Home

Gerechtshof Amsterdam, 02-07-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4044, 14/00062

Gerechtshof Amsterdam, 02-07-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4044, 14/00062

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
2 juli 2015
Datum publicatie
6 oktober 2015
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2015:4044
Zaaknummer
14/00062

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde.

De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het Hof – en de rechtbank – onvoldoende rekening gehouden met het feit dat een aanzienlijk deel van de bij de onroerende zaak behorende grond een steil omhoog lopend pad betreft en hij maakt om die reden de vastgestelde waarde niet aannemelijk. Belanghebbende maakt de door hem voorgestane waarde evenmin aannemelijk. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank in haar oordeel de bewijslastverdeling in WOZ-zaken (Oostflakkee arrest) miskend. Het Hof stelt de waarde in goede justitie vast, en wel op € 700.000. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond; het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar is ongegrond.

Uitspraak

Kenmerk 14/00062

2 juli 2015

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente [Q], de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/5278 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) gedateerd 29 februari 2012, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [straatnaam] [XX] te [Z] (gemeente [Q] ) (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2011 en naar de toestand van 1 januari 2012, voor het jaar 2012, vastgesteld op € 1.221.000 (hierna: de WOZ-waarde). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2012 bekend gemaakt.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2012 de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 13 december 2013 heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij belanghebbende als ‘eiser’ wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’:

“ De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 862.968;

- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van

€ 862.968;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 432,72, en

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 januari 2014 en geregistreerd onder kenmerk 14/00062. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, door het Hof op 25 juni 2014 ontvangen. De heffingsambtenaar heeft een conclusie van dupliek ingediend, door het Hof op 8 augustus 2014 ontvangen.

1.6.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, bij het Hof op 13 april 2015 ingekomen. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend die door het Hof op 13 mei 2015 per fax zijn ontvangen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld, waarbij de belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’:

“2.1. Eiser is eigenaar van de woning.

2.2.

De woning is een vrijstaande woning uit de bouwperiode 1890 – 1897 met schuur. De inhoud van de woning is ongeveer 419m³ en de oppervlakte van het perceel is 2775m².

De woning is een rijksmonument.

2.3.

Tot de dossierstukken behoort een ‘Akte vestiging erfpacht en opstalrecht’ d.d. 14 november 2011, waarin onder meer het volgende is bepaald:

“(…)

Naast de eenmalige vergoeding voor de vestiging van het erfpachtrecht is erfpachter een jaarlijkse canon verschuldigd welke twaalfduizend vijfhonderd vijfentachtig euro (€ 12.585,00) bedraagt, dit bedrag vertegenwoordigt drie procent (3,00%) van de vastgestelde grondwaarde, (…)

2. De hoogte van de canon wordt bij aanvang van de erfpacht alsmede bij herziening van de canon conform artikel 2 lid 4, bepaald aan de hand van de vrije verkeerswaarde van de grond, als ware het een bouwkavel, (…)”

2.2.

Het Hof gaat voor de beslechting van het geschil uit van voormelde feiten en vult deze als volgt aan.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoort een beschikking van de Staatssecretaris van economische zaken, landbouw en innovatie, mede namens de staatssecretaris van financiën, kenmerk [kenmerk] van [datum] , waarbij het landgoed “ [naam landgoed] ” wordt aangemerkt als een landgoed in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928. Artikel 2 van deze beschikking luidt als volgt:

“2. Aan te merken als een landgoed als bedoeld in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928, het landgoed " [naam landgoed] ", bestaande uit de volgende percelen, in eigendom toebehorende aan Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, voornoemd:

  1. Kadastraal bekend gemeente [Q] , sectie [...] , nrs. [perceelnummers] . (± [xx.xx.xx] ha), gemeente [R] , sectie [...] , nrs. [perceelnummers] , ter gezamenlijke grootte van ± [xxx.xx.xx] ha;

  2. Belast met het recht van erfpacht als bedoeld in artikel 1 lid 3 van de Natuurschoonwet 1928, kadastraal bekend gemeente [Q] , sectie [...] , nr. [perceelnummer] , ter grootte van [x.xx.xx] ha; (…).”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil de WOZ-waarde van de woning op de peildatum. In geschil is tevens de vraag of de woning van belanghebbende deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed (hierna: een NSW-landgoed).

3.2.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing