Home

Conclusie van advocaat-generaal J. Richard de la Tour van 26 januari 2023

Conclusie van advocaat-generaal J. Richard de la Tour van 26 januari 2023

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
26 januari 2023

Conclusie van advocaat‑generaal

J. Richard de la Tour

van 26 januari 2023(1)

Zaak C‑640/21

SC Zes Zollner Electronic SRL

tegen

Direcţia Regională Vamală Cluj – Biroul Vamal de Frontieră Aeroport Cluj Napoca

[verzoek van de Tribunal Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]

"„Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Verordening (EU) nr. 952/2013 - Foutieve douaneaangifte - Fout die door de douaneautoriteit als administratieve overtreding wordt gekwalificeerd - Mogelijkheid van de aangever om zijn fout te herstellen, teneinde de sanctie te vermijden”"

I. Inleiding

1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 173 en 174 van verordening (EU) nr. 952/2013(2).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SC Zes Zollner Electronic SRL (hierna: „ZZE”), een Roemeense onderneming, en de Direcţia Regională Vamală Cluj – Biroul Vamal de Frontieră Aeroport Cluj‑Napoca [regionale douanedirectie Cluj – grensdouanekantoor luchthaven Cluj‑Napoca (Roemenië)], dat betrekking heeft op de oplegging door laatstgenoemde van een boete aan ZZE wegens het onttrekken van 5 000 elektronische geïntegreerde schakelingen aan de douanecontrole en de eis tot betaling van een bedrag gelijk aan de douanewaarde van deze goederen, vermeerderd met invoerrechten en andere verschuldigde rechten.

3. Concreet heeft ZZE bij een Zwitserse vennootschap twee bestellingen gedaan voor een totale hoeveelheid van 10 000 elektronische geïntegreerde schakelingen. Deze vennootschap heeft hiertoe op dezelfde dag twee aparte facturen opgesteld voor elk 5 000 stuks en een waarde van 4 950 EUR.

4. Bij ontvangst van de zending in haar bedrijfsruimten stelde ZZE vast dat deze een hoeveelheid van 10 000 elektronische geïntegreerde schakelingen bevatte, terwijl slechts de goederen met betrekking tot een van de twee facturen, te weten 5 000 elektronische geïntegreerde schakelingen, bij het grensdouanekantoor op de luchthaven van Cluj‑Napoca waren aangegeven.

5. ZZE heeft daarom dit kantoor verzocht de vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen door de vaststelling van een besluit van de douaneautoriteiten om de situatie te regulariseren en de betrokken douaneverplichtingen te berekenen.

6. Tegen deze achtergrond wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de vraag of een douaneaangifte kan worden gewijzigd, teneinde daarin nog een extra hoeveelheid goederen op te nemen, terwijl de douaneautoriteiten de betrokken goederen reeds hebben vrijgegeven. Daartoe zal de reikwijdte moeten worden verduidelijkt van de zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie.

7. Het Hof wordt ook verzocht zich uit te spreken over de vraag of, indien een dergelijke wijziging niet is toegestaan, om de ongeldigverklaring van de douaneaangifte kan worden verzocht op grond van artikel 174 van het douanewetboek van de Unie, ook al hebben de douaneautoriteiten de betrokken goederen reeds vrijgegeven.

8. In deze conclusie geef ik, na mijn analyse, het Hof in overweging te verklaren dat artikel 173 van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat, om te beginnen, de zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van die bepaling, zich niet uitstrekt tot een extra hoeveelheid van dezelfde goederen, wanneer kan worden aangetoond dat dit overschot identiek is aan de oorspronkelijk aangegeven goederen, aangezien het onder dezelfde tariefonderverdeling is ingedeeld en onder dezelfde aangifte had kunnen vallen indien er geen materiële fout was gemaakt, en, voorts, dat dit artikel na vrijgave van de goederen niet in de weg staat aan de wijziging van een douaneaangifte, teneinde hierin een extra hoeveelheid van de oorspronkelijk aangegeven goederen op te nemen, mits het verzoek om wijziging vergezeld gaat van elementen die het verband kunnen aantonen tussen deze extra hoeveelheid goederen en de invoerdocumenten en elk vermoeden van fraude wordt uitgesloten.

9. Ook geef ik het Hof in overweging te verklaren dat artikel 174 van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat, wanneer een extra hoeveelheid goederen niet is opgenomen in de oorspronkelijke douaneaangifte, de bevoegde douaneautoriteiten de oorspronkelijke douaneaangifte ongeldig maken nadat de goederen zijn vrijgegeven.

II. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

10. De overwegingen 15 en 23 van het douanewetboek van de Unie luiden:

  • „(15) De facilitering van de legale handel en de strijd tegen de fraude vereisen eenvoudige, snelle en gestandaardiseerde douaneregelingen en -procedures. […]

  • […]

  • (23) […] Er moet worden gegarandeerd dat in de gehele interne markt op een passend niveau effectieve, afschrikkende en evenredige sancties worden toegepast.”

  • 11. Artikel 5, punten 16 en 26, van dit wetboek („Definities”) bepaalt het volgende:

    „In dit wetboek wordt verstaan onder:

    […]

    1. ‚douaneregeling’: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig [dit] wetboek kunnen worden geplaatst:

      1. in het vrije verkeer brengen,

      2. bijzondere regelingen,

      3. uitvoer;

    […]

    1. ‚vrijgave van goederen’: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;

    […]”

    12. Artikel 15, lid 2, van het douanewetboek van de Unie („Verstrekking van inlichtingen aan de douaneautoriteiten”) bepaalt het volgende:

    „Eenieder die een douaneaangifte, […] indient, aanvaardt de aansprakelijkheid voor al het volgende:

    1. de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen;

    2. de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag;

    3. in voorkomend geval, het nakomen van alle verplichtingen inzake de plaatsing van de betreffende goederen onder een douaneregeling of het verrichten van toegestane handelingen.

    […]

    Indien de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag wordt ingediend, of de inlichtingen worden verstrekt door een douanevertegenwoordiger van de betrokken persoon, zoals bedoeld in artikel 18, gelden de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde verplichtingen ook voor die douanevertegenwoordiger.”

    13. Artikel 42, lid 1, van dit wetboek („Opleggen van sancties”) luidt:

    „Iedere lidstaat stelt sancties vast voor het niet naleven van de douanewetgeving. Dergelijke sancties moeten effectief, proportioneel en afschrikkend zijn.”

    14. Artikel 173 van dit wetboek („Wijziging van een douaneaangifte”) bepaalt het volgende:

    „1.

    De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de douaneaangifte te wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

    2.

    Dergelijke wijzigingen worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na een van de volgende gebeurtenissen:

    1. de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

    2. de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de gegevens van de douaneaangifte onjuist zijn;

    3. de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.

    3.

    Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.”

    15. Artikel 174 van dit wetboek („Ongeldigmaking van een douaneaangifte”) luidt:

    „1.

    Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde douaneaangifte ongeldig in elk van de volgende gevallen:

    1. indien voldoende wordt aangetoond dat de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst;

    2. indien voldoende wordt aangetoond dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

    Indien de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de douaneaangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

    2.

    De douaneaangifte wordt niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, tenzij anders is bepaald.”

    16. Artikel 175 van het douanewetboek van de Unie bepaalt het volgende:

    „De [Europese] Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 284 gedelegeerde handelingen vast te stellen, ter bepaling van de gevallen waarin de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt na vrijgave van de goederen, als bedoeld in artikel 174, lid 2.”

    17. Artikel 176 van dit wetboek luidt:

    „De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen nader de procedureregels voor:

    […]

    1. de wijziging van de douaneaangifte na vrijgave van de goederen overeenkomstig artikel 173, lid 3.

    […]”

    18. Artikel 194 van dit wetboek („Vrijgave van de goederen”) luidt:

    „1.

    Mits is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voor zover er geen beperking op de goederen is gesteld en de goederen niet onder een verbod vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de douaneaangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard.

    […]

    2.

    Alle goederen waarop een aangifte betrekking heeft, worden tegelijkertijd vrijgegeven.

    Voor de toepassing van de eerste alinea worden in een douaneaangifte die betrekking heeft op goederen die onder twee of meer artikelen vallen, de gegevens inzake goederen die onder hetzelfde artikel vallen, geacht een afzonderlijke douaneaangifte te vormen.”

    B. Roemeens recht

    1. Wet nr. 86/2006 houdende het Roemeense douanewetboek

    19. Ingevolge artikel 68 van Lege nr. 86/2006 privind Codul vamal al României (wet nr. 86/2006 houdende het Roemeense douanewetboek)(3), van 10 april 2006, kunnen de goederen, met toestemming van de douaneautoriteit, op verzoek worden onderzocht of bemonsterd met het oog op de toekenning van een douanebestemming.

    20. Artikel 100 van deze wet bepaalt het volgende:

    „1.

    De douaneautoriteit heeft het recht om ambtshalve of op verzoek van de aangever binnen vijf jaar na de datum van vrijgave de douaneaangifte te corrigeren.

    2.

    Binnen de in lid 1 bedoelde termijn onderzoekt de douaneautoriteit alle documenten, dossiers en boekingen die betrekking hebben op de vrijgegeven goederen of op latere handelstransacties betreffende deze goederen. De controle kan worden verricht bij de aangever, bij elke andere persoon die beroepshalve direct of indirect bij de genoemde verrichtingen betrokken is of bij elke andere persoon die in het bezit is van de genoemde documenten of informatie daarover. Ook kan een fysieke controle van de goederen worden uitgevoerd, indien deze nog bestaan.

    3.

    Indien bij een nieuwe controle van de aangifte of bij een onderzoek achteraf blijkt dat de bepalingen betreffende de betrokken douaneregeling zijn toegepast op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, neemt de douaneautoriteit maatregelen om de situatie te regulariseren, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikt.

    4.

    De douaneautoriteit stelt het model van het voor de regularisatie vereiste document en de instructies voor het invullen ervan op.

    5.

    Indien wordt vastgesteld dat een douaneschuld is ontstaan of dat er te veel is betaald, neemt de douaneautoriteit maatregelen om de ontbrekende bedragen in te vorderen of de te veel betaalde bedragen terug te betalen overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

    6.

    In het kader van de controle achteraf van de aangiften stelt de douaneautoriteit overeenkomstig lid 3 vast of er te veel of te weinig is betaald met betrekking tot andere belastingen en rechten die in verband met douanetransacties aan de staat verschuldigd zijn, en neemt zij maatregelen om de vastgestelde tekorten te innen. Te veel betaalde bedragen uit hoofde van deze belastingen worden terugbetaald overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften.

    7.

    Indien de overtreding van de douanevoorschriften een administratieve overtreding of een strafrechtelijke overtreding vormt, past de douaneautoriteit de sancties voor administratieve overtredingen toe of legt zij de zaak voor aan de met strafrechtelijke vervolging belaste autoriteiten.

    8.

    De aanvaarde en geregistreerde douaneaangifte en het in lid 4 bedoelde document vormen een schuldbewijs.”

    2. Uitvoeringsregeling van het Roemeense douanewetboek

    21. Artikel 653, onder a), van Hotărâre Guvernului nr. 707/2006 pentru aprobarea Regulamentului de aplicare a Codului vamal al României (besluit nr. 707/2006 van de regering houdende goedkeuring van de uitvoeringsregeling van het Roemeense douanewetboek)(4), van 7 juni 2006, bepaalt dat het aan de douanecontrole onttrekken van enig goed dat onder een douaneregeling valt, een administratieve overtreding vormt die bestraft wordt met een boete van 3 000 tot 8 000 Roemeense leu (RON) (ongeveer 635 tot ongeveer 1 693 EUR).(5) Bovendien worden de goederen in dat geval in beslag genomen.

    22. Ingevolge artikel 654 van die regeling moet de overtreder, in geval van de in artikel 653, onder a), bedoelde administratieve overtreding en wanneer de goederen niet meer kunnen worden geïdentificeerd, het bedrag betalen dat overeenkomt met de douanewaarde van de goederen, vermeerderd met de invoerrechten en andere wettelijk verschuldigde rechten die de op het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen van de goederen vastgestelde belastingen en heffingen vertegenwoordigen, waarbij deze maatregel, wat het tenietgaan van de douaneschuld betreft, hetzelfde rechtsgevolg heeft als de inbeslagneming van de goederen.

