact worden gebracht met professionele of niet-professionele verhuurders die accommodatie voor een kort verblijf aanbieden, waarbij tegelijk een aantal andere diensten wordt aangeboden, zoals een schema om hun aanbod te omschrijven, een fotodienst, een verzekering civielrechtelijke aansprakelijkheid en een schadewaarborg, een tool voor de bepaling van de huurprijs of betalingsdiensten voor deze accommodatiediensten, moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van richtlijn 2000/31.
40
Om te beginnen zij ten eerste opgemerkt dat de bemiddelingsdienst waar het in het hoofdgeding om gaat, onder het begrip „dienst” in de zin van artikel 56 VWEU en richtlijn 2006/123 valt, hetgeen door geen van de partijen of de andere belanghebbenden die aan de procedure hebben deelgenomen wordt betwist.
41
Ten tweede dient er niettemin aan te worden herinnerd dat deze richtlijn overeenkomstig artikel 3, lid 1, ervan niet van toepassing is indien de bepalingen ervan strijdig zijn met een bepaling van een andere Uniehandeling die betrekking heeft op specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen.
42
Teneinde uit te maken of een dienst als die waar het in het hoofdgeding om gaat onder richtlijn 2006/123 valt, zoals AHTOP en de Franse regering stellen, dan wel integendeel onder richtlijn 2000/31 valt, zoals Airbnb Ireland, de Tsjechische en de Luxemburgse regering alsook de Commissie aanvoeren, dient bijgevolg te worden bepaald of een dergelijke dienst moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31.
43
Gelet op het tijdsbestek waarin de in de klacht van AHTOP bedoelde feiten en de strafprocedure met civielepartijstelling bij de verwijzende rechter zich situeren, is in de definitie van het begrip „dienst van de informatiemaatschappij” als bedoeld in artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31 achtereenvolgens verwezen naar artikel 1, eerste alinea, punt 2, van richtlijn 98/34 en vervolgens vanaf 7 oktober 2015 naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535. Deze definitie werd evenwel niet gewijzigd naar aanleiding van de inwerkingtreding op 7 oktober 2015 van richtlijn 2015/1535, waarnaar om die reden uitsluitend zal worden verwezen in het onderhavige arrest.
44
Ingevolge artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535 omvat het begrip „dienst van de informatiemaatschappij”„elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht”.
45
In casu merkt de verwijzende rechter op, zoals dit blijkt uit punt 18 van het onderhavige arrest, dat de dienst waar het in het hoofdgeding om gaat, ertoe strekt via een onlineplatform mogelijke huurders tegen vergoeding in contact te brengen met professionele of niet-professionele verhuurders die accommodatie voor een kort verblijf aanbieden, zodat huurders een accommodatie kunnen reserveren.
46
Allereerst vloeit hieruit voort dat deze dienst tegen vergoeding wordt verricht, ook al wordt de door Airbnb Payments UK ontvangen provisie uitsluitend bij de huurder en niet ook bij de verhuurder geïnd.
47
Vervolgens vormt deze dienst, voor zover de huurder en de verhuurder via een onlineplatform met elkaar in contact worden gebracht zonder dat de verrichter van de bemiddelingsdienst en de verhuurder of de huurder gelijktijdig aanwezig zijn, een dienst die op afstand en via elektronische weg wordt verricht. Bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen, enerzijds, Airbnb Ireland of Airbnb Payments UK en, anderzijds, de huurder of de verhuurder komen de partijen immers op geen enkel moment met elkaar in contact op een andere wijze dan via het gelijknamige onlineplatform.
48
Ten slotte wordt de betrokken dienst verstrekt op individueel verzoek van de afnemer van die dienst, aangezien voor die dienst wordt verondersteld dat tegelijkertijd de verhuurder een advertentie online plaatst en de in die advertentie geïnteresseerde huurder een individueel verzoek online doet.
49
Een dergelijke dienst voldoet derhalve aan de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535 en vormt dus in beginsel een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van richtlijn 2000/31.
50
Zoals de partijen en de andere belanghebbenden die aan de procedure hebben deelgenomen aanvoeren, heeft het Hof evenwel geoordeeld dat ook al vormt een bemiddelingsdienst die aan al deze voorwaarden voldoet in beginsel een dienst die te onderscheiden is van de daaropvolgende dienst waarop hij betrekking heeft en dus moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij”, dit anders ligt wanneer blijkt dat deze bemiddelingsdienst integrerend deel uitmaakt van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een dienst die onder een andere juridische kwalificatie valt (zie in die zin arrest van
20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi, C‑434/15, EU:C:2017:981, punt 40
).
51
In casu stelt AHTOP in wezen dat de door Airbnb Ireland verrichte dienst integrerend deel uitmaakt van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een accommodatiedienstverrichting. Aldus is AHTOP van mening dat Airbnb Ireland niet alleen twee partijen via het gelijknamige onlineplatform met elkaar in contact brengt, maar ook aanvullende diensten aanbiedt die de kenmerken vertonen van een bemiddelingsdienst in onroerende goederen.
52
De door Airbnb Ireland verrichte bemiddelingsdienst beoogt weliswaar de verhuur van accommodatie mogelijk te maken, waarbij het vaststaat dat deze verhuur onder richtlijn 2006/123 valt, maar de aard van het verband tussen deze diensten rechtvaardigt evenwel niet dat deze bemiddelingsdienst wordt uitgesloten van de kwalificatie als „dienst van de informatiemaatschappij” en dus van de toepassing van richtlijn 2000/31.
53
Een dergelijke bemiddelingsdienst staat immers los van de eigenlijke vastgoedtransactie voor zover deze dienst niet enkel ertoe strekt dat onmiddellijk een accommodatiedienst wordt verricht, maar veeleer dat op basis van een overzichtelijke lijst van accommodatie die op het gelijknamige onlineplatform beschikbaar is en voldoet aan de criteria die zijn opgegeven door de personen op zoek naar accommodatie voor een kort verblijf, een tool wordt aangereikt waarmee overeenkomsten voor toekomstige transacties eenvoudiger kunnen worden afgesloten. Het wezenlijke kenmerk van het door Airbnb Ireland beheerde onlineplatform ligt in het opstellen van een dergelijke lijst ten gunste van zowel verhuurders die over te huur staande accommodatie beschikken als personen die op zoek zijn naar dergelijke accommodatie.
54
Het verzamelen van aanbiedingen in een gestandaardiseerde vormgeving, samen met zoek-, lokalisatie‑ en vergelijkingstools voor deze aanbiedingen, vormt gelet op de omvang ervan een dienst die niet kan worden beschouwd als een gewoon nevenelement van een dienstenpakket dat onder een andere juridische kwalificatie valt, te weten een accommodatiedienstverrichting.
55
Bovendien blijkt een dienst als die welke Airbnb Ireland verricht, geenszins absoluut noodzakelijk te zijn voor de verrichting van accommodatiediensten zowel uit het oogpunt van de huurders als uit het oogpunt van de verhuurders die daarop een beroep doen, aangezien zowel de huurders als de verhuurders over talrijke andere, vaak sinds lange tijd beschikbare kanalen beschikken, zoals vastgoedkantoren, advertenties op papier of online of websites voor de verhuur van onroerende goederen. Uit het feit alleen dat Airbnb Ireland rechtstreeks de concurrentie aangaat met deze kanalen door haar gebruikers, te weten zowel de verhuurders als de huurders, een innoverende dienst aan te bieden die schatplichtig is aan de bijzondere kenmerken van een handelsactiviteit van de informatiemaatschappij, kan niet worden afgeleid dat deze dienst absoluut noodzakelijk is voor de verrichting van een accommodatiedienst.
56
Ten slotte blijkt noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt dat Airbnb Ireland de huurprijzen die worden gevraagd door de verhuurders die haar platform gebruiken, bepaalt of plafonneert. Hooguit biedt Airbnb Ireland een optionele tool aan, waarmee de verhuurprijs kan worden vastgesteld op basis van de gemiddelde marktprijzen op dat platform, waarbij uitsluitend de verhuurder verantwoordelijk is voor de bepaling van de huurprijs.
57
Hieruit volgt dat een bemiddelingsdienst als die welke Airbnb Ireland verricht, als zodanig niet kan worden beschouwd als een integrerend deel van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement zou bestaan in een accommodatiedienst.
58
Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door een van de overige in punt 19 van het onderhavige arrest vermelde prestaties, in hun geheel dan wel afzonderlijk beschouwd. Integendeel, dergelijke prestaties vormen nevendiensten aangezien zij voor de verhuurders geen doel op zich vormen, maar een middel om de door Airbnb Ireland verrichte bemiddelingsdienst zo goed mogelijk te benutten of onder optimale voorwaarden accommodatie aan te bieden (zie naar analogie arresten van
21 februari 2008, Part Service, C‑425/06, EU:C:2008:108, punt 52
;
10 november 2016, Baštová, C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 71
, en
4 september 2019, KPC Herning, C‑71/18, EU:C:2019:660, punt 38
).
59
Dat geldt allereerst voor de omstandigheid dat Airbnb Ireland, naast haar activiteit waarbij zij via het gelijknamige onlineplatform verhuurders en huurders met elkaar in contact brengt, de verhuurders een schema om hun aanbod te omschrijven ter beschikking stelt, en een optionele fotodienst voor het te huren goed alsmede een scoresysteem voor de huurders en verhuurders dat toegankelijk is voor toekomstige huurders en verhuurders aanbiedt.
60
Dergelijke tools vloeien voort uit de logica van samenwerking die inherent is aan bemiddelingsplatforms en die het mogelijk maakt dat, ten eerste, personen die op zoek zijn naar accommodatie een weloverwogen keuze kunnen maken uit de accommodatieaanbiedingen die verhuurders online hebben geplaatst en, ten tweede, verhuurders zich terdege kunnen vergewissen van de ernst van de huurders met wie zij mogelijk een verbintenis aangaan.
61
Dat is vervolgens het geval voor de omstandigheid dat Airbnb Payments UK, die behoort tot de groep Airbnb, verantwoordelijk is voor de inning van het huurgeld bij de huurders en dit huurgeld vervolgens overmaakt aan de verhuurders, volgens de in punt 19 van het onderhavige arrest uiteengezette regeling.
62
Een dergelijke betalingsregeling, die talrijke onlineplatforms gemeen hebben, vormt een instrument ter beveiliging van de transacties tussen de verhuurders en de huurders en het loutere bestaan van die regeling kan de aard zelf van de bemiddelingsdienst niet wijzigen, vooral niet wanneer een dergelijke betalingsregeling direct noch indirect gepaard gaat met controle op de prijzen van de accommodatiediensten, zoals dit is vastgesteld in punt 56 van het onderhavige arrest.
63
Ten slotte kan het feit dat Airbnb Ireland de verhuurders een schadegarantie alsook een optionele verzekering civielrechtelijke aansprakelijkheid aanbiedt, de juridische kwalificatie van de via dit platform aangeboden bemiddelingsdienst evenmin wijzigen.
64
De al dan niet optionele diensten die Airbnb Ireland aanbiedt en die in de punten 59 tot en met 63 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, kunnen, ook al worden zij in hun geheel beschouwd, niet afdoen aan het feit dat de door deze vennootschap verrichte bemiddelingsdienst op zichzelf staat en dus aan het feit dat die dienst kwalificeert als „dienst van de informatiemaatschappij”, omdat anders de eigen kenmerken van deze dienst wezenlijk zouden veranderen. In dit opzicht zou het trouwens paradoxaal zijn dat dergelijke nevendiensten met toegevoegde waarde die via een onlineplatform aan haar klanten worden aangeboden, met name teneinde zich te onderscheiden van haar concurrenten, zonder meer zouden kunnen leiden tot een wijziging van de aard en dus de juridische kwalificatie van haar activiteit, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
65
Anders dan AHTOP en de Franse regering stellen, kan de werkwijze van een bemiddelingsdienst als die welke Airbnb Ireland verricht bovendien niet worden gelijkgesteld met de werkwijze van de bemiddelingsdienst in de zaken die hebben geleid tot de arresten van
20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981, punt 39
), en
10 april 2018, Uber France (C‑320/16, EU:C:2018:221, punt 21
).
