Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1214, 21-004911-20
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1214, 21-004911-20
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 februari 2022
- Datum publicatie
- 16 februari 2022
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:1214
- Zaaknummer
- 21-004911-20
Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens het opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens artikel 19 van de Wet op de economische delicten gedaan door een opsporingsambtenaar. Geslaagd beroep op het nemo tenetur-beginsel. Het hof is van oordeel dat sprake is van een schending met het uit het eerste lid van artikel 6 van het EVRM voortvloeiende nemo tenetur-beginsel, nu verdachte tegen zijn wil, zelf onder dwang de gevorderde gegevens – die eventueel later als bewijs gebruikt kunnen worden – moest aanleveren aan de politie die hem in het kader van een overtreding op grond van de Wet milieubeheer in het vizier had. Het hof is dan ook van oordeel dat in dit specifieke geval toepassing van artikel 19, 26 en 1 onder ten vijfde van de Wet op de economische delicten in strijd met artikel 6 van het EVRM is. Derhalve zal het hof artikel 19 van de Wet op de economische delicten overeenkomstig artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing laten.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004911-20
Uitspraak d.d.: 16 februari 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 11 december 2020 met parketnummer 81-208386-19 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 februari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S. Arts, naar voren is gebracht.