    III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

    23. ZZE heeft bij haar Zwitserse partner, de vennootschap EM Microelectronic Marin SA, twee bestellingen geplaatst voor een totale hoeveelheid van 10 000 elektronische geïntegreerde schakelingen. Laatstgenoemde heeft daartoe twee afzonderlijke facturen opgesteld: factuur nr. VFE19‑03168 van 2 juli 2019 voor een hoeveelheid van 5 000 stuks en een bedrag van 4 950 EUR, en factuur nr. VFE19‑03169 van 2 juli 2019, eveneens voor een hoeveelheid van 5 000 stuks en een bedrag van 4 950 EUR.

    24. Op 4 juli 2019 heeft ZZE het bericht van invoer ontvangen voor luchtvrachtbrief nr. 1Z3022056899895681 voor een zending van 2,7 kg en een bedrag van 4 950 EUR. Op basis van dit document werden alleen de goederen met betrekking tot factuur nr. VFE19‑03169, inclusief vervoerskosten, aangegeven bij het grensdouanekantoor op de luchthaven van Cluj‑Napoca.

    25. Bij ontvangst van de zending stelde ZZE vast dat deze de dubbele hoeveelheid bevatte van die welke op factuur nr. VFE19‑03169 was vermeld en dat de leverancier op dezelfde dag factuur nr. VFE19‑03168 had uitgereikt, waarmee in de aangifte bij de douaneautoriteiten geen rekening was gehouden.

    26. Hierop heeft ZZE op 9 juli 2019 bij het grensdouanekantoor van de luchthaven van Cluj‑Napoca een verzoek ingediend om de onregelmatigheid te verhelpen door middel van de vaststelling door de douaneautoriteiten van een besluit om de situatie te regulariseren en de daarmee samenhangende douaneverplichtingen te berekenen.

    27. Op 2 september 2019 hebben de bevoegde douaneautoriteiten een proces‑verbaal opgemaakt, waarin zij vaststelden dat ZZE de goederen met betrekking tot factuur nr. VFE19‑03168 opzettelijk aan de douanecontrole had onttrokken. Zij hebben ZZE derhalve een boete van 3 000 RON (ongeveer 635 EUR)(6) en een bijkomende boete van 27 839 RON (ongeveer 5 893 EUR)(7) opgelegd krachtens artikel 654 van de uitvoeringsregeling van het Roemeense douanewetboek wegens het begaan van de in artikel 653, onder a), van die regeling bedoelde administratieve overtreding.

    28. ZZE is bij de Roemeense rechter opgekomen tegen dit proces‑verbaal.

    29. In eerste aanleg is het beroep van ZZE door de Judecătoria Cluj‑Napoca (rechter in eerste aanleg Cluj‑Napoca, Roemenië) verworpen. Deze rechter was van oordeel dat het bestreden proces‑verbaal was opgemaakt met inachtneming van de toepasselijke bepalingen in formele zin en dat ZZE de bij dit proces‑verbaal vastgestelde feiten, ten aanzien waarvan een vermoeden van geldigheid en gegrondheid bestond, niet ten gronde had weten te betwisten. Volgens deze rechter kan de in artikel 653, onder a), van de uitvoeringsregeling van het Roemeense douanewetboek bedoelde overtreding zowel door schuld als opzettelijk worden begaan, aangezien de toepassing van deze bepaling zich niet beperkt tot het opzettelijk begaan van de daarin genoemde handelingen. Als rechthebbende van de goederen was ZZE verplicht om de goederen die zij onder een douaneregeling had geplaatst, te verifiëren en een waarheidsgetrouwe douaneaangifte op te stellen en was het gebrek aan waakzaamheid op dit gebied aan haar toe te rekenen. Het feit dat ZZE zich enkele dagen na de vrijgave van de door haar ontvangen goederen tot de bevoegde douaneautoriteiten heeft gewend om haar situatie te regulariseren vormt, aldus de rechter in eerste aanleg, geen grond om de strafbaarheid van de haar door de bevoegde autoriteit verweten feiten uit te sluiten.

    30. Voorts was deze rechter van oordeel dat artikel 173 van het douanewetboek van de Unie in dit geval niet van toepassing was, aangezien deze bepaling niet toestaat dat een douaneaangifte wordt gewijzigd wanneer deze wijziging tot gevolg zou hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop de oorspronkelijke aangifte betrekking had.

    31. Wat de aan ZZE opgelegde geldboete betreft, was de rechter in eerste aanleg van oordeel dat deze het wettelijk minimum was en in verhouding stond tot de mate van concreet maatschappelijk gevaar die de feiten opleverden. Volgens deze rechter was het noodzakelijk geweest om het gedrag van ZZE te bestraffen met een geldboete, aangezien de sanctie van een waarschuwing, die geldt voor lichte overtredingen zelfs wanneer het relevante rechtskader daarin niet uitdrukkelijk voorziet, niet volstond om ZZE „te overtuigen van de noodzaak om de wet te eerbiedigen”.

    32. De rechter in eerste aanleg heeft voorts geoordeeld dat de aanvullende sanctie die ZZE krachtens artikel 654 van de uitvoeringsregeling van het Roemeense douanewetboek was opgelegd, passend was. Meer bepaald, gezien het tijdsverloop tussen de datum waarop de betrokken goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken en de datum waarop de douaneautoriteiten hierover zijn aangezocht, en gezien het feit dat ZZE in de loop van 2019 acht andere importen van dezelfde soort goederen van dezelfde leverancier had verricht, zou de regionale douanedirectie in Cluj de aan het douanetoezicht onttrokken goederen niet hebben kunnen identificeren. Bovendien had ZZE de betrokken goederen kunnen aanbrengen nadat zij de douaneautoriteiten ter zake had aangezocht, hetgeen zij niet zou hebben gedaan.

    33. De rechter in eerste aanleg heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.

    34. ZZE heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Tribunal Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) op grond dat, ten eerste, zij eigener beweging de beweerde administratieve overtreding onder de aandacht van de douaneautoriteiten had gebracht, ten tweede, het in feite niet ging om een onttrekking aan de douanecontrole maar om een eenvoudige materiële vergissing en, ten derde, haar in het verleden in soortgelijke gevallen geen administratieve overtreding was verweten, aangezien de bevoegde douaneautoriteiten de procedure van artikel 173 van het douanewetboek van de Unie hadden toegepast.