66
Afgezien van het feit dat deze arresten zijn gewezen in de specifieke context van het stedelijk personenvervoer waarop artikel 58, lid 1, VWEU van toepassing is en dat de door Airbnb Ireland verrichte diensten niet vergelijkbaar zijn met die waar het om ging in de zaken die hebben geleid tot de in het vorige punt genoemde arresten, kan in de nevendiensten waarvan sprake in de punten 59 tot en met 63 van het onderhavige arrest niet de mate van controle worden teruggevonden die het Hof in die arresten heeft vastgesteld.
67
Zo heeft het Hof in die arresten opgemerkt dat Uber beslissende invloed uitoefende op de voorwaarden waaronder de vervoersdienst werd verricht door niet-professionele chauffeurs die gebruikmaakten van de door deze vennootschap te hunner beschikking gestelde applicatie (arresten van
20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi, C‑434/15, EU:C:2017:981, punt 39
, en
10 april 2018, Uber France, C‑320/16, EU:C:2018:221, punt 21
).
68
Op grond van de elementen waarop de verwijzende rechter doelt en die in punt 19 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, kan evenwel niet worden vastgesteld dat Airbnb Ireland een dergelijke beslissende invloed uitoefent op de voorwaarden waaronder de accommodatiedienst waarop haar bemiddelingsdienst betrekking heeft wordt verricht, aangezien Airbnb Ireland met name direct noch indirect de prijs van de gevraagde huurgelden bepaalt, zoals is vastgesteld in de punten 56 en 62 van het onderhavige arrest, en evenmin een selectie maakt onder de verhuurders of onder de op haar platform voor verhuur aangeboden accommodatie.
69
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, waarin wordt verwezen naar artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535, aldus moet worden uitgelegd dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat via een onlineplatform mogelijke huurders tegen vergoeding in contact worden gebracht met professionele of niet-professionele verhuurders die diensten op het gebied van accommodatie voor een kort verblijf aanbieden, waarbij tegelijk een aantal nevendiensten bij die bemiddelingsdienst wordt aangeboden, moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van richtlijn 2000/31.
Tweede vraag
Bevoegdheid
70
De Franse regering stelt dat het Hof kennelijk onbevoegd is om op de tweede vraag te antwoorden aangezien de verwijzende rechter het Hof verzoekt zich uit te spreken over de vraag of de activiteiten van Airbnb Ireland binnen de materiële werkingssfeer van de wet-Hoguet vallen, en dus om het Franse recht uit te leggen.
71
Uit de formulering van de tweede vraag blijkt evenwel dat de verwijzende rechter met die vraag het Hof niet vraagt of de wet-Hoguet van toepassing is op de activiteiten van Airbnb Ireland, maar of die wet, die volgens deze rechter het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij beperkt, jegens Airbnb Ireland kan worden tegengeworpen.
72
Een dergelijke vraag, die nauw samenhangt met de mogelijkheid die artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 de lidstaten biedt om af te wijken van het beginsel van het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij alsmede met de aan de lidstaten krachtens artikel 3, lid 4, onder b), van deze richtlijn opgelegde verplichting om de Commissie en de betrokken lidstaat in kennis te stellen van de maatregelen die afbreuk doen aan dat beginsel, vormt een vraag betreffende de uitlegging van het Unierecht.
73
Bijgevolg is het Hof bevoegd om deze vraag te beantwoorden.
