College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2025, ECLI:NL:CBB:2025:95, 22/444
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2025, ECLI:NL:CBB:2025:95, 22/444
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 25 februari 2025
- Datum publicatie
- 25 februari 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:95
- Zaaknummer
- 22/444
- Relevante informatie
- Wet tuchtrechtspraak accountants [Tekst geldig vanaf 01-07-2023]
Inhoudsindicatie
Hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer van
24 januari 2022, met nummer 21/556 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2022:4), waarin de tuchtklacht, ingediend door een fiscaal adviseur tegen een registeraccountant die als opsporingsambtenaar werkzaam is bij de Belastingdienst/FIOD, ongegrond is verklaard.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 22/444
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2025 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 24 januari 2022 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen
(gemachtigde: mr. A.H.T. van Gijssel)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
24 januari 2022, met nummer 21/556 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2022:4).
[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
De zitting was op 9 januari 2025. [naam 2] is verschenen, bijgestaan door mr. M.L. Batting. [naam 1] is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer.
Het College volstaat met het volgende.
[naam 1] is fiscaal adviseur en adviseerde als zodanig cliënten uit de media- en entertainmentsector die internationaal actief zijn. Eén van zijn cliënten was [naam 3] ( [naam 3] ).
[naam 2] is registeraccountant en is als opsporingsambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, kantoor Utrecht.
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen – onder anderen – [naam 1] heeft [naam 2] , samen met twee collega’s, op 22 februari 2018 een op ambtsbelofte opgemaakt aanvangsproces-verbaal opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat er een redelijk vermoeden bestaat dat [naam 1] zich met betrekking tot een achttal van zijn cliënten – waaronder [naam 3] – mogelijk schuldig heeft gemaakt aan meerdere fiscale delicten en aan
overtreding van artikel 2, derde lid van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt).
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 2] volgens [naam 1] in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld, doordat hij een aanvangsproces-verbaal heeft opgesteld waarvan hij wist of behoorde te weten dat dit onjuistheden bevatte. Als gevolg daarvan is de reputatie van [naam 1] besmeurd.
De accountantskamer heeft de klacht ongegrond verklaard.