    35. De verwijzende rechter stelt vast dat de douaneautoriteiten en de rechterlijke instanties de uitlegging van artikel 173 van het douanewetboek van de Unie, met name lid 3 daarvan, verschillend hebben aangepakt, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Hij is van mening dat, indien artikel 173 van dit wetboek niet van toepassing zou zijn op een geval als het onderhavige, er niettemin een ander wettelijk middel zou moeten bestaan om een fout als die welke ZZE beweert te hebben begaan, recht te zetten, namelijk hetzij de procedure van artikel 174 van dit wetboek, hetzij een ander proceduremiddel „dat geen zware sancties meebrengt die [ZZE] ervan kunnen weerhouden de geldende voorschriften na te leven”.

    36. De verwijzende rechter benadrukt dienaangaande dat ZZE „niet te kwader trouw” is geweest en zij slechts een „materiële fout” heeft gemaakt.

    37. In die omstandigheden heeft de Tribunal Cluj besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

    • Wanneer de [ontvanger van goederen] vaststelt dat er meer goederen zijn dan in de aanvankelijke douaneaangifte is vermeld, is dan artikel 173 of artikel 174 van [het douanewetboek van de Unie] van toepassing?

    • Slaat de zinsnede ‚andere goederen dan die waarop [de douaneaangifte] oorspronkelijk betrekking had’ in artikel 173 van [het douanewetboek van de Unie] op andere goederen vanuit kwantitatief oogpunt, kwalitatief oogpunt, of beide oogpunten?

    • Als de ontvanger meer goederen aantreft dan in de douaneaangifte is vermeld, heeft hij dan volgens de verordening een procedure tot zijn beschikking waarmee hij de fouten kan herstellen zonder dat hem een administratieve of strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd?”

    38. De Roemeense en de Estse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

    IV. Analyse

    A. Opmerkingen vooraf

    39. Vooraf zij eraan herinnerd dat het douanewetboek van de Unie berust op een gecontroleerd aangiftesysteem(8) om douaneformaliteiten en ‑controles zoveel mogelijk te beperken, en tegelijk fraude of onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de begroting van de Unie te voorkomen. Vanwege het belang van deze voorafgaande aangiften voor de goede werking van de douane-unie verplicht artikel 15 van het douanewetboek van de Unie de aangever om juiste en volledige inlichtingen te verstrekken.(9)

    40. In dit verband is het uitgangspunt van de onveranderlijkheid van douaneaangiften een fundamenteel beginsel van douanerecht en het verlengstuk van de op elke aangever rustende verplichting om een juiste aangifte in te dienen.(10)

    41. Dit beginsel van onveranderlijkheid van de douaneaangiften is evenwel niet absoluut.(11) Zonder dit beginsel ter discussie te stellen, bieden de artikelen 173 en 174 van het douaneboek van de Unie de mogelijkheid om een douaneaangifte te wijzigen of ongeldig te maken, terwijl de goederen reeds zijn vrijgegeven.

    42. In deze context zal ik deze bepalingen, rekening houdend met het uitzonderlijke karakter ervan, uitleggen.

    43. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 173 dan wel artikel 174 van het douanewetboek van de Unie het mogelijk maakt een douaneaangifte te wijzigen of ongeldig te maken om hierin een extra hoeveelheid goederen op te nemen, wanneer de douaneautoriteiten de betrokken goederen reeds hebben vrijgegeven.

    44. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de zinsnede „andere goederen dan die waarop [de douaneaangifte] oorspronkelijk betrekking had” in artikel 173 van het douanewetboek van de Unie betrekking heeft op andere goederen vanuit kwantitatief oogpunt, kwalitatief oogpunt, of vanuit beide oogpunten.

    45. Met andere woorden, de verwijzende rechter vraagt zich af of een extra hoeveelheid goederen waarvoor een andere factuur is opgesteld dan de reeds aangegeven goederen, moet worden geacht te vallen onder „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had.

    46. Deze tweede vraag staat mijns inziens centraal bij de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag betreffende de toepasselijkheid van artikel 173 van het douanewetboek van de Unie op een situatie als die in het hoofdgeding.

    47. Uit de gecombineerde lezing van artikel 173, lid 3, en artikel 173, lid 1, van dit wetboek volgt namelijk dat de wijziging van een douaneaangifte in geen geval ‐ noch vóór noch na de vrijgave van de goederen ‐ kan worden toegestaan indien de verzochte wijziging ertoe leidt dat de douaneaangifte wordt opgemaakt voor „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, hetgeen a contrario betekent dat de wijziging mogelijk is indien zij betrekking heeft op identieke goederen.

    48. Ik geef derhalve in overweging om de eerste en de tweede prejudiciële vraag gezamenlijk te beantwoorden door, om te beginnen, vast te stellen wat moet worden verstaan onder „andere goederen” dan die waarop de douaneaangifte oorspronkelijk betrekking had, en, voorts, na te gaan of en in hoeverre het mogelijk is een douaneaangifte te wijzigen nadat de douaneautoriteiten de betrokken goederen hebben vrijgegeven.

    49. Vervolgens zal ik, alvorens de derde prejudiciële vraag te beantwoorden, onderzoeken of artikel 174 van het douanewetboek van de Unie een procedure kent die van toepassing zou kunnen zijn op een situatie als die in het hoofdgeding.

    B. Zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had

    50. De verwijzende rechter vraagt zich af of de zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, betrekking heeft op andere goederen vanuit kwantitatief oogpunt, kwalitatief oogpunt, of vanuit beide oogpunten.

    51. In de eerste plaats merk ik op dat noch het douanewetboek van de Unie noch gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446(12) noch uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447(13) preciseert wat onder „andere goederen” moet worden verstaan.

    52. In de tweede plaats wordt het bijvoeglijk naamwoord „andere”, van het Latijnse „alter”, gedefinieerd als dat wat onderscheidend is, verschillend van entiteiten of dingen van dezelfde categorie.(14) Deze definitie doet dan wel vermoeden dat „andere goederen” goederen zijn die een andere aard of andere kenmerken hebben dan de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, maar een dergelijke formulering blijft bijzonder ruim. Het is dan ook niet uitgesloten dat een extra hoeveelheid identieke goederen kan worden aangemerkt als „andere goederen” in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie.

    53. In de derde plaats kan dit begrip niet met behulp van de verschillende taalversies van deze bepaling worden gespecificeerd. De Spaanse („mercancías distintas”), de Duitse („andere Waren”), de Engelse („goods other”), de Italiaanse („merci diverse”) en de Roemeense („altor mărfuri”) taalversie verwijzen namelijk allemaal letterlijk naar de zinsnede „andere goederen”.

    54. Volgens de bewoordingen van het douanewetboek van de Unie kan dit begrip verwijzen naar goederen van een andere aard en met andere kenmerken (kwalitatief verschil) alsook naar goederen van dezelfde aard maar in een andere hoeveelheid (kwantitatief verschil) dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had.

    55. Uitgaande van de logica van de tekst, is het echter mogelijk om dat wat onder de zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had valt, anders op te vatten.

    56. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het douanewetboek van de Unie berust op een aangiftesysteem om douaneformaliteiten en ‑controles te beperken, en tegelijk fraude of onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de begroting van de Unie te voorkomen.(15)

    57. Om te beginnen volgt uit dit systeem dat douaneaangiften onmiddellijk kunnen worden aanvaard, zoals is bepaald in artikel 172 van het douanewetboek van de Unie. Voorts heeft het Hof erkend dat om snelle en doeltreffende procedures voor het in het vrije verkeer brengen te waarborgen de douaneautoriteiten niet alle goederen die worden aangegeven, aan een grondig onderzoek onderwerpen, hetgeen noch in het belang zou zijn van de deelnemers aan het economisch verkeer, noch in het belang van genoemde autoriteiten.(16)

    58. Mijns inziens lijken dus twee criteria doorslaggevend te zijn om te bepalen of een extra hoeveelheid goederen geen „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, vormen.

    59. Ten eerste hadden de goederen die voorwerp van de wijziging zijn, in dezelfde oorspronkelijke douaneaangifte kunnen worden opgenomen indien er geen materiële fout was gemaakt. Enkel de hoeveelheid aangegeven goederen verschilt.

    60. Dit argument vindt steun in artikel 222 van uitvoeringsverordening 2015/2447 dat bepaalt dat wanneer een douaneaangifte twee of meer artikelen omvat, de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen in die aangifte worden beschouwd als een afzonderlijke douaneaangifte. Tenzij specifieke goederen die deel uitmaken van een zending aan verschillende maatregelen zijn onderworpen, worden goederen die deel uitmaken van een zending beschouwd als één artikel wanneer zij, onder andere, worden ingedeeld onder één enkele tariefonderverdeling.

    61. Heeft het verzoek om wijziging van de douaneaangifte betrekking op een extra hoeveelheid goederen die identiek zijn aan de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, dat wil zeggen goederen die onder dezelfde tariefonderverdeling zijn ingedeeld, dan kan deze wijziging dus, anders dan de Commissie betoogt, worden aanvaard, aangezien alle goederen het voorwerp van één enkele douaneaangifte hadden kunnen zijn.

    62. Ten tweede is het, aangezien de goederen waarop de gewijzigde douaneaangifte betrekking heeft identiek zijn aan de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, niet per sé nodig een verdere fysieke controle van die goederen uit te voeren. Hetzelfde geldt a fortiori wanneer de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, vóór de aanvaarding van die aangifte en de vrijgave niet aan een fysieke controle werden onderworpen.

    63. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat artikel 78 van verordening (EEG) nr. 2913/92(17) het voor de douaneautoriteiten mogelijk maakte de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek van in een douaneaangifte opgenomen goederen, welk onderzoek is verricht op basis van monsters die van deze goederen zijn genomen, te extrapoleren naar goederen die in eerder door diezelfde aangever ingediende douaneaangiften zijn opgenomen en waarvoor geen dergelijk onderzoek is verricht – en ook niet meer kan worden verricht aangezien reeds vrijgave van deze goederen is verleend – wanneer het om identieke goederen gaat.(18)

    64. Ook zij erop gewezen dat de extra goederen kunnen worden omschreven als identiek aan die waarvoor de oorspronkelijke douaneaangifte is gedaan, rekening houdend met onder andere de verstrekte gegevens waaruit blijkt dat deze goederen afkomstig zijn van dezelfde fabrikant, dezelfde benaming en samenstelling hebben en er hetzelfde uitzien.(19) Ik ben derhalve van mening dat de hoeveelheid extra goederen niet onder de zinsnede „andere goederen” in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie moet vallen om wijziging van de douaneaangifte te verbieden.

    65. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging te verklaren dat onder de zinsnede „andere goederen” dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, niet een extra hoeveelheid van dezelfde goederen valt wanneer kan worden aangetoond dat die tweede hoeveelheid goederen identiek is aan de eerste hoeveelheid goederen, omdat zij onder dezelfde tariefonderverdeling zijn ingedeeld en in één enkele aangifte hadden kunnen worden opgenomen indien er geen materiële fout was gemaakt.

    C. Mogelijkheid van wijziging van de douaneaangifte na de vrijgave van de goederen

    66. Aangezien een extra hoeveelheid goederen niet onder de zinsnede „andere goederen” in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie valt, kan de douaneaangifte worden gewijzigd zolang de goederen niet zijn vrijgegeven. Derhalve moet worden nagegaan of het verzoek tot wijziging van een douaneaangifte teneinde deze extra hoeveelheid daarin op te nemen, kan worden ingewilligd nadat de goederen overeenkomstig artikel 173, lid 3, van dit wetboek zijn vrijgegeven.

    67. In herinnering moet worden gebracht dat artikel 173, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat de wijziging van een douaneaangifte niet wordt toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven.

    68. Bij wijze van uitzondering bepaalt artikel 173, lid 3, van dit wetboek dat de wijziging van de douaneaangifte kan worden toegestaan na vrijgave van de goederen om de aangever in staat te stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen.

    69. Wat een dergelijke mogelijkheid betreft, lijkt mij de ontwikkeling van de bepalingen tot regeling van de procedure tot wijziging van een douaneaangifte in de verschillende teksten die de materie achtereenvolgens hebben geregeld, veelzeggend.