Ontvankelijkheid
74
Subsidiair stelt de Franse regering dat, aangezien de verwijzende rechter niet heeft vastgesteld dat de activiteiten van Airbnb Ireland binnen de materiële werkingssfeer van de wet-Hoguet vallen, zijn tweede vraag geen uiteenzetting bevat van de redenen die hem ertoe hebben gebracht een vraag over de uitlegging van richtlijn 2000/31 te stellen en niet aangeeft welk verband hij legt tussen deze richtlijn en de wet-Hoguet. Deze vraag voldoet dus niet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en is bijgevolg niet-ontvankelijk.
75
Zoals is uiteengezet in punt 30 van het onderhavige arrest, blijkt uit de tweede vraag dat de bemiddelingsdienst die Airbnb Ireland via het gelijknamige onlineplatform verricht, volgens de verwijzende rechter binnen de materiële werkingssfeer van deze wet valt.
76
Door erop te wijzen dat deze wet een beperking vormt met betrekking tot diensten zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bemiddelingsdienst en met betrekking tot het in de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2000/31 erkende beginsel van vrij verkeer van diensten van de informatiemaatschappij en door tegelijk op te merken dat de uitlegging van deze richtlijn problematisch is met betrekking tot de vraag of een nationale regeling als de wet-Hoguet jegens Airbnb Ireland kan worden tegengeworpen, voldoet de verwijzende rechter bovendien aan de minimumvereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering.
77
Bijgevolg is de tweede vraag ontvankelijk.
Ten gronde
78
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling jegens Airbnb Ireland kan worden tegengeworpen.
79
Deze vraag volgt op het betoog dat Airbnb Ireland heeft ontwikkeld in verband met de onverenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van de wet-Hoguet met richtlijn 2000/31 en inzonderheid met het verzuim van de Franse Republiek om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van deze richtlijn, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om maatregelen te nemen die het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij beperken.
80
De tweede vraag dient bijgevolg aldus te worden opgevat dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 3, lid 4, van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat een particulier zich ertegen kan verzetten dat in een strafprocedure met civielepartijstelling maatregelen van een lidstaat die het vrije verkeer van een door hem vanuit een andere lidstaat verrichte dienst van de informatiemaatschappij beperken, op hem worden toegepast wanneer deze maatregelen niet voldoen aan alle in deze bepaling gestelde voorwaarden.
81
Vooraf dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, zoals de verwijzende rechter opmerkt, het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij beperkt.
82
De in de wet-Hoguet vervatte vereisten waarop de verwijzende rechter doelt, te weten in hoofdzaak de verplichting om in het bezit te zijn van een beroepskaart, betreffen immers het opstarten van de activiteit die erin bestaat verhuurders die over accommodatie beschikken en personen die op zoek zijn naar dit soort accommodatie met elkaar in contact te brengen, in de zin van artikel 2, onder h), i), van richtlijn 2000/31 en vallen onder geen van de uitgesloten categorieën bedoeld in artikel 2, onder h), ii), van deze richtlijn. Voorts zijn zij van toepassing op met name in andere lidstaten dan de Franse Republiek gevestigde dienstverrichters, waardoor het voor hen moeilijker wordt hun diensten in Frankrijk te verrichten.
83
Krachtens artikel 3, lid 4, van richtlijn 2000/31 kunnen de lidstaten voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij binnen het gecoördineerde gebied maatregelen nemen die afwijken van het beginsel van vrij verkeer van diensten van de informatiemaatschappij, mits aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan.
84
Ten eerste moet de betrokken beperkende maatregel overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 noodzakelijk zijn om de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de bescherming van consumenten te waarborgen, moet deze maatregel worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij waardoor effectief afbreuk wordt gedaan aan deze doelstellingen of een ernstig gevaar daarvoor ontstaat, en moet hij ten slotte evenredig zijn aan deze doelstellingen.
85
Ten tweede moet de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van deze richtlijn vooraf en onverminderd eventuele rechtszaken, met inbegrip van het vooronderzoek en in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verrichte handelingen, de Commissie en de lidstaat op wiens grondgebied de beoogde dienstverrichter is gevestigd, in kennis stellen van zijn voornemen om de betrokken beperkende maatregelen te nemen.
86
Aangaande deze tweede voorwaarde wordt door de Franse regering niet betwist dat voor de wet-Hoguet de Franse Republiek geen kennisgeving heeft gedaan aan de Commissie of aan de lidstaat van vestiging van Airbnb Ireland, te weten Ierland.
87
Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat het feit dat deze wet dateert van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2000/31 niet tot gevolg kan hebben dat de Franse Republiek wordt vrijgesteld van haar kennisgevingsplicht. Zoals de advocaat-generaal in punt 118 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever niet voorzien in een afwijking die de lidstaten zou toestaan maatregelen in stand te houden die van vóór die richtlijn dateren en die het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij kunnen beperken, zonder dat zij voldoen aan de door die richtlijn daartoe gestelde voorwaarden.
88
Dus dient te worden uitgemaakt of de niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de maatregelen die een beperking inhouden voor het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden verricht, zoals die is opgelegd bij artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31, ertoe leidt dat de betrokken regeling niet jegens een particulier kan worden tegengeworpen, zoals het geval is voor de gevolgen van niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de technische voorschriften, zoals die is opgelegd bij artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535 (zie in die zin arrest van
30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punt 54
).
89
Dienaangaande zij ten eerste opgemerkt dat artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 voor de lidstaten een nauwkeurige verplichting meebrengt om de Commissie en de lidstaat op wiens grondgebied de beoogde dienstverrichter is gevestigd vooraf in kennis te stellen van hun voornemen om een maatregel te nemen die het vrije verkeer van deze dienst van de informatiemaatschappij beperkt.
90
De bij deze bepaling opgelegde verplichting is dus, wat haar inhoud betreft, voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk opdat zij rechtstreekse werking heeft en opdat particulieren zich erop kunnen beroepen bij de nationale rechter (zie naar analogie arrest van
30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punt 44
).
91
Ten tweede staat vast, zoals blijkt uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31, gelezen in samenhang met overweging 8 ervan, dat de doelstelling van deze richtlijn erin bestaat, het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij tussen de lidstaten te verzekeren. Deze doelstelling wordt nagestreefd door middel van een mechanisme van toezicht op de maatregelen die daaraan afbreuk kunnen doen, waarbij zowel de Commissie als de lidstaat op wiens grondgebied de verrichter van de betrokken dienst van de informatiemaatschappij is gevestigd, in staat is erop toe te zien dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan dwingende redenen van algemeen belang.
92
Zoals blijkt uit artikel 3, lid 6, van deze richtlijn, is de Commissie, die zo spoedig mogelijk moet nagaan of de haar ter kennis gebrachte maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, verplicht, wanneer zij concludeert dat de voorgenomen maatregelen onverenigbaar zijn met het Unierecht, de betrokken lidstaat te verzoeken om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering ervan onmiddellijk te staken. Deze procedure biedt de Commissie dus de mogelijkheid te voorkomen dat met het VWEU strijdige belemmeringen van het handelsverkeer in het leven worden geroepen of althans in stand worden gehouden, met name door wijzigingen in de betrokken nationale maatregelen voor te stellen (zie naar analogie arrest van
30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punt 41
).
93
Zoals met name de Spaanse regering opmerkt en zoals dit blijkt uit artikel 3, lid 6, van richtlijn 2000/31, voorziet artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van deze richtlijn, anders dan artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535, weliswaar niet formeel in een standstill-verplichting voor de lidstaat die het voornemen heeft om een maatregel te nemen die het vrij verrichten van een dienst van de informatiemaatschappij beperkt. Zoals in punt 89 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moet de betrokken lidstaat evenwel, behoudens in naar behoren gemotiveerde urgente gevallen, zowel de Commissie als de lidstaat op wiens grondgebied de verrichter van de betrokken dienst is gevestigd vooraf in kennis stellen van zijn voornemen om een dergelijke maatregel te nemen.
