Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-02-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:448, 23-001628-13

Gerechtshof Amsterdam, 13-02-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:448, 23-001628-13

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 februari 2018
Datum publicatie
13 februari 2018
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2018:448
Formele relaties
Zaaknummer
23-001628-13

Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Daadwerkelijk behaald voordeel. De veroordeelde heeft beschikt en kunnen beschikken over in totaal ruim 24 miljoen euro. Hij heeft ca. 17 miljoen euro overgeboekt gekregen, terwijl hij wist dat dit geld van afpersingen afkomstig was. Door dit geld zelfstandig te (kunnen) gaan gebruiken heeft dit ca. 7 miljoen euro aan vervolgprofijt voor hem opgeleverd. Het bedrag van ca. 24 miljoen euro wordt ontnomen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001628-13 (ontneming)

Datum uitspraak: 13 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2013 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak onder parketnummer 13-077040-04 tegen de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1957,

adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 25.733.754,45.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 19 maart 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.733.754,45 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tegen voormeld vonnis is door de veroordeelde hoger beroep ingesteld.

De veroordeelde is in de strafzaak onder parketnummer 23-002592-10 bij - inmiddels onherroepelijk geworden - arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2012 veroordeeld ter zake van - kort gezegd onder meer - medeplegen van gewoontewitwassen (feit 1) en witwassen (feit 4).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2014, 28 november 2014, 16 januari 2015, 10 november 2017 en 30 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing en motivering komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 25.733.754,45 bestaande uit:

  1. voordeel uit (gewoonte)witwassen van gelden afkomstig van [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer] ): € 17.068.165,75

  2. vervolgprofijt uit storting op privérekening: € 1.019.650,21

  3. vervolgprofijt uit verstrekken leningen: € 1.191.833,33

  4. vervolgprofijt uit aflossen lening: € 1.235.632,67

  5. voordeel uit heling: € 5.218.472,49

Het hof zal bij na te houden bespreking deze volgorde/nummering aanhouden.

1 Voordeel uit gelden afkomstig van [slachtoffer]

1.1.

Standpunt van het openbaar ministerie

Uit de afpersing van [slachtoffer] door [andere veroordeelde] (het hof begrijpt hier en hierna: [andere veroordeelde] ) is door de (bedrijven van de) veroordeelde een geldbedrag van in totaal € 17.068.165,75 ontvangen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat [andere veroordeelde] dit met de veroordeelde heeft besproken. Daarbij is gebruik gemaakt van een vroegere zakelijke relatie tussen [slachtoffer] en de veroordeelde, waardoor de gelden zonder argwaan in de boekhouding van de veroordeelde konden worden verstopt. Door zo te handelen zijn de gelden niet bij [andere veroordeelde] terug te vinden en is het voor de veroordeelde mogelijk om de gelden te gebruiken als ware het gelden met een legale herkomst. Uit het daadwerkelijk gebruik van de witgewassen gelden door de veroordeelde, bestaande uit het aangaan van economische transacties, volgt dat de witgewassen gelden voor de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 36e Sr vormen. In deze is geen aanleiding te komen tot een andere toerekening van het voordeel dan tot toerekening van de totale gelden afkomstig van [slachtoffer] aan de veroordeelde nu deze in feitelijke zin over de gelden heeft beschikt en heeft kunnen beschikken en dat ook daadwerkelijk naar eigen inzicht heeft gedaan. Vastgesteld is dat de veroordeelde de afpersingsgelden samen met een ander persoonlijk, en dus niet als feitelijk leidinggever van de betrokken rechtspersonen, heeft verworven en voorhanden gehad.

1.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een deel van de afpersingsgelden, te weten € 2.433.095,38, buiten beschouwing moet worden gelaten nu dit bedrag in de vennootschapsstructuur van de veroordeelde is gebleven dan wel rechtstreeks van die vennootschapsstructuur naar derden is overgemaakt. De verdediging is voorts van mening dat het vermogen van de veroordeelde door het ontvangen van de gelden op de bankrekeningen van hem en/of zijn bedrijven niet is toegenomen nu de veroordeelde deze gelden diende te bewaren voor [andere veroordeelde] . Tegenover de inkomsten ten gevolge van de door [slachtoffer] overgemaakte gelden staat dan dus een vordering van [andere veroordeelde] voor een totaalbedrag van € 17.068.165,75, die juridisch mogelijk niet (meer) afdwingbaar is, maar die [andere veroordeelde] al dan niet onder dwang op enig moment zal opeisen. Gelet hierop dient het voordeel uit witwassen van gelden afkomstig van [slachtoffer] op nihil te worden gesteld.

1.3.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt allereerst dat op grond van het arrest in de strafzaak tegen de veroordeelde onherroepelijk is komen vast te staan dat [slachtoffer] door [andere veroordeelde] is afgeperst tot betaling aan (bedrijven van) de veroordeelde van in totaal € 17.068.165,75. Dit bedrag is in tien deelbetalingen overgemaakt naar een bankrekening van de veroordeelde respectievelijk naar een bankrekening van [B N.V.] en naar een bankrekening van [X Ltd.] Bewezen is verklaard dat de veroordeelde samen met een ander ( [andere veroordeelde] ) zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van voornoemd bedrag.

Het hof stelt vervolgens vast op grond van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (gedateerd 14 mei 2012 en hierna aangeduid als: de ontnemingsrapportage) dat:

- op 30 december 2002 een bedrag van € 3.176.461,50, op 10 januari 2003 een bedrag van € 1.361.340,60 en op 2 april 2003 een bedrag van € 900.000,00 is ontvangen op een bankrekening van [B N.V.] Genoemde bedragen zijn binnen zeer korte tijd overgeboekt naar een coderekening bij de UBS-Bank in Zwitserland (Zürich) (de zogenaamde [naam rekening] ), zijnde een privérekening van de veroordeelde;

- op 1 maart 2003 een bedrag van € 3.400.000,00, op 23 april 2003 een bedrag van € 450.000,00, op 28 mei 2003 een bedrag van € 1.499.990,28 en op 21 juli 2003 een bedrag van € 400.000,00 is ontvangen op bovengenoemde bankrekening van [B N.V.] ;

-

op 14 maart 2003 een bedrag van € 1.500.000,00 en op 26 juni 2003 een bedrag van € 2.800.000,00 is ontvangen op de [naam rekening] ;

-

op 7 januari 2004 een bedrag van € 1.580.373,37 is ontvangen op de bankrekening van [X Ltd.] , waarvan uiteindelijk een bedrag van € 1.500.000,00 is overgemaakt naar een ABN-AMRO rekening, zijnde een privérekening van de veroordeelde.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde bedragen overweegt het hof als volgt.

Met de rechtstreeks naar de eerder genoemde [naam rekening] van de veroordeelde bij de UBS-Bank in Zwitserland overgemaakte bedragen (€ 1.500.000 en € 2.800.000) is het vermogen van de veroordeelde toegenomen. Dit geldt ook voor de op rekening van [B N.V.] overgemaakte bedragen

(€ 3.176.461,50, € 1.361.340,60 en € 900.000,00) die binnen zeer korte tijd naar de genoemde [naam rekening] zijn overgemaakt. Eveneens heeft dit te gelden voor nagenoeg het gehele op rekening van [X Ltd.] overgemaakte bedrag (€ 1.580.373,37).

Voor de overige op rekening van [B N.V.] overgemaakte bedragen (€ 3.400.000,00,

€ 450.000,00, € 1.499.990,28 en € 400.000,00) heeft het volgende te gelden. Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde (ultimate) beneficial owner en (direct of indirect) aandeelhouder is geweest van de onderneming [B N.V.] en kennelijk de beschikkingsbevoegdheid over de betreffende rekening heeft gehad. Het vermogen van de veroordeelde is dan ook met genoemde bedragen toegenomen.

Voor het op rekening van [X Ltd.] resterende bedrag van € 80.373,37 heeft het volgende te gelden. Ook dit bedrag kan aan de veroordeelde als voordeel worden toegerekend. Uit het dossier blijkt immers dat de veroordeelde (ultimate) beneficial owner en (direct of indirect) aandeelhouder is geweest van [X Ltd.] en hij kennelijk de beschikkingsbevoegdheid over deze rekening heeft gehad. Het vermogen van de veroordeelde is dan ook daadwerkelijk met genoemd bedrag toegenomen.

