Gerechtshof Den Haag, 15-01-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:48, BK-18/00557
Gerechtshof Den Haag, 15-01-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:48, BK-18/00557
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 januari 2019
- Datum publicatie
- 25 januari 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2019:48
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1336
- Zaaknummer
- BK-18/00557
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft in april 2016 zijn woning gekocht voor een koopsom van € 275.000. De WOZ-waarde 2017 van de woning is vastgesteld op € 271.000, met als waardepeildatum 1 januari 2016. De heffingsambtenaar stelt de waarde modelmatig te hebben bepaald waarbij onder meer de koopsom en de K.O.U.D.V.-factoren van invloed zijn geweest. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat voor de waardebepaling slechts wordt gekeken naar de koopsom en dat dit leidt – nu de buurwoningen wel zijn gewaardeerd door middel van modelmatige waardebepaling – tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-18/00557
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. Bakker)
en
(vertegenwoordiger: W.A. Hoogendam)
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 27 februari 2018, nummer ROT 17/5116.
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2017 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2016 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] (de woning), voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op € 271.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Z] (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 126. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 1 november 2018 is van de zijde van belanghebbende een aanvullend hoger beroepschrift met een aantal stamkaarten als bijlage ontvangen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 november 2018. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning. De woning is een tussenwoninghuis uit bouwjaar 1938. De inhoud van de woning is ongeveer 329 m3, voorzien van een aanbouw, twee dakkapellen en een aangebouwde berging. De oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 182 m2. Belanghebbende heeft de woning op 18 april 2016 gekocht. De koopsom bedroeg € 275.000.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd. Tot het taxatierapport behoort een matrix (de matrix) die onder meer de hieronder opgenomen gegevens van de woning en van enkele, naar de opvatting van de heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare, woningen (de vergelijkingsobjecten) bevat.
[Y] , [Z] (de woning) |
[A] , [Z] |
[B] , [Z] |
|
Inhoud hoofdgebouw |
329 m3 |
302 m3 |
349 m3 |
Rekenprijs per m3 |
€ 617 |
€ 573 |
€ 610 |
Berekende waarde hoofdgebouw |
€ 202.896 |
€ 172.917 |
€ 212.768 |
Oppervlakte perceel |
182 m2 |
123 m2 |
260 m2 |
Rekenprijs per m2 |
€ 228 |
€ 250 |
€ 197 |
Berekende waarde grond |
€ 41.500 |
€ 30.750 |
€ 51.250 |
Rekenprijs bijgebouwen: Berging Dakkapel Aanbouw Garage |
€ 6.800 € 10.300 € 9.504 n.v.t. |
€ 2.042 € 11.718 n.v.t. n.v.t. |
n.v.t. n.v.t. n.v.t. € 13.989 |
WOZ-waarde |
€ 271.000 |
€ 217.500 |
€ 278.000 |
Verkoopdatum |
18-04-2016 |
01-08-2016 |
08-12-2015 |
Verkoopprijs |
€ 275.000 |
€ 217.500 |
€ 278.000 |
Oordeel van de Rechtbank
De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:
“(…)
Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Hoge Raad van 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8945 en van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3885) moet voor de toepassing van de meerderheidsregel de vergelijking worden beperkt tot woningen die identiek zijn, in die zin dat de verschillen naar het oordeel van de feitenrechter verwaarloosbaar zijn.
De heffingsambtenaar] heeft ter zitting verklaard dat voor de waardebepaling van de onroerende zaak en de door [belanghebbende] genoemde