94
Gelet op de in de punten 89 tot en met 92 van het onderhavige arrest uiteengezette elementen vormt de bij artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 opgelegde verplichting tot voorafgaande kennisgeving geen gewone verplichting tot het doen van een mededeling die vergelijkbaar is met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest van
13 juli 1989, Enichem Base e.a. (380/87, EU:C:1989:318, punten 19‑24
), maar een wezenlijke procedurele vereiste die rechtvaardigt dat maatregelen die het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij beperken waarvan vooraf geen kennis is gegeven, niet jegens particulieren kunnen worden tegengeworpen (zie naar analogie arrest van
30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punten 49 en 50
).
95
Ten derde is het des te gerechtvaardigder om de oplossing waarvoor het Hof met betrekking tot richtlijn 2015/1535 heeft gekozen in het arrest van
30 april 1996, CIA Security International (C‑194/94, EU:C:1996:172
), toe te passen op richtlijn 2000/31 daar, zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, de bij artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 opgelegde verplichting tot kennisgeving niet ertoe strekt, zoals de maatregel waar het om ging in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, te voorkomen dat een lidstaat maatregelen neemt die binnen zijn bevoegdheidssfeer vallen en afbreuk kunnen doen aan het vrije verkeer van diensten, maar te voorkomen dat een lidstaat inbreuk maakt op de bevoegdheid die principieel toekomt aan de lidstaat van vestiging van de verrichter van de betrokken dienst van de informatiemaatschappij.
96
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichting tot kennisgeving van een maatregel die een beperking vormt van het vrije verkeer van een dienst van de informatiemaatschappij die wordt verricht door een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter, zoals die is opgelegd bij artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31, tot gevolg heeft dat deze maatregel niet jegens particulieren kan worden tegengeworpen (zie naar analogie arrest van
30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, EU:C:1996:172, punt 54
).
97
In dit verband dient nog erop te worden gewezen dat, zoals hetgeen geldt voor de technische voorschriften waarvan een lidstaat geen kennis heeft gegeven overeenkomstig artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535, de niet-tegenwerpbaarheid van een maatregel die het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij beperkt en waarvan geen kennis is gegeven, niet alleen kan worden ingeroepen in een strafprocedure (zie naar analogie arrest van
4 februari 2016, Ince, C‑336/14, EU:C:2016:72, punt 84
), maar ook in een geschil tussen particulieren (zie naar analogie arrest van
27 oktober 2016, James Elliott Construction, C‑613/14, EU:C:2016:821, punt 64
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
In een procedure als die in het hoofdgeding, waarin een particulier in een geding voor een strafrechter een andere particulier vraagt om herstel van de schade die is ontstaan uit het vervolgde strafbare feit, heeft de niet-nakoming door de lidstaat van zijn verplichting tot kennisgeving van dit strafbare feit krachtens artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31, derhalve tot gevolg dat de nationale maatregel waarbij het betrokken feit strafbaar is gesteld, niet jegens de vervolgde particulier kan worden tegengeworpen, zodat hij zich op deze niet-nakoming kan beroepen niet alleen in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging maar ook in het kader van een schadevordering die is ingesteld door de particulier die zich civiele partij heeft gesteld.
99
Aangezien de Franse Republiek kennisgeving van de wet-Hoguet heeft verzuimd en de in de punten 84 en 85 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2000/31 cumulatief zijn, dient te worden geoordeeld dat deze wet in geen geval kan worden toegepast op een particulier die zich in een situatie bevindt als die waarin Airbnb Ireland verkeert in het hoofdgeding, los van de vraag of voor deze wet is voldaan aan de andere in deze bepaling gestelde voorwaarden.
100
Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 aldus dient te worden uitgelegd dat een particulier zich ertegen kan verzetten dat in een strafprocedure met civielepartijstelling maatregelen van een lidstaat die het vrije verkeer van een dienst van de informatiemaatschappij die hij vanuit een andere lidstaat verricht beperken, op hem worden toegepast wanneer niet overeenkomstig deze bepaling van deze maatregelen is kennisgegeven.