    70. Het communautair douanewetboek voorzag in twee verschillende regelingen die respectievelijk voor en na de vrijgave van de goederen van toepassing waren op de wijzigingen die konden worden aangebracht in de gegevens die voor de bepaling van de douanewaarde en bijgevolg van de invoerrechten in aanmerking waren genomen.(20)

    71. Op grond van artikel 65 van dit wetboek kon de aangever een of meer van de vermeldingen in de douaneaangifte wijzigen nadat deze was aanvaard en zolang de goederen door de douaneautoriteiten niet waren vrijgegeven. Dit recht was te verklaren door het feit dat de juistheid van de wijzigingen zo nodig tot de vrijgave door de douaneautoriteiten aan de hand van een fysieke controle van de goederen gemakkelijk kon worden geverifieerd.(21)

    72. Bij artikel 78 van dit wetboek werd een restrictievere regeling ingevoerd door de douaneautoriteiten de mogelijkheid te bieden om na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot wijziging van de douaneaangifte over te gaan, op een tijdstip waarop de goederen niet meer konden worden aangebracht en de invoerrechten reeds waren vastgesteld. Een dergelijke wijziging stond zowel wat betreft het principe ervan als wat betreft het resultaat ervan ter beoordeling van de douaneautoriteiten.(22)

    73. De specifieke logica van dit artikel 78, die erin bestond de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie door met name materiële fouten of weglatingen en vergissingen te herstellen, pleitte ertegen dat dit artikel aldus werd uitgelegd dat algemeen kon worden uitgesloten dat de douaneautoriteiten een herziening of andere controles achteraf van douaneaangiften verrichten om in voorkomend geval een en ander recht te zetten.(23)

    74. Bij verordening (EG) nr. 450/2008(24) is het communautair douanewetboek ingetrokken en is een artikel 113 ingevoerd, waarvan de leden 1 en 2 hetzelfde waren geformuleerd als artikel 173, leden 1 en 2, van het douanewetboek van de Unie. Lid 3 van dit artikel 113 voorzag in de mogelijkheid voor de Commissie om maatregelen vast te stellen om te bepalen in welke gevallen wijziging na vrijgave van de goederen kon worden toegestaan. De Commissie heeft echter nooit gebruikgemaakt van deze mogelijkheid.

    75. Ingevolge artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie kunnen de douaneautoriteiten voortaan toestaan dat een douaneaangifte na vrijgave van de goederen wordt gewijzigd, maar enkel om de aangever in staat te stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen.

    76. Uit de ontwikkeling van deze bepalingen volgt dat, om te beginnen, de douaneautoriteiten de nodige maatregelen kunnen nemen om de situatie te herstellen, rekening houdend met de nieuwe elementen waarover zij beschikken, en dat, voorts, deze autoriteiten de documenten en gegevens betreffende de invoerverrichtingen en het onderzoek van de goederen kunnen controleren, wanneer deze nog kunnen worden aangebracht.

    77. Dienaangaande heeft het Hof verklaard dat wanneer de aangever om wijziging van de douaneaangifte verzoekt, de douaneautoriteiten, in het kader van een eerste beoordeling, met name rekening houden met de mogelijkheid om de vermeldingen in deze aangifte en in het verzoek om wijziging te controleren.(25)

    78. Voorts kan een wijziging van de gegevens die door een eenvoudige documentencontrole kunnen worden geverifieerd, niet worden vergeleken met een wijziging van de gegevens over de aard of de kenmerken van de goederen, aangezien de douaneautoriteiten kunnen weigeren tot wijziging over te gaan wanneer de te verifiëren gegevens een fysieke controle vergen en die goederen als gevolg van de vrijgave ervan niet meer bij hen kunnen worden aangebracht.(26)

    79. Aangezien de in het hoofdgeding te verifiëren gegevens echter betrekking hebben op de hoeveelheid aan te geven goederen, en niet op de aard of de kenmerken ervan, daar deze identiek zijn aan de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, is het denkbaar dat niets eraan in de weg staat dat de douaneaangifte op grond van artikel 173 van het douanewetboek van de Unie kan worden gewijzigd, en dit zelfs al zijn de eerste goederen reeds vrijgegeven.

    80. Bij de uitlegging van artikel 78 van het communautair douanewetboek heeft het Hof erkend dat zelfs indien op het tijdstip waarop het verzoek om wijziging van de douaneaangifte wordt ingediend, een fysieke controle van de goederen onmogelijk is geworden, een dergelijke wijziging toch kan worden overwogen, mits het ontbreken van een dergelijke controle in een concreet geval niet noodzakelijkerwijs in de weg staat aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de betrokken regeling, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van dat geval.(27)

    81. Belangrijk is namelijk dat de gevraagde wijziging de andere doelstellingen van de douanewetgeving, waaronder de doelstelling van fraudebestrijding, niet in gevaar brengt.(28) Ook moet in gedachten worden gehouden dat artikel 42, lid 1, van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat de sancties voor het niet naleven van de douanewetgeving effectief, proportioneel en afschrikkend moeten zijn. Mijns inziens volgt hieruit dat de onregelmatigheid van een douaneaangifte zonder frauduleuze bedoelingen niet zwaar moet worden bestraft.

    82. Ondanks de moeilijkheid om betrouwbare fysieke controles uit te voeren, moet het verzoek om wijziging van de douaneaangifte na de vrijgave van de goederen dus vergezeld gaan van bewijzen die uitsluiten dat het doel van fraudebestrijding in het gedrang komt en het mogelijk maken een verband te leggen tussen de extra hoeveelheid goederen waarop dat verzoek om wijziging betrekking heeft en de documenten betreffende de invoer.(29)

    83. Bij deze beoordeling dienen de douaneautoriteiten rekening te houden met factoren zoals het feit dat de extra hoeveelheid goederen en de reeds aangegeven goederen onder dezelfde tariefonderverdeling zijn ingedeeld, dat alle door de aangever ontvangen goederen op hetzelfde tijdstip en in dezelfde verpakking zijn vervoerd, of dat de leverancier van de aangever twee opeenvolgende facturen voor de betrokken goederen heeft opgesteld. Ook moeten de douaneautoriteiten rekening houden met het feit dat het verzoek om wijziging van de douaneaangifte eigener beweging en binnen een korte periode na de aangifte is gedaan en dat elk vermoeden van fraude kan worden uitgesloten.

    84. Wat betreft de in artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie gestelde voorwaarde dat de wijziging van de douaneaangifte nadat de goederen zijn vrijgegeven, de aangever alleen in staat moet stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen, zij er voorts aan herinnerd dat artikel 158, lid 1, van dit wetboek bepaalt dat voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling moet worden gedaan.

    85. Derhalve zou kunnen worden betoogd dat aangezien de extra hoeveelheid goederen niet het voorwerp van de oorspronkelijke douaneaangifte was en nog niet onder een specifieke douaneregeling is geplaatst, de wijziging van deze aangifte om deze extra hoeveelheid goederen daarin op te nemen de aangever niet in staat zou stellen aan deze verplichtingen te voldoen.

    86. Ik ben het niet eens met dat betoog.

    87. Ik ben namelijk, ten eerste, van mening dat de aangever, om aan zijn verplichtingen inzake de plaatsing van goederen onder de betrokken douaneregeling te voldoen, in staat moet zijn materiële fouten in de oorspronkelijke douaneaangifte te herstellen, in tegenstelling tot gevallen waarin een dergelijke aangifte ongeldig moet worden gemaakt wanneer de goederen onder de verkeerde douaneregeling zijn geplaatst.

    88. Dienaangaande wijs ik erop dat ingevolge artikel 174, lid 1, van het douanewetboek van de Unie een reeds aanvaarde douaneaangifte, voordat de goederen zijn vrijgegeven, ongeldig kan worden gemaakt wanneer deze goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling worden geplaatst, of wanneer, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, de douaneregeling, waaronder de goederen zijn geplaatst, niet meer gerechtvaardigd is.

    89. Ook na de vrijgave van de goederen staat artikel 148 van gedelegeerde verordening 2015/2446 een dergelijke ongeldigverklaring toe in zeer specifieke gevallen, zoals onder meer het geval waarin de goederen bij vergissing zijn aangegeven in de plaats van andere goederen of op meer dan één douaneaangifte, of indien de goederen onder een andere douaneregeling zijn geplaatst dan die waaronder zij hadden moeten worden geplaatst, dan wel onder een regeling douane‑entrepotregeling zijn geplaatst en niet langer onder die regeling kunnen blijven.

    90. Het in staat stellen van de aangever om zijn verplichtingen inzake de plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling na te komen, in de zin van artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, bestaat dus in het corrigeren van een materiële vergissing die bij de oorspronkelijke douaneaangifte is gemaakt, en niet in het onttrekken van de goederen aan een bepaalde douaneregeling of het plaatsen ervan onder een andere douaneregeling, in tegenstelling tot wat in artikel 174 van dit wetboek is bepaald.

    91. Aangezien, ten tweede, de betrokken goederen het grondgebied van de Unie reeds zijn binnengekomen en bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht in dezelfde zending als andere identieke goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had en waarvoor reeds vrijgave is verleend, en aangezien alle goederen voorwerp hadden kunnen zijn van dezelfde aangifte, is de overweging dat deze eerste goederen niet onder een specifieke douaneregeling zijn geplaatst mijns inziens irrelevant.

    92. Anders dan in een geval waarin de goederen aan douanecontrole zouden zijn onttrokken omdat zij, hoewel identiek aan de goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had, in een andere verpakking zijn ingevoerd dan wel omdat zij, ondanks dat zij in dezelfde verpakking zijn ingevoerd, van een andere aard zijn dan de oorspronkelijk aangegeven goederen, bestaat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie namelijk in de correctie van een eenvoudige materiële fout, namelijk een statistische waarde in de aangifte betreffende de hoeveelheid goederen.

    93. Aangezien de extra hoeveelheid goederen reeds op het grondgebied van de Unie is ingevoerd in dezelfde verpakking als andere identieke goederen waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had en die reeds zijn vrijgegeven, ben ik van mening dat de wijziging van de douaneaangifte om die extra hoeveelheid daarin op te nemen de aangever juist in staat stelt te voldoen aan de verplichtingen inzake de plaatsing van alle goederen onder de betrokken douaneregeling.

    94. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een douaneaangifte na vrijgave van de goederen wordt gewijzigd om daarin een extra hoeveelheid van de reeds eerder aangegeven goederen op te nemen, mits het verzoek om wijziging vergezeld gaat van bewijsstukken aan de hand waarvan een verband kan worden gelegd tussen deze extra hoeveelheid en de invoerdocumenten en elk vermoeden van fraude wordt uitgesloten, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan.

    D. Artikel 174 van het douanewetboek van de Unie

    95. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 174 van het douanewetboek van de Unie van toepassing is, wanneer de ontvanger van goederen vaststelt dat er meer goederen zijn dan in de oorspronkelijke douaneaangifte is vermeld, en zulks nadat de goederen zijn vrijgegeven.

    96. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ervan uitgaande dat artikel 173 van het douanewetboek van de Unie niet van toepassing is op een situatie als die in het hoofdgeding, artikel 174 van dit wetboek een ander wettelijk middel vormt om de begane fout te herstellen dat geen zware sancties meebrengt die ZZE ervan kunnen weerhouden de geldende voorschriften na te leven.

    97. Zoals artikel 174, lid 2, van het douanewetboek van de Unie voorschrijft, wordt de douaneaangifte niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, tenzij anders is bepaald.

    98. Artikel 175 van dit wetboek voegt daar evenwel aan toe dat de Commissie bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen, ter bepaling van de gevallen waarin de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt na vrijgave van de goederen, als bedoeld in artikel 174, lid 2, van dit wetboek.

    99. Krachtens dit artikel 175 heeft de Commissie gedelegeerde verordening 2015/2446 vastgesteld, waarvan artikel 148 de voorwaarden bepaalt waaronder de douaneaangifte zelfs na de vrijgave van de goederen ongeldig kan worden gemaakt.

    100. Ingevolge artikel 148, leden 1 tot en met 3, van deze gedelegeerde verordening gaat het om gevallen waarin i) wordt vastgesteld dat goederen bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan in plaats van voor een andere douaneregeling; ii) wordt vastgesteld dat de goederen bij vergissing zijn aangegeven in de plaats van andere goederen voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan, en iii) de goederen die zijn verkocht in het kader van een overeenkomst op afstand in het vrije verkeer zijn gebracht en worden teruggezonden.

