Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-10-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7487, 1500067

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-10-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7487, 1500067

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2015
Datum publicatie
16 oktober 2015
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2015:7487
Zaaknummer
1500067

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vertrouwensbeginsel. Ouderschapsverlofkorting.

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00067

uitspraakdatum: 6 oktober 2015

Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 december 2014, nummer AWB 14/3800, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.712. Voorts is bij beschikking € 46 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 11 december 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tot het huishouden van belanghebbende behoorden in 2011 drie kinderen, van wie de jongste is geboren [in] 2002.

2.2

Belanghebbende heeft bij zijn werkgever verlof opgenomen – door belanghebbende en zijn werkgever bestempeld als ouderschapsverlof – van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012, voor vier uur per week.

2.3

Belanghebbende heeft over het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan en hierin onder meer 208 uren ouderschapsverlof vermeld.

2.4

De toelichting bij het aangiftebiljet bevat de volgende tekst:

Bij vraag 34b en 34c

Nam u in 2011 ouderschapsverlof op? Dan kunt u ouderschapsverlofkorting krijgen. Voorwaarde is dat u een ouderschapsverlofverklaring van uw werkgever hebt.

De ouderschapsverlofkorting is het aantal uur ouderschapsverlof dat u hebt opgenomen in 2011 vermenigvuldigd met € 4,11. Het bedrag van de ouderschapsverlofkorting is maximaal uw belastbaar loon in 2010 min uw belastbaar loon in 2011.

Is het ouderschapsverlof begonnen vóór 2011? Dan mag u de maximale ouderschapsverlofkorting bepalen door uw belastbaar loon in 2011 af te trekken van uw belastbaar loon voorafgaand aan het

jaar waarin uw ouderschapverlof begon. Is uw ouderschapsverlof bijvoorbeeld in 2010 ingegaan? Dan is uw maximale ouderschapsverlofkorting uw belastbaar loon in 2009 min uw belastbaar loon in 2011.

Let op!

Bewaar de ouderschapsverlofverklaring van uw werkgever, want wij kunnen erom vragen.”

2.5

De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de gevraagde ouderschapsverlofkorting niet verleend omdat belanghebbende in 2011 geen kind had dat jonger is dan acht jaar.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende recht heeft op de ouderschapsverlofkorting. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.

3.2

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en, naar het Hof begrijpt, vaststelling van de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte. Voorts zijn er naar zijn mening termen aanwezig voor toekenning van een vergoeding van door hem geleden immateriële schade van € 200.

3.5

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing