Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10121, Wahv 200.259.444/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10121, Wahv 200.259.444/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26 november 2019
Datum publicatie
5 december 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:10121
Zaaknummer
Wahv 200.259.444/01

Inhoudsindicatie

Officiersappel. Tijdsverloop is geen omstandigheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wahv en leidt niet tot matiging van het sanctiebedrag. Zodanig tijdsverloop dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting, leidt bij sancties hoger dan €1000,- in beginsel tot matiging. Daarvan is hier geen sprake.

Uitspraak

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.259.444/01

CJIB-nummer

: 212112055

Uitspraak d.d.

: 26 november 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2019, betreffende

wonende te [A] .

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 360,-.

Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 25 september 2017 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene tegen de inleidende beschikking beroep heeft ingesteld bij de officier van justitie. Bij beslissing van 22 januari 2018 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Dit beroep is door de kantonrechter behandeld op de openbare zitting van 27 augustus 2018. Uiteindelijk heeft de kantonrechter, blijkens het proces-verbaal, op 1 april 2019 op het beroep beslist. De kantonrechter heeft -gelet op het tijdsverloop tussen de zitting en het opmaken van het proces-verbaal- het bedrag van de sanctie gematigd tot € 360,-.

3. De officier van justitie kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter. Hij voert daartoe aan dat de kantonrechter op 27 augustus 2018 direct mondeling uitspraak heeft gedaan. De kantonrechter heeft het beroep destijds ongegrond verklaard en is toen niet overgegaan tot matiging van het bedrag van de sanctie. Met verwijzing naar het arrest van dit hof van 24 mei 2016, WAHV 200.157.231, stelt de officier van justitie dat de kantonrechter zijn beslissing niet mag doen steunen op jurisprudentie die na de behandeling ter zitting kenbaar is geworden. De officier van justitie meent dat voornoemd arrest in deze zaak analoog dient te worden toegepast. Gelet op het voorgaande stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden vernietigd.

4. Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, blijkt uit de in het dossier bevindende stukken niet dat de kantonrechter op 27 augustus 2018 direct (mondeling) uitspraak heeft gedaan. In het proces-verbaal is opgenomen dat het onderzoek ter zitting is gesloten. Verder blijkt daaruit dat de kantonrechter op 1 april 2019 uitspraak heeft gedaan.

5. Dit neemt niet weg dat de beslissing van de kantonrechter -gelet op het navolgende- niet in stand kan blijven.

6. Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv luidt als volgt:

''Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen.''

7. De wetgever heeft de omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid tot matiging van de sanctie willen beperken tot uitzonderlijke omstandigheden die in de persoonlijke sfeer van de betrokkene liggen, en die, indien aannemelijk geworden, de verwijtbaarheid van de gedraging weliswaar niet opheffen, doch wel in zekere mate kunnen verminderen. Verder is in de jurisprudentie aanvaard dat de financiële omstandigheden waarin de betrokkene verkeert onder omstandigheden kunnen meebrengen dat het sanctiebedrag moet worden verlaagd.

8. De door de kantonrechter toegepaste matiging is gebaseerd op het tijdsverloop dat is verstreken tussen de zitting en het opmaken van het proces-verbaal. Dit tijdsverloop is niet een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wahv en derhalve kan het bedrag van de sanctie niet op die grond worden gematigd. Indien echter sprake zou zijn van een dusdanig tijdsverloop dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting, als genoemd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan dient een bestraffende sanctie hoger dan € 1.000,- in beginsel te worden gematigd (vgl. ECLI:GHARL:2017:1777). Van schending van de redelijke termijn van berechting is sprake wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Van het een noch het ander is hier sprake.

9. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie op onjuiste gronden heeft gematigd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.