    101. Voorts bepaalt artikel 148, lid 4, van deze gedelegeerde verordening dat de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, wanneer i) goederen zijn vrijgegeven voor uitvoer, wederuitvoer of passieve veredeling en het douanegebied van de Unie niet hebben verlaten; ii) Uniegoederen bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die van toepassing is op niet‑Uniegoederen, en hun douanestatus van Uniegoederen nadien is aangetoond; iii) goederen bij vergissing zijn aangegeven op meer dan één douaneaangifte; iv) een vergunning met terugwerkende kracht is verleend, en v) Uniegoederen onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst en niet langer onder die regeling kunnen blijven.

    102. Ik wijs erop dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder geen van deze gevallen valt.

    103. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat artikel 174 van het douanewetboek van de Unie een alternatief wettelijk middel is voor artikel 173 van dit wetboek om ernstige sancties te kunnen vermijden die de aangever ervan zouden kunnen weerhouden de toepasselijke voorschriften na te leven.

    104. Samenvattend staat artikel 174 van het douanewetboek van de Unie het mijns inziens niet toe dat een douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt om daarin een extra hoeveelheid goederen op te nemen, terwijl de douaneautoriteiten de betrokken goederen reeds hebben vrijgegeven.

    105. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 174 van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de douaneautoriteiten na vrijgave van de goederen een reeds aanvaarde douaneaangifte ongeldig maken, wanneer een extra hoeveelheid goederen niet in die aangifte is vermeld.

    E. Derde prejudiciële vraag

    106. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ingeval de ontvanger meer goederen aantreft dan in de oorspronkelijke douaneaangifte is vermeld, hij dan een procedure tot zijn beschikking heeft waarmee hij de fouten kan herstellen zonder dat hem een administratieve of strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd.

    107. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de rechtvaardiging van een verzoek om een prejudiciële beslissing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil dat verband houdt met het Unierecht(30) en waarvoor de uitlegging van dat recht nuttig is.

    108. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt echter niet dat het antwoord op de derde prejudiciële vraag het geschil in het hoofdgeding daadwerkelijk oplost, aangezien de verwijzende rechter het Hof niet verzoekt om uitlegging van een regel van Unierecht, maar om een oplossing voor het geschil. In dat opzicht lijkt mij deze vraag niet‑ontvankelijk. Is het Hof, zoals ik in overweging geef, van oordeel dat de douaneaangifte kan worden gewijzigd op grond van artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, dan wordt deze vraag hoe dan ook irrelevant.

    109. Wat evenwel de vraag van de verwijzende rechter inzake de zwaarte van de opgelegde sancties betreft, breng ik in herinnering dat de in artikel 42 van het douanewetboek van de Unie bedoelde sancties volgens de rechtspraak van het Hof geen eventuele frauduleuze of illegale activiteiten beogen te bestraffen, maar elke niet‑naleving van de douanewetgeving.(31)

    110. De door de lidstaten vastgestelde sancties moeten ingevolge dit artikel evenwel niet alleen effectief en afschrikkend maar ook proportioneel zijn.

    111. In dit verband zij eraan herinnerd dat bij het ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een door die wetgeving ingestelde regeling, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die zij passend achten. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en derhalve met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.(32)

    112. In het bijzonder mogen de bestuursrechtelijke of repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd en mogen zij bovendien niet onevenredig zijn aan die doelen.(33)

    113. Voorts moet de zwaarte van een sanctie stroken met de ernst van de inbreuk in kwestie. Dit vereiste vloeit voort uit het in artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van evenredigheid van straffen.(34)

    114. In casu lijkt mij een sanctie bestaande uit een geldboete en de verplichting tot betaling van een bedrag dat overeenkomt met de waarde van de extra hoeveelheid goederen evenwel onevenredig.

    115. Een sanctie van een dergelijke geldelijke omvang gaat namelijk verder dan nodig is om met name te voorkomen dat de betrokken goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, aangezien, om te beginnen, ZZE eigener beweging en binnen een redelijke termijn bij het bevoegde douanekantoor een verzoek heeft ingediend om de vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen en, voorts, het risico van fraude nogal beperkt is.

    116. Door in een geval als het onderhavige de aangevers te straffen zouden zij juist worden ontmoedigd om regularisatie van hun situatie aan te vragen en aangemoedigd worden de extra hoeveelheid goederen die per vergissing niet is aangegeven, te verdonkeremanen.

    117. Een dergelijke sanctie zou dus contraproductief zijn, omdat zij de aangevers ertoe zou aanzetten zich aan hun verplichting tot betaling van de invoerrechten te onttrekken en aldus afbreuk zou doen aan de doelstelling van fraudebestrijding en bescherming van de begroting van de Unie.

    118. Samenvattend ben ik van mening dat in een situatie als die in het hoofdgeding en bij gebreke van enig risico dat met de toepasselijke douanewetgeving wordt gefraudeerd, de in de Roemeense wetgeving vastgelegde sancties niet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 42 van het douanewetboek van de Unie en in artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten.

    V. Conclusie

    119. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Tribunal Cluj te beantwoorden als volgt:

    • Artikel 173, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

      moet aldus worden uitgelegd dat

      onder de zinsnede ‚andere goederen’ dan die waarop de oorspronkelijke douaneaangifte betrekking had in de zin van artikel 173, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, niet een extra hoeveelheid van dezelfde goederen valt wanneer kan worden aangetoond dat deze tweede hoeveelheid identiek is aan de eerste hoeveelheid goederen, omdat zij onder dezelfde tariefonderverdeling zijn ingedeeld en in één enkele aangifte hadden kunnen worden opgenomen indien er geen materiële fout was gemaakt.

    • Artikel 173, lid 3, van verordening nr. 952/2013

      moet aldus worden uitgelegd dat

      het zich er niet tegen verzet dat een douaneaangifte na vrijgave van de goederen wordt gewijzigd om daarin een extra hoeveelheid van de reeds eerder aangegeven goederen op te nemen, mits het verzoek om wijziging vergezeld gaat van bewijsstukken aan de hand waarvan een verband kan worden gelegd tussen deze extra hoeveelheid en de invoerdocumenten en elk vermoeden van fraude wordt uitgesloten.

    • Artikel 174 van verordening nr. 952/2013

      moet aldus worden uitgelegd dat

      het zich ertegen verzet dat, wanneer een extra hoeveelheid goederen niet in de oorspronkelijke douaneaangifte is vermeld, de bevoegde douaneautoriteiten na vrijgave van de goederen deze aangifte ongeldig maken.”