Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-03-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2286, 15/00292

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-03-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2286, 15/00292

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22 maart 2016
Datum publicatie
1 april 2016
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2016:2286
Formele relaties
Zaaknummer
15/00292

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Tbs-regeling. Toekomstige betaling uit borgtocht. Vorming voorziening toegestaan?

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00292

uitspraakdatum: 22 maart 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2015, nummer AWB 14/4062, in het geding tussen de Inspecteur en belanghebbende

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.383 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.127. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 19.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 24 februari 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.707 alsmede een verhoging van het bij beschikking vastgestelde verlies uit werk en woning (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking) van nihil tot € 12.197.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep van belanghebbende beantwoord.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C] en mr. [D] .

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in 2000 de aandelen in Bouwbedrijf [E] bv overgenomen van zijn vader. In 2004 is bij een herstructurering de naam van deze vennootschap gewijzigd in [F] bv. Deze bv heeft in mei 2004 vier dochtermaatschappijen opgericht: [G] bv, [H] bv, [I] bv en [J] bv. Het Hof zal voornoemde vennootschappen hierna afzonderlijk dan wel gezamenlijk aanduiden als Beheer bv.

2.2

Voor de herstructurering van Beheer bv in 2004 was een nieuwe financiering noodzakelijk. De [a-bank] vond dat Beheer bv een te ambitieus groeiplan voor ogen had, waar zij als buurtbank niet in wilde meegaan. De [b-bank] (hierna: de [b-bank] ) is wel bereid gevonden in 2005 leningen aan Beheer bv te verstrekken tot een bedrag van € 1.122.500 voor diverse aankopen van onroerend goed en de overname van financiering elders. Daarvoor hebben Beheer bv en belanghebbende de volgende zekerheden verstrekt:

– diverse (eerste) hypotheken tot een bedrag van € 1.200.000;

– verpanding voorraden, inventaris en transportmiddelen;

– verpanding van de vorderingen op derden;

– verpanding van huurpenningen;

– hoofdelijke medeschuldverbintenis voor de financieringen aan [J] bv en [F] bv;

– een borgstelling van € 276.000 op grond van het Besluit Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf door de Staat der Nederlanden en

– een voorwaardelijke borgstelling indien het geconsolideerde garantievermogen van de vennootschappen op enig tijdstip minder dan 35% bedraagt van het geconsolideerde balanstotaal van de vennootschappen.

2.3

Belanghebbende heeft zich op 28 september 2005 jegens de [b-bank] als borg verbonden maximaal € 150.000 te betalen voor hetgeen de [b-bank] te vorderen heeft van Beheer bv.

2.4

Belanghebbende heeft op 28 september 2005 met Beheer bv een borgstellingsovereenkomst gesloten. Als vergoeding voor het borgstellen voor een bedrag van € 150.000 ten behoeve van de [b-bank] ontvangt belanghebbende € 1.000 per loonperiode van vier weken. Beheer bv heeft de vergoeding aan belanghebbende uitbetaald door het loon met € 1.000 te verhogen.

2.5

In 2007 heeft de [c-bank] een rekening-courantkrediet van maximaal € 195.000 aan Beheer bv verstrekt.

2.6

In oktober 2007 heeft belanghebbende namens Beheer bv een nieuwe financieringsaanvraag bij de [b-bank] ingediend. Hierover heeft de [b-bank] het volgende geschreven:

“Gezien [belanghebbendes] positie zakelijk en de ruimte die er privé nog in de zekerheden zit, is het voorstel om € 200.000,- in privé te financieren dat moet worden doorgestort naar [belanghebbendes] bedrijf, danwel als kapitaalstorting, danwel als achtergestelde lening voor zowel de aflossingen als de rentebetalingen.”

2.7

Belanghebbende heeft zich op 1 juli 2008 jegens de [b-bank] als borg verbonden maximaal € 150.000 te betalen voor hetgeen de [b-bank] te vorderen heeft van Beheer bv.

2.8

Belanghebbende heeft op 29 augustus 2008 met Beheer bv een borgstellingsovereenkomst gesloten. Als vergoeding voor het borgstellen voor een bedrag van € 150.000 ten behoeve van de [b-bank] ontvangt belanghebbende € 1.000 per loonperiode van vier weken. Beheer bv heeft de vergoeding aan belanghebbende uitbetaald door het loon met € 1.000 te verhogen.

2.9

In 2008 bedroegen de schulden van Beheer bv aan de [b-bank] en de [c-bank] :

1 januari 2008 31 december 2008

[b-bank] 3148.940.202 € 50.142 € 43.746

[b-bank] 3148.902.165 - 115.000

[b-bank] 3148.902.564 - 177.500 - 177.500

[b-bank] 3148.939.638 - 235.750 - 212.746

[b-bank] 3748.00.081 - 356.447 - 387.153

[c-bank] - 147.659 - 176.784

Totaal € 967.498 € 1.112.929

2.10

Het resultaat en vermogen van Beheer bv volgens de jaarrekening (2002 t/m 2004, 2007, 2008) en de aangiften vennootschapsbelasting (2005 en 2006) luiden als volgt:

winst vermogen

2002 € 62.655 € 72.800

2003 € 76.256 € 149.057

2004 € 55.474 negatief € 93.583

2005 € 129.212 negatief € 38.444 negatief

2006 € 69.580 € 30.321

2007 € 779.424 negatief € 609.537 negatief

2008 € 252.250 € 270.320 negatief

2.11

De [b-bank] heeft belanghebbende nadien aangesproken als borg. In 2013 heeft belanghebbende met de [b-bank] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij belanghebbende ter finale afwikkeling van de borgstellingen een bedrag van € 200.000 aan de [b-bank] heeft voldaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende terecht een voorziening heeft gevormd ter zake van een toekomstige betaling uit hoofde van een borgtocht van € 300.000. Indien een voorziening tot dat bedrag gevormd kan worden is voorts in geschil hoe dit bedrag over elk van de borgstellingen verdeeld moet worden.

3.2

De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat geen voorziening gevormd mag worden, omdat de borgstellingen moeten worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig. Zo er al een voorziening voor één van de borgstellingen gevormd mag worden, verdedigt de Inspecteur het standpunt dat de voorziening pondspondsgewijs over de beide borgstellingen verdeeld moet worden.

3.3

Belanghebbende is van mening dat hij de voorzieningen terecht en tot het juiste bedrag heeft gevormd. Als slechts voor één van de borgstellingen een voorziening gevormd mag worden, stelt belanghebbende dat de voorziening ter zake van de borgstelling in 2005 € 150.000 bedraagt en ter zake van de borgstelling in 2008 € 50.000.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt verder aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.

3.6

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning tot nihil en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 6.707 en verhoging van de verliesvaststellingsbeschikking tot € 125.617.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing