betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 9 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 8 februari 2019, in de procedure
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
SC Zahărul Oradea SA (hierna: „Zahărul Oradea”), gevestigd in Roemenië, is een dochteronderneming van Pfeifer & Langen. Zij had 45 000 ton rietsuiker afkomstig uit Brazilië gekocht die overeenkomstig een akkoord tussen Pfeifer & Langen en Zahărul Oradea bestemd was om te worden geraffineerd in de fabriek van Pfeifer & Langen in Euskirchen (Duitsland). Na raffinage zou de suiker aan Pfeifer & Langen worden verkocht.
15
Op 13 december 2011 hebben de bevoegde Roemeense autoriteiten aan Zahărul Oradea een certificaat afgegeven voor de invoer van deze hoeveelheid rietsuiker. Volgens de uiteenzetting van de verwijzende rechter heeft Zahărul Oradea op 2 februari 2012 volmacht verleend aan Pfeifer & Langen om haar te vertegenwoordigen bij de douaneaangifte van deze invoertransactie.
16
Op 24 februari 2012 heeft Pfeifer & Langen in eigen naam bij het Hauptzollamt Köln een deelhoeveelheid van 499 456 kilogram (kg) rietsuiker voor vrij verkeer aangegeven, die bestemd was om te worden geraffineerd. In de douaneaangifte heeft zij verwezen naar het invoercertificaat van Zahărul Oradea. Daarnaast heeft zij een afschrift overgelegd van de door Zahărul Oradea verleende volmacht. Het Hauptzollamt Köln heeft de aangifte aanvaard, deze hoeveelheid suiker op het door Pfeifer & Langen overgelegde invoercertificaat afgeschreven en van Pfeifer & Langen een bedrag van 126 113,65 EUR aan douanerechten verlangd, berekend op basis van een verlaagd tarief van 252,50 EUR per ton.
17
Bij twee brieven van 10 en 11 januari 2013 aan het Hauptzollamt Köln heeft Pfeifer & Langen verzocht om herziening van de douaneaangifte van 24 februari 2012 om in aanmerking te nemen dat zij deze aangifte had gedaan als indirecte vertegenwoordiger van de aangever, Zahărul Oradea, omdat zij niet zeker was of zij in aanmerking kwam voor het verlaagde douanetarief voor de rietsuiker.
18
Het Hauptzollamt Köln heeft bij beschikking van 24 januari 2013 van Pfeifer & Langen een bedrag van 83 158,41 EUR aan douanerechten nagevorderd. Daarbij heeft het Hauptzollamt Köln het voor rietsuiker in onderverdeling 1701 14 90 van de gecombineerde nomenclatuur neergelegde douanerecht van 41,90 EUR per 100 kg toegepast. Ter onderbouwing van zijn beschikking heeft het Hauptzollamt Köln verklaard dat Pfeifer & Langen niet voor het verlaagde tarief in aanmerking had mogen komen omdat het invoercertificaat aan Zahărul Oradea was afgegeven.
19
Pfeifer & Langen is tegen die beschikking opgekomen op grond van haar verzoek om herziening van de douaneaangifte van 24 februari 2012.
20
Het Hauptzollamt Köln heeft dit bezwaar bij beschikking van 26 april 2018 afgewezen op grond dat Pfeifer & Langen in haar douaneaangifte niet had vermeld dat zij handelde voor Zahărul Oradea, zodat zij de hoedanigheid van aangever had en dus eveneens schuldenaar van de douaneschuld was. Volgens die beschikking kan de vermelding van de persoon van de aangever in een douaneaangifte, als volontaire proceshandeling, niet onjuist of onvolledig zijn, zodat zij niet naderhand kan worden gewijzigd. In dat verband was van weinig belang dat de douaneaangifte van Pfeifer & Langen niet coherent was, gelet op de volmacht van Zahărul Oradea waarvan zij een afschrift aan het Hauptzollamt Köln had overgelegd.
21
Pfeifer & Langen heeft tegen de beschikking van 26 april 2018 beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. In haar beroep voert zij aan dat haar douaneaangifte in die zin dient te worden gewijzigd dat zij als indirecte vertegenwoordiger van Oradea heeft gehandeld. De reden waarom Pfeifer & Langen in deze douaneaangifte niet heeft vermeld dat zij handelde als indirecte vertegenwoordiger van Zahărul Oradea, anders dan oorspronkelijk voorzien, was volgens Pfeifer & Langen uitsluitend gelegen in een onjuiste inlichting van een ambtenaar van het Hauptzollamt Köln. Deze ambtenaar had op een vraag van Pfeifer & Langen geantwoord dat zij de douaneaangiften in eigen naam en voor eigen rekening diende te doen. Door overlegging van het afschrift van de aan haar verleende volmacht van Zahărul Oradea heeft Pfeifer & Langen echter op haar vertegenwoordigingsbevoegdheid gewezen. Bovendien stelt Pfeifer & Langen dat de doelstellingen van de douaneprocedure niet zijn ondergraven. Er was voldaan aan de voorwaarden voor de vrijgave van de rietsuiker door de douane omdat zij een bankgarantie voor de invoerrechten had gesteld.
22
Het Hauptzollamt Köln ontkent dat Pfeifer & Langen de desbetreffende inlichting, zoals gesteld door Pfeifer & Langen, van een douaneambtenaar heeft gekregen. Bovendien waren de gegevens die Pfeifer & Langen in haar douaneaangifte had vermeld volgens het Hauptzollamt Köln niet onjuist. Aangezien Pfeifer & Langen de douaneaangifte in haar eigen naam heeft ingediend, meent het Hauptzollamt Köln dat zij de hoedanigheid van aangever heeft verworven en dat zij heeft afgezien van haar intentie om aangifte te doen als indirecte vertegenwoordiger, ongeacht haar vertegenwoordigingsbevoegdheid.
23
Volgens de verwijzende rechter volgt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 78, lid 3, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het mogelijk is een douaneaangifte als aan de orde in het hoofdgeding ambtshalve of op verzoek van de aangever te herzien en te wijzigen, zodat de gegevens over de persoon van de aangever in het bij hem aanhangige geding in die zin kunnen worden gewijzigd dat de indirectevertegenwoordigingsrelatie tussen Zahărul Oradea en Pfeifer & Langen uit de aangifte blijkt. In dat verband merkt hij op dat de gegevens in de douaneaangifte die in het hoofdgeding aan de orde is, op basis waarvan Pfeifer & Langen is opgevat als aangever zonder dat de relatie van indirecte vertegenwoordiging voor rekening van Zahărul Oradea is vermeld, het resultaat waren van een vergissing bij de uitlegging van het toepasselijke recht. Daarnaast meent hij dat een dergelijke wijziging de doelstellingen van de betrokken douaneprocedure niet ondergraaft en dat Pfeifer & Langen voldoende gegevens heeft aangedragen om aan te tonen dat de bepalingen die de betrokken douaneregeling beheersen, zijn toegepast op basis van onjuiste of onvolledige gegevens.
24
De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of een dergelijke uitlegging van artikel 78, lid 3, van het douanewetboek mogelijk is, daar de Hoge Raad der Nederlanden en het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter Hamburg, Duitsland) in recente uitspraken hebben geoordeeld dat de toepassing van deze bepaling niet tot gevolg mocht hebben dat een andere dan de in de douaneaangifte aangemerkte persoon als aangever wordt beschouwd.
25
Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Dient artikel 78, lid 3, van [het douanewetboek] aldus te worden uitgelegd dat in een geval als dat van het hoofdgeding een douaneaangifte zodanig moet worden herzien en gewijzigd dat de gegevens betreffende de aangever worden vervangen door de naam van de persoon aan wie een invoercertificaat voor het ingevoerde goed is afgegeven en deze persoon wordt vertegenwoordigd door de persoon die in de douaneaangifte als aangever is aangemerkt en die aan het douanekantoor een volmacht van de titularis van het invoercertificaat heeft overgelegd?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
26
Vooraf moet worden opgemerkt dat Pfeifer & Langen volgens de gegevens in de verwijzingsbeslissing weliswaar een volmacht had om Zahărul Oradea bij de afwikkeling van de douaneprocedure te vertegenwoordigen en dat zij deze volmacht aan de douaneautoriteiten heeft overgelegd toen zij de douaneaangifte deed, maar heeft verzuimd in die aangifte te vermelden dat zij Zahărul Oradea vertegenwoordigde. In het kader van het hoofdgeding verzoekt Pfeifer & Langen om herziening van deze aangifte zodat de relatie van indirecte vertegenwoordiging tussen haar en Zahărul Oradea wordt vermeld.