Het hof is van oordeel dat op grond van het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat het hiervoor genoemde voordeel door de veroordeelde wederrechtelijk is verkregen uit een ander strafbaar feit dan waarvoor hij is veroordeeld, zoals bedoeld in artikel 36e, derde lid Sr (oud). In het derde lid van artikel 36e Sr (oud) was namelijk bepaald dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook (sinds de wetswijziging vanaf 1 september 2003: dat feit of) andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met betrekking tot artikel 36e, derde lid Sr (oud) niet is vereist dat de strafbare feiten die tot voordeelsverkrijging hebben geleid, door de verdachte - als strafbare dader of deelnemer - zijn begaan. De rechter behoeft niet vast te stellen dat de betrokkenheid van de veroordeelde voor alle feiten valt in de termen van daderschap of deelneming. Daarop aansluitend wordt ook niet vereist dat het voordeel door middel van of uit de baten van (door hem begane) feiten is verkregen, maar slechts dat strafbare feiten op enigerlei wijze hebben geleid tot de verkrijging van voordeel door de veroordeelde. Bij het derde lid is slechts de aannemelijkheid van het verband tussen strafbare feiten en voordeel van belang, terwijl de vraag hoe het voordeel uit de verschillende feiten de veroordeelde nu precies is ten deel gevallen, buiten beschouwing kan blijven (Kamerstukken I 1992-1993, 21 504 en 22 083, nummer 53a, pagina 5).

Aan de voorwaarden van artikel 36e, derde lid Sr (oud) is in deze zaak voldaan. De veroordeelde is in de onderliggende strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Daarnaast is tegen de veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld.

Vaststaat dat de door [slachtoffer] op de privérekening van de veroordeelde dan wel op de aan de veroordeelde toe te rekenen bankrekeningen van [B N.V.] en [X Ltd.] overgemaakte bedragen afkomstig zijn uit diens afpersing door [andere veroordeelde] . Deze afpersing kan worden aangemerkt als het andere strafbare feit dat op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gekregen.

Weliswaar heeft het hof in de onderliggende strafzaak overwogen dat [andere veroordeelde] de door [slachtoffer] betaalde geldbedragen ten behoeve van zichzelf heeft afgedwongen, maar dat kan in dit geval niet tot de conclusie leiden dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uitgangspunt is dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het voordeel wordt uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Daarbij is bepalend dat de betrokkene het voordeel op enig moment daadwerkelijk heeft verkregen. Dat is in deze zaak het geval. [andere veroordeelde] heeft [slachtoffer] afgeperst, maar de tien betalingen van in totaal een bedrag van € 17.068.165,75 afkomstig van [slachtoffer] , zijn binnengekomen op de coderekening van de veroordeelde bij de UBS Bank in Zwitserland (de zogenaamde [naam rekening] ) of de aan hem te liëren bankrekeningen op naam van [B N.V.] en [X Ltd.] Uit niets is gebleken dat bedrijven gelieerd aan de veroordeelde of de veroordeelde zelf op enig moment betalingen hebben verricht aan [andere veroordeelde] . Daarbij komt dat de veroordeelde deze geldbedragen vervolgens zonder gepretendeerde of aantoonbare ruggespraak heeft doorgeboekt naar andere rekeningen en zelf heeft bepaald wat er met de gelden gebeurde, zoals het aflossen van een lening, het aflossen van een schuld en het verstrekken van leningen.1 Uit deze handelingen leidt het hof af dat de veroordeelde feitelijk kon beschikken en heeft beschikt over deze gelden. Noch uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de veroordeelde daartoe de opdracht heeft gekregen van een ander. De veroordeelde heeft de volledige en autonome zeggenschap gehad over de gelden en kon zelf bepalen waartoe hij deze aanwendde.

Uit de bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen van gelden die verkregen zijn door middel van afpersing door [andere veroordeelde] en de omstandigheid dat het hof in de strafzaak heeft geconcludeerd dat [andere veroordeelde] de geldbedragen ten behoeve van zichzelf heeft afgedwongen, kan weliswaar worden afgeleid dat het uiteindelijk - na het witwastraject doorlopen te hebben - de bedoeling was dat de gelden in enigerlei vorm geheel of gedeeltelijk bij [andere veroordeelde] zouden terechtkomen, maar zover is het nooit gekomen en van enige instructie daartoe is niet gebleken. Ook is niet gebleken van enige vordering van [andere veroordeelde] op de veroordeelde waarmee het hof thans rekening dient te houden.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde met betrekking tot de van [slachtoffer] afgeperste geldbedragen heeft verkregen wordt door het hof geschat op een bedrag van € 17.068.165,752.

2 Vervolgprofijt algemeen

2.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet op de periode van april 2000 tot en met 14 juni 2004. Door het onderzoek naar het vervolgprofijt op te rekken tot uiterlijk 1 oktober 2012 is de opsteller van de ontnemingsrapportage buiten de grenzen van de opgedragen onderzoeksperiode getreden. Reeds op die grond dient het vervolgprofijt verder buiten beschouwing te worden gelaten.

