Home

Centrale Raad van Beroep, 09-12-2009, BK8203, 09-2263 BESLU + 09-2264 BESLU

Centrale Raad van Beroep, 09-12-2009, BK8203, 09-2263 BESLU + 09-2264 BESLU

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 december 2009
Datum publicatie
5 januari 2010
Annotator
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2009:BK8203
Zaaknummer
09-2263 BESLU + 09-2264 BESLU

Inhoudsindicatie

Heropening ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. De Raad naast de Raadskamer WUV de Staat aangemerkt als partij in die procedure. De redelijke termijn is met vijf jaar en ruim een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van 11 maal € 500,--, dit is € 5.500,--. Van de totale schadevergoeding van € 5.500,-- komt € 3.000,-- voor rekening van de Staat. De Raadskamer zal derhalve € 2.500,-- aan betrokkene moeten vergoeden.

Uitspraak

09/2263 BESLU

09/2264 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te België (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en uitkeringsraad (hierna: Raadskamer).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raadskamer van 30 december 2002, kenmerk CR 10880, bjz/60/2002/1113.

Bij uitspraak van 23 april 2009 (LJN BI3086) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast de Raadskamer de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens de Raadskamer drs. R.K. Leopold. Namens betrokkene heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Namens betrokkene is mr. Van Berkel verschenen. De Staat heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.E. de Bruijn, advocaat te ’s-Gravenhage, en de Raadskamer door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 23 april 2009 heeft de Raad vastgesteld dat de procedure is begonnen met de ontvangst door de Raadskamer op 3 augustus 1999 van het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van de Raadskamer van 28 juli 1999 en dat de procedure vanaf dat moment negen jaar en bijna acht maanden had geduurd. Voorts is overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. De Raad heeft vervolgens, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbij, met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb, naast de Raadskamer de Staat (de minister van Justitie) als partij in die procedure is aangemerkt.

2. Namens de Staat is - kort weergegeven - uiteengezet dat de eerste behandeling door de Raad slechts ruim vijf maanden te lang heeft geduurd, waarvoor kan worden volstaan met de vaststelling dat de Raad de redelijke termijn heeft geschonden, en dat voor de overschrijding bij de tweede behandeling een vergoeding van € 1.500,-- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. Ter zitting van de Raad heeft de Staat dit bedrag gewijzigd in € 2.500,--.

3. De Raadskamer heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting naar voren gebracht dat

- van toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb slechts sprake kan zijn bij vernietiging van het in geding zijnde besluit, terwijl in dit geval het beroep ongegrond is verklaard;

- betrokkene ter zitting van de Raad van 5 februari 2004 had moeten aanvoeren dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn door de Raadskamer;

- de eerste bezwaarfase drie maanden heeft geduurd en de tweede ruim zeven maanden, hetgeen gemiddeld minder is dan zes maanden, terwijl de totale behandelingsduur blijft binnen de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als redelijk aangemerkte behandelingsduur van twaalf maanden;

- er geen sprake is geweest van stilliggen tijdens de bezwaarfase.

Ter zitting van de Raad heeft de Raadskamer voorts bepleit in zaken met betrekking tot de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) voor de bezwaarfase een langere behandelingsduur aan te houden dan zes maanden. Daarbij is erop gewezen dat artikel 43 van die wet termijnen kent die afwijken van de Awb, op grond waarvan de behandelingsduur van het bezwaar kan oplopen tot

33 weken.

4. Betrokkene heeft laten weten zich er niet in te kunnen vinden dat de periode vanaf de zitting op 5 februari 2004 tot de ontvangst van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) van 26 oktober 2006 in de zaak C-192/05 bij de beoordeling of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing wordt gelaten. Voorts is hij van mening dat voor de te lange behandelingsduur door de Raad niet kan worden volstaan met de vaststelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats de Raadskamer niet te kunnen volgen in haar stelling dat in deze procedure geen ruimte bestaat voor toekenning van schadevergoeding nu het besluit op bezwaar in de hoofdprocedure niet is vernietigd. De Raadskamer ziet er kennelijk aan voorbij dat hier sprake is van het in het licht van artikel 13 van het EVRM met het oog op de finale beslechting van het geschil verdragsconform toepassen van artikel 8:73 van de Awb, juist om toekenning van een schadevergoeding wegens schending van artikel 6 van het EVRM door zowel het bestuursorgaan als de rechter mogelijk te maken.

5.2. De Raad vermag voorts niet in te zien dat, zoals de Raadskamer heeft gesteld, betrokkene niet voor schadevergoeding in aanmerking komt nu zij deze niet heeft gevorderd ter zitting van 5 februari 2004.

5.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

5.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn onder I genoemde uitspraak van 23 april 2009 is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De in 5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.5. De Raad ziet geen aanleiding voor de behandeling van aanspraken op grond van de Wuv in het algemeen uit te gaan van een langere behandelingsduur van het bezwaar dan een half jaar, zoals door de Raadskamer is bepleit. Hij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat het feit dat de regelgever in artikel 43 van de Wuv voor enkele situaties een langere behandelingsduur dan zes maanden mogelijk heeft gemaakt, niet zonder meer meebrengt dat voor elke beoordeling van een aanspraak op grond van de Wuv een langere behandelingsduur gerechtvaardigd is. Daarnaast ziet de Raad geen aanleiding voor de in de vorige volzin bedoelde situaties in het algemeen een langere behandelingsduur dan zes maanden gerechtvaardigd te achten. Hij merkt daarbij op dat volgens zijn vaste rechtspraak in elke afzonderlijke zaak de ruimte bestaat om te beoordelen of gezien de omstandigheden van het geval een langere behandelingsduur dan zes maanden gerechtvaardigd is, waarbij de in 5.1 genoemde criteria een rol zullen spelen. In die situaties waarvoor de regelgever een langere beslistermijn gunt, zullen dergelijke omstandigheden zich wellicht eerder voordoen. De Raad stelt overigens vast dat zich in het voorliggende geval een dergelijke situatie niet voordoet, nu de Raadskamer kennelijk geen aanleiding heeft gezien de beslistermijn te verlengen. In het voorliggende geval ziet de Raad geen aanknopingspunten om een langere behandelingsduur dan zes maanden gerechtvaardigd te achten.

5.6. In zijn onder I genoemde uitspraak van 23 april 2009 heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - ook tot een hernieuwde behandeling door de Raad, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de gehele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij de Raad dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de Raad de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (in het geval van de Raad: het ministerie van Justitie).

5.7. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Raadskamer op 3 augustus 1999 tot deze uitspraak zijn tien jaar en vier maanden verstreken. Met de Staat en de Raadskamer is de Raad van oordeel dat de behandelingsduur van twee en een half jaar dient te worden verlengd met de periode dat de behandeling van het geding heeft stilgelegen vanaf de zitting op 5 februari 2004 tot de ontvangst door de Raad op 27 oktober 2006 van het arrest van het Hof van 26 oktober 2006, nu betrokkene zelf uitdrukkelijk had gevraagd om de behandeling van de zaak tot de ontvangst van dat arrest aan te houden. De aanvaardbaar te achten behandelingsduur komt daarmee op vijf jaar en bijna drie maanden. De redelijke termijn is derhalve met vijf jaar en ruim een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van 11 maal € 500,--, dit is € 5.500,--.

5.8. Van belang is vervolgens welk deel van deze schadevergoeding voor rekening komt van de Staat omdat een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij de Raad dan gerechtvaardigd. De Staat heeft erkend dat in beide fasen van de procedure sprake is (geweest) van een te lange behandelingsduur bij de Raad.

5.9. De Raad ziet geen aanleiding voor de behandeling door de Raad in de eerste fase van de procedure te volstaan met de vaststelling dat sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet geen aanleiding thans terug te komen van dit eerder gegeven oordeel door bij een overschrijding van minder dan zes maanden geen schadevergoeding toe te kennen.

5.10. De behandelingsduur door de Raad was in de eerste fase ruim vijf maanden te lang. In de tweede fase is de als redelijk aan te merken behandelingsduur van vijf jaar en bijna negen maanden thans met twee jaar en bijna twee maanden overschreden. In totaal is dit een overschrijding van twee jaar en zeven maanden, hetgeen leidt tot een schadevergoeding van zes maal € 500,--, dit is € 3.000,--.

5.11. Van de totale schadevergoeding van € 5.500,-- komt € 3.000,-- voor rekening van de Staat. De Raadskamer zal derhalve € 2.500,-- aan betrokkene moeten vergoeden.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Raadskamer en de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand, door de Raadskamer en de Staat elk voor de helft te betalen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.000,--;

Veroordeelt de Raadskamer WUV van de Pensioen- en uitkeringsraad tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,--;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Veroordeelt de Raadskamer WUV van de Pensioen- en uitkeringsraad in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RB