27
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 78, lid 3, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten een verzoek om herziening van een douaneaangifte kunnen inwilligen dat erop ziet een relatie van indirecte vertegenwoordiging te doen uitkomen tussen een volmachthouder die bij vergissing heeft vermeld dat hij uitsluitend in eigen naam en voor eigen rekening handelde, hoewel hij beschikte over een volmacht van de houder van het invoercertificaat, en de volmachtgever voor wiens rekening de aangifte is gedaan.
28
In dat verband moet eraan worden herinnerd dat bij artikel 78 van het douanewetboek een procedure is ingesteld waardoor de douaneautoriteiten ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de douaneaangifte kunnen overgaan na de vrijgave van de goederen die zijn gedekt door die aangifte, dat wil zeggen nadat deze heeft plaatsgevonden (arrest van
12 oktober 2017, Tigers, C‑156/16, EU:C:2017:754, punt 29
).
29
Het Hof heeft al opgemerkt dat het verzoek van een aangever om herziening van zijn aangifte moet worden onderzocht door de douaneautoriteiten, althans met betrekking tot de vraag of al dan niet tot die herziening moet worden overgegaan, en dat de uitvoering van een door de aangever gevraagde herziening, zowel wat het principe van die herziening als wat het resultaat daarvan betreft, dus is overgelaten aan de beoordeling van de douaneautoriteiten. Deze autoriteiten beschikken daartoe over een ruime beoordelingsbevoegdheid (zie in die zin arrest van
12 juli 2012, Südzucker e.a., C‑608/10, C‑10/11 en C‑23/11, EU:C:2012:444, punt 48
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In dat kader houden de douaneautoriteiten met name rekening met de mogelijkheid om de vermeldingen in de te herziene aangifte en in het verzoek om herziening te controleren. Wanneer een herziening in beginsel mogelijk lijkt, moeten de douaneautoriteiten aan het einde van hun beoordeling hetzij het verzoek van de aangever bij met redenen omklede beschikking afwijzen, hetzij tot de gevraagde herziening overgaan (arrest van
12 juli 2012, Südzucker e.a., C‑608/10, C‑10/11 en C‑23/11, EU:C:2012:444, punt 49
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Indien uit die herziening of die controles blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten overeenkomstig voormeld artikel 78, lid 3, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken (arrest van
12 oktober 2017, Tigers, C‑156/16, EU:C:2017:754, punt 30
).
32
Uit de gezamenlijke bepalingen van artikel 78 van het douanewetboek volgt dus dat nieuwe gegevens die door de douaneautoriteiten in de beschouwing kunnen worden betrokken, mogen worden overgelegd na de douaneaangifte. De opzet van voormeld artikel bestaat er immers in de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie (arrest van
12 oktober 2017, Tigers, C‑156/16, EU:C:2017:754, punt 31
).
33
In casu moet worden vastgesteld of artikel 78 van dat wetboek de douaneautoriteiten in de omstandigheden van het hoofdgeding de mogelijkheid biedt de gegevens over de persoon van de aangever te wijzigen, meer bepaald om te vermelden dat er een relatie van indirecte vertegenwoordiging bestaat tussen de aangever en de persoon die hem een volmacht heeft verleend.
34
Er zij aan herinnerd dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van
22 juni 2016, Thomas Philipps, C‑419/15, EU:C:2016:468, punt 18
en aldaar aangehaalde rechtspraak, en
21 november 2019, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, C‑678/18, EU:C:2019:998, punt 31
).
35
Ten eerste moet er in verband met de bewoordingen van artikel 78 van het douanewetboek aan worden herinnerd dat de tekst van dat artikel niet in de weg staat aan het recht van de douaneautoriteiten om een herziening van de aangifte in de zin van lid 1 of een controle achteraf in de zin van lid 2 ervan te verrichten of om de nodige maatregelen te nemen om de situatie recht te zetten in de zin van lid 3 van dat artikel (arrest van
10 december 2015, Veloserviss, C‑427/14, EU:C:2015:803, punt 25
).
36
Het Hof heeft tevens vastgesteld dat in dit artikel geen onderscheid wordt gemaakt tussen fouten of vergissingen die wél en andere die niet kunnen worden rechtgezet. De bewoordingen „onjuiste of onvolledige gegevens” moeten aldus worden uitgelegd dat daaronder zowel materiële fouten of vergissingen als een onjuiste uitlegging van het toepasselijke recht vallen (arrest van
16 oktober 2014, VAEX Varkens‑ en Veehandel, C‑387/13, EU:C:2014:2296, punt 50
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Ten tweede moet in verband met de context waarin deze bepaling is ingebed, worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van dit wetboek verbiedt dat onderdelen van de douaneaangifte, zoals gegevens over de persoon van de aangever, met name een relatie van indirecte vertegenwoordiging, krachtens artikel 78, lid 3, van dit wetboek worden gewijzigd.
38
Daarnaast moet het argument van het Hauptzollamt Köln en de Nederlandse regering worden verworpen dat artikel 78 van het douanewetboek is opgenomen in titel IV ervan, over douaneregelingen, terwijl de bepalingen die betrekking hebben op de persoon van de aangever zijn opgenomen in titel I van het wetboek, met de algemene bepalingen. Op grond van deze omstandigheid kan namelijk niet worden uitgesloten dat de douaneautoriteiten de gegevens over de persoon van de aangever in douaneaangiften aldus kunnen wijzigen dat een indirectevertegenwoordigingsrelatie wordt vermeld, om in voorkomend geval de situatie recht te zetten. Het Hof heeft in dat verband geoordeeld dat aangiften over de waarde van goederen in bepaalde gevallen konden worden gewijzigd, hoewel de bepalingen over deze waarde waren opgenomen in titel II van het douanewetboek en niet in titel IV (zie in die zin arrest van
20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punt 70
).
39
Anders dan het Hauptzollamt Köln en de Nederlandse regering betogen, verzet artikel 66 van het douanewetboek over de ongeldigmaking van een douaneaangifte zich niet tegen een dergelijke herziening. De procedure om een douaneaangifte ongeldig te maken, waarvan de voorwaarden in dit artikel zijn uiteengezet, is namelijk enkel van toepassing in twee situaties, te weten wanneer de aangever aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven of wanneer de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet meer gerechtvaardigd is. In geval van ongeldigmaking gaat de douaneschuld die uit de ongeldige aangifte voortvloeide teniet. Lid 2 van dat artikel 66 bepaalt overigens nader dat een aangifte in beginsel niet ongeldig kan worden gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven.
40
Anders dan artikel 66 brengt artikel 78 van het douanewetboek enkel de herziening van een bestaande aangifte mee en heeft het niet tot gevolg dat deze aangifte of de daaruit voortvloeiende schuld vervalt. Bovendien is artikel 78 slechts van toepassing op verzoeken tot herziening die zijn ingediend nadat de goederen waren vrijgegeven, dat wil zeggen op een moment waarop de juistheid van de informatie over de betrokken goederen niet meer kan worden gecontroleerd.
41
In dat verband heeft het Hof in zijn arrest van
12 juli 2012, Südzucker e.a. (C‑608/10, C‑10/11 en C‑23/11, EU:C:2012:444, punt 50
), geoordeeld dat het enkele feit dat de goederen op de datum waarop het verzoek om herziening van de aangifte ten uitvoer is ingediend, het grondgebied van de Europese Unie reeds hadden verlaten en een fysieke controle van die goederen vóór uitvoer dus onmogelijk was geworden, niet impliceert dat een herziening van de betrokken aangifte niet mogelijk is.
42
Daarnaast moet worden vastgesteld dat een wijziging van de gegevens over de persoon van de aangever om te doen uitkomen dat er sprake is van een relatie van indirecte vertegenwoordiging, niet kan worden vergeleken met een wijziging van de gegevens over de aard of de kenmerken van de goederen, waarover het Hof in zijn arrest van
20 oktober 2005, Overland Footwear (C‑468/03, EU:C:2005:624, punten 47 en 48
), heeft overwogen dat de douaneautoriteiten kunnen weigeren tot herziening over te gaan wanneer de te verifiëren gegevens een fysieke controle vergen en die goederen als gevolg van de vrijgave ervan niet meer bij hen kunnen worden aangebracht.
43
Artikel 78 van het douanewetboek kan dus toepassing vinden in een situatie waarin de volmachthouder de volmacht kan overleggen waarin hem instructie is gegeven de douaneaangifte te doen, ook na vrijgave van de goederen.
44
Ten derde moet er met betrekking tot de door artikel 78 van het douanewetboek nagestreefde doelstelling aan worden herinnerd dat die erin bestaat de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie, zoals in punt 32 van dit arrest is onderstreept.
45
In dat verband moet echter worden gewaarborgd dat de gevraagde herziening de andere doelstellingen van de douaneregeling niet kan doorkruisen, waaronder de doelstelling van de bestrijding van fraude, die naar voren komt uit de achtste overweging van het douanewetboek.
46
Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de douaneautoriteiten, wanneer uit de herziening blijkt dat de doelstellingen van de betrokken regeling geen gevaar liepen, met name doordat de goederen waarop een aangifte ten uitvoer betrekking had daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de bevoegde autoriteiten over voldoende bewijzen beschikken om de uitgevoerde hoeveelheid in verband te brengen met het certificaat dat de uitvoer daadwerkelijk dekt, overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het douanewetboek de nodige maatregelen moeten nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de gegevens waarover zij beschikken (zie in die zin arrest van
16 oktober 2014, VAEX Varkens‑ en Veehandel, C‑387/13, EU:C:2014:2296, punt 54
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
In casu lijkt de verwijzende rechter misbruik van recht uit te sluiten. Uit de verwijzingsbeslissing komt namelijk naar voren dat de gegevens in de douaneaangifte niet overeenstemmen met de volmacht die door de aangever is overgelegd bij de indiening van de douaneaangifte en dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid waarover zij uit hoofde van die volmacht beschikt, tijdig is overgelegd in de zin van artikel 5, lid 4, van het douanewetboek. Bovendien volgt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens ook dat de goederen daadwerkelijk zijn ingevoerd voor de houder van het invoercertificaat, te weten Zahărul Oradea, en dat Pfeifer & Langen de douaneaangifte in werkelijkheid alleen heeft ingediend voor rekening van Zahărul Oradea, waarbij zij de al verleende volmacht heeft overgelegd.
48
Wat betreft het risico van fraude moet, met de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie, worden opgemerkt dat de wijziging van een douaneaangifte om te doen uitkomen dat er een relatie van indirecte vertegenwoordiging bestaat tussen Zahărul Oradea en Pfeifer & Langen, zodat Zahărul Oradea in aanmerking komt voor een preferentieel invoertarief of voor een uitvoerrestitutie, geen onverschuldigd voordeel aan die persoon verleent, maar hem enkel de mogelijkheid biedt het voordeel te verkrijgen waartoe hij gerechtigd was geweest indien in de oorspronkelijke aangifte was vermeld dat Pfeifer & Langen voor rekening van deze persoon was opgetreden.
49
Bovendien is het risico van fraude als gevolg van een wijziging in de gegevens over de persoon van de aangever door andere bepalingen van het douanewetboek aanzienlijk beperkt, zoals de advocaat-generaal in punt 66 e.v. van zijn conclusie heeft opgemerkt.
50
Om te beginnen bepaalt artikel 74, lid 1, van het douanewetboek dat de douaneschuld moet zijn betaald of daarvoor zekerheid moet zijn gesteld voordat de betrokken goederen kunnen worden vrijgegeven. Daar artikel 78 van toepassing is na de vrijgave van de goederen en derhalve nadat de douaneschuld is betaald of zekerheid is gesteld, is de wijziging van de gegevens over de persoon van de aangever niet van invloed op het risico van niet-betaling van de douaneschuld. Dat geldt des te meer daar een wijziging van deze gegevens om een relatie van indirecte vertegenwoordiging te vermelden, tot gevolg heeft dat niet alleen de persoon die oorspronkelijk in eigen naam en voor eigen rekening douaneaangifte had gedaan schuldenaar van de douaneschuld is, maar de indirect vertegenwoordigde persoon ook schuldenaar wordt, zoals blijkt uit artikel 4, punt 18, artikel 5, lid 2, en artikel 201, lid 3, eerste alinea, van het douanewetboek, in samenhang gelezen.
51
Voorts bepaalt artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek ten aanzien van invoer zoals aan de orde in het hoofdgeding dat, indien een douaneaangifte is opgesteld op basis van onjuiste gegevens, „de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar [kunnen] worden beschouwd”. Aangezien de persoon die oorspronkelijk in eigen naam en voor eigen rekening douaneaangifte heeft gedaan, noodzakelijkerwijs sommige van de in de aangifte vermelde gegevens heeft verstrekt, kan hij eveneens worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld in de zin van deze bepaling, als deze gegevens onjuist blijken te zijn.
52
Tot slot moet worden benadrukt dat de invoerrechten of uitvoerrechten de nieuwe aangever worden kwijtgescholden of hem worden terugbetaald indien de in artikel 236 van het douanewetboek geformuleerde voorwaarden zijn vervuld, te weten in het bijzonder wanneer geen sprake is van een frauduleuze handeling van de zijde van de aangever, en het verzoek om kwijtschelding of terugbetaling binnen de daartoe gestelde termijn van drie jaar is ingediend.
53
Overigens moet er rekening mee worden gehouden dat de reden waarom verzoekster in het hoofdgeding bij de indiening van de douaneaangifte heeft vermeld dat zij in eigen naam en voor eigen rekening handelde hoewel zij tegelijkertijd een volmacht heeft overgelegd op basis waarvan zij naar eigen zeggen moest worden beschouwd als indirect vertegenwoordiger van Zahărul Oradea, berust op een vergissing bij de uitlegging van het recht dat van toepassing is op de vervulling van de douaneformaliteiten, en niet op een bewuste keuze.
54
Zoals in punt 36 van dit arrest al is uiteengezet, vallen onder het begrip fouten of vergissingen niet alleen materiële fouten of vergissingen maar ook onbedoelde omissies en aangiften in strijd met de douanewetgeving (zie in die zin arrest van
10 juli 2019, CEVA Freight Holland, C‑249/18, EU:C:2019:587, punten 32‑38
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
In dat verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 5, lid 4, van het douanewetboek verlangt dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid al is verleend ten tijde van de indiening van de aangifte. Daarnaast is daarin bepaald dat een persoon die niet verklaart vertegenwoordigingsbevoegdheid te bezitten, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. De vertegenwoordiging moet dus uitdrukkelijk zijn en wordt niet vermoed [arrest van
7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe), C‑153/10, EU:C:2011:224, punt 31
].
56
Zoals de Europese Commissie opmerkt, kan artikel 78 van het douanewetboek niet aldus worden uitgelegd dat de bepalingen van artikel 5, lid 4, van dat wetboek worden miskend, met name de daarin neergelegde verplichting van uitdrukkelijke openbaarmaking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid.
57
De verwijzende rechter zet in dat verband uiteen dat Pfeifer & Langen een volmacht heeft ontvangen van Zahărul Oradea die zij tijdig heeft overgelegd in de zin van artikel 5, lid 4, van het douanewetboek, dat wil zeggen bij de indiening van de douaneaangifte.
58
Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de goederen daadwerkelijk zijn ingevoerd voor de houder van het invoercertificaat, Zahărul Oradea, en dat de douaneautoriteiten de ingevoerde hoeveelheid op het invoercertificaat hebben afgeschreven. In werkelijkheid heeft verzoekster in het hoofdgeding de douaneaangifte dus enkel voor rekening van deze vennootschap gedaan.
59
Gelet op een en ander moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 78, lid 3, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten een verzoek om herziening van een douaneaangifte kunnen inwilligen dat erop ziet een relatie van indirecte vertegenwoordiging te doen uitkomen tussen een volmachthouder die bij vergissing heeft vermeld dat hij uitsluitend in eigen naam en voor eigen rekening handelde, hoewel hij beschikte over een volmacht van de houder van het invoercertificaat, en de volmachtgever voor wiens rekening de aangifte is gedaan.