2.1

Standpunt van het openbaar ministerie

De verdediging ziet over het hoofd dat in de ontnemingsrapportage het volgende is vermeld: “De onderzoeksperiode van het strafrechtelijk financieel onderzoek betreft de periode van mei 1998 tot en met heden.” Bovendien staat de aanduiding van het primaire doel van het onderzoek los van de uiteindelijke bevindingen van een onderzoek en een daarop gebaseerde ontnemingsvordering van het openbaar ministerie.

2.3

Oordeel van het hof

Wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit voordeel dat is verkregen uit strafbare gedragingen en met dat voordeel verkregen vervolgprofijt. Tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden derhalve ook de vruchten verkregen uit dat voordeel gerekend, dus ook al hetgeen dat wordt verkregen met of uit het primaire voordeel.

De verkrijging van vervolgprofijt loopt in beginsel door tot de datum waarop een finale afrekening plaatsvindt. Uit de ontnemingsrapportage volgt dat het vervolgprofijt uit storting op privérekening is berekend tot en met juni 2010, uit het verstrekken van leningen tot en met 1 oktober 2012 en uit het aflossen van leningen tot en met 1 januari 2010. Deze berekeningen zijn in het voordeel van de veroordeelde nu een verdere berekening van het vervolgprofijt (in een aanvullende financiële rapportage) achterwege is gebleven en tot op heden geen afrekening heeft plaatsgevonden. Het hof gaat derhalve voorbij aan het verweer van de verdediging.

3 Vervolgprofijt uit storting op privérekening

3.1.

Standpunt van het openbaar ministerie

Uit het dossier blijkt dat op 3 maart 2003 van de afpersingsgelden een bedrag van € 3.000.000,00 is overgeboekt naar een privérekening van de veroordeelde bij de Deutsche Bank.3 De schuld van de veroordeelde bij deze bank is daardoor verminderd en dat heeft geleid tot een besparing van rentekosten. Het voordeel dat de veroordeelde door deze besparing van rentekosten wederrechtelijk heeft verkregen wordt, overeenkomstig de hiervoor genoemde ontnemingsrapportage, geschat op:

€ 991.660,21 + € 27.990,00 = € 1.019.650,214.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De door het openbaar ministerie berekende kostenbesparing is volstrekt willekeurig vastgesteld nu ervan uit wordt gegaan dat de kredietfaciliteit van de veroordeelde bij de betreffende bank nimmer zou zijn verminderd in het geval de veroordeelde geen geld zou hebben ontvangen van [slachtoffer] . Aanzuivering van de betreffende kredietfaciliteit had, in het geval de veroordeelde geen geld van [slachtoffer] had ontvangen en door geboekt, zeer waarschijnlijk alsnog plaatsgevonden door middel van de ter beschikking komende middelen uit een herfinanciering waarover de veroordeelde op 31 juli 2002 met de Deutsche Bank afspraken heeft gemaakt. Het vervolgprofijt en het doorlopend vervolgprofijt uit storting op de privérekening van de veroordeelde bij de Deutsche Bank moet dan ook worden vastgesteld op nihil.

3.3.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde door aflossing van een deel van een grotere schuld op een privérekening van hem bij de Deutsche Bank met gelden direct afkomstig uit de van [slachtoffer] afgeperste geldbedragen die op rekeningen van de veroordeelde zijn ontvangen, rentekosten heeft bespaard zoals berekend in de meergenoemde ontnemingsrapportage. De schuld van de veroordeelde bij deze bank is daardoor verminderd en dat heeft geleid tot een daadwerkelijke besparing aan rentekosten. Het voordeel dat de veroordeelde door deze besparing aan rentekosten wederrechtelijk heeft verkregen wordt, overeenkomstig de hiervoor genoemde ontnemingsrapportage, geschat op:

€ 991.660,21 + € 27.990,00 = € 1.019.650,215.

Het hof stelt vast dat de door de verdediging genoemde aanzuivering niet anders heeft plaatsgevonden dan door aanwending van een door de veroordeelde uit de afpersing van [slachtoffer] ontvangen geldbedrag. Die aanzuivering heeft een vervolgprofijt gegenereerd zoals hiervoor genoemd. Voor een nihilstelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit vervolgprofijt, zoals door de verdediging bepleit, ziet het hof dan ook geen aanleiding. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

4 Vervolgprofijt uit verstrekken leningen

5 Vervolgprofijt uit aflossen lening

6 Voordeel uit “heling”

7 Conclusie