Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1278, 20/00686 en 20/00687

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1278, 20/00686 en 20/00687

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22 februari 2022
Datum publicatie
4 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:1278
Zaaknummer
20/00686 en 20/00687

Inhoudsindicatie

OZB. Zorgcomplex. Dient de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning?

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers 20/00686 en 20/00687

uitspraakdatum: 22 februari 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Smallingerland (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2020, nummers LEE 18/198 en 18/199, in het geding tussen de heffingsambtenaar en

Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres1] ( [belanghebbende] gehele complex), gelegen in de wijk [de wijk] te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2016 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2017 vastgesteld op € 22.672.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts voor het belastingjaar 2017 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaar (hierna: OZB-eigenaar) opgelegd van € 73.230, alsmede een aanslag OZB opgelegd als gebruiker (hierna: OZB-gebruiker) van € 20.423.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde alsmede de opgelegde aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). Belanghebbende heeft vervolgens het beroep tegen de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde waardebeschikking ingetrokken. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 april 2020 het beroep gericht tegen de aanslag OZB-eigenaar gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag OZB-eigenaar verminderd tot € 33.985, het beroep gericht tegen de aanslag OZB-gebruiker gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag OZB-gebruiker vernietigd en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] , als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam3] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is een stichting die volgens haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel tot doel heeft om hulp te verlenen, in het bijzonder op het terrein van zorg- en dienstverlening, aan mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap en alle daarmee samenhangende vormen van hulpverlening.

2.2

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een zorgcomplex bestaande uit een samenstel van ongeveer 34 opstallen met bijbehorende gronden die alle zijn gelegen in de wijk [de wijk] te [plaats1] . In deze wijk is sprake van zogeheten omgekeerde integratie, hetgeen inhoudt dat in de wijk waar het zorgcomplex van belanghebbende is gelegen ook reguliere woningen zijn gebouwd. Dit heeft tot doel om mensen met een verstandelijke beperking te laten integreren in de maatschappij door mensen met en zonder een beperking te laten samenleven. Het zorgcomplex bestaat onder meer uit een zwembad, multifunctioneel centrum, hoofdgebouw, restaurant, gebouw voor dagbesteding, kwekerij met tuincentrum en theetuin, kantoren, en woningen waarin mensen met een beperking begeleid kunnen wonen.

2.3

De heffingsambtenaar heeft voor het kalenderjaar 2017, waardepeildatum 1 januari 2016, de WOZ-waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 22.672.000. Belanghebbende heeft in eerste aanleg het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde ingetrokken.

2.4

Met dagtekening van 28 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar een aanslag OZB-eigenaar niet-woning aan belanghebbende opgelegd van € 73.230 alsmede een aanslag OZB-gebruiker niet-woning opgelegd ten bedrage van € 20.423. Bij deze gebruikersaanslag heeft de heffingsambtenaar rekening gehouden met een woondelenvrijstelling van € 14.768.000 en dus een heffingsmaatstaf gehanteerd van € 7.904.000.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de bestreden aanslag OZB-gebruiker terecht is opgelegd en of de bestreden aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2

De heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennenend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing