Gerechtshof Den Haag, 19-02-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:402, 22-004228-17
Gerechtshof Den Haag, 19-02-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:402, 22-004228-17
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 februari 2018
- Datum publicatie
- 2 maart 2018
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2018:402
- Formele relaties
- Herziening: ECLI:NL:HR:2020:32
- Zaaknummer
- 22-004228-17
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne op straat. Daarnaast heeft de verdachte ongeveer twee maanden daarvoor bijna zes gram cocaïne voorhanden gehad.
Het hof legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.
Uitspraak
Rolnummers: 22-004228-17 en 22-002631-17 (gevoegd ter
terechtzitting)
Parketnummers: 10-741264-17 en 10-063692-17
Datum uitspraak: 19 februari 2018
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2017 en tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1962,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Hoogvliet Stadsgevangenis R'dam te Hoogvliet Rotterdam.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 februari 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte in de zaak met parketnummer 10-741264-17 ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde veroordeeld tot plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.
In eerste aanleg is de verdachte in de zaak met parketnummer 10-063692-17 ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomen voorwerp als nader in het vonnis vermeld.
Namens de verdachte is tegen de vonnissen hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft de voeging bevolen van hetgeen onder de beide genoemde parketnummer is ten laste gelegd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met de parketnummers 10-741264-17 en 10-063692-17, met inachtneming van de wijziging ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft de feiten van een doorlopende nummering voorzien. Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden. Het ten laste gelegde houdt in dat:
1:
hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Rotterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2:
hij op of omstreeks 3 april 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, impliciet primair, en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren, met een tussentijdse beoordeling na twaalf maanden.
De vonnissen waarvan beroep
De vonnissen waarvan beroep kunnen niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt, nu het hof als gevolg van de voeging van de zaken tot één strafoplegging komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, impliciet primair, en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Rotterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2:
hij op of omstreeks 3 april 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1, impliciet primair, en 2 bewezen verklaarde levert op:
1, impliciet primair: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 30 mei 2017 schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne op straat. Daarnaast heeft de verdachte ongeveer twee maanden daarvoor bijna zes gram cocaïne voorhanden gehad.
Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.
Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Rapportages
Het Leger des Heils, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 september 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte leidt een bestaan dat wordt gekenmerkt door dakloosheid, werkloosheid, verslaving aan cocaïne en marihuana, financiële problemen, overlast en verblijven in gevangenissen. De verdachte staat bekend als veelpleger. Er bestaan aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, persoon-lijkheidsproblematiek en psychotische problematiek. De verdachte weigert mee te werken aan de totstandkoming van rapportages door de reclassering of het NIFP. Een observatie in het Pieter Baan Centrum in 2003 en een in 2006 opgelegde ISD-maatregel hebben niet tot enig resultaat geleid door de (weigerachtige) houding van de verdachte. Hij is van mening dat het goed met hem gaat en dat hij geen hulp nodig heeft. Gezien dit alles wordt de kans op recidive hoog geacht.
Gelet op het gebrek aan zelfinzicht, de onwil van de verdachte zich te voegen naar regels, het gebrek aan motivatie en het niet reageren op eerdere bestraffingen, wordt reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling niet haalbaar geacht en wordt geadviseerd, in het belang van de verdachte en de samenleving, om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Ook psychiater A. Banaei Kashani heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 september 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte is tweemaal uitgenodigd voor een gesprek, maar beide keren zonder bericht van verhindering niet verschenen. Uit de beschikbare stukken is duidelijk geworden dat de verdachte zorgmijdend gedrag vertoont en dat het tot op heden niet is gelukt om diagnostisch onderzoek te doen en passende zorg aan hem te bieden. Gezien zijn uitgebreide justitiële voorgeschiedenis en de chroniciteit van zijn gedrag is het opleggen van de ISD-maatregel geïndiceerd. Er zijn geen contra-indicaties.
De conclusies in de rapporten worden gedragen door de bevindingen en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof neemt de conclusies in de rapporten derhalve over.
Het hof overweegt voorts het volgende.
Het hof constateert dat is voldaan aan de formele vereisten die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht stelt om tot oplegging van de ISD-maatregel te kunnen komen.
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het dealen en het voorhanden hebben van harddrugs, voor welke misdrijven op de voet van artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten. Blijkens het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2018 is de verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Deze uitspraken zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het hof niet de overtuiging dat de verdachte op eigen kracht zijn levenswijze zodanig zal weten aan te passen dat zijn recidive zal worden beëindigd en het hof houdt er ernstig rekening mee dat de verdachte, gezien zijn justitiële verleden en genoemde rapportages, opnieuw misdrijven zal plegen.
De verdachte verzet zich tegen oplegging van de ISD-maatregel en wenst hulp te aanvaarden zodra hij uit detentie komt. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de ISD-maatregel niet zinvol is, nu de eerder opgelegde ISD-maatregel geen nut heeft gehad, en de verdachte niet gemotiveerd is voor de maatregel.
De raadsvrouw heeft bepleit een (deels) lange voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van voormeld reclasseringsadvies stelt het hof vast dat de mogelijkheden voor begeleiding van de verdachte en voor het verminderen van het recidiverisico in het kader van een voorwaardelijke veroordeling tekortschieten. De verdachte heeft ter voorkoming van recidive een gedwongen kader nodig met continue begeleiding en bescherming. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de eerder opgelegde toezichten voortijdig negatief werden beëindigd en dat de verdachte na de beëindiging van de eerder opgelegde ISD-maatregel niet in staat is gebleken zijn leven op orde te krijgen.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd en anders dan door de verdachte gewenst, ziet het hof geen aanleiding voor een andere reactie dan het opleggen van een ISD-maatregel. Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade dient het maatschappelijk belang te prevaleren boven de persoonlijke wensen van de verdachte.
Het hof is - gelet op het vorenoverwogene - van oordeel dat oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren passend en geboden is, nu de veiligheid van personen of goederen zulks eist en oplegging van de maatregel zowel tot de beveiliging van de maatschappij strekt als tot de beëindiging van het telkens plegen van strafbare feiten door de verdachte.
De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn persoonlijkheidsproblematiek en andere problematiek. Teneinde te waarborgen dat de mogelijkheden die de maatregel biedt, optimaal worden benut, zal het hof de last tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren geven zonder aftrek van voorarrest.
Het hof zal - eveneens teneinde te waarborgen dat de mogelijkheden die de maatregel biedt, optimaal worden benut - bepalen dat na het verloop van een periode van twaalf maanden tussentijds de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal worden beoordeeld.
Beslag
Ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 137,83 STK Munt,
zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 38m, 38n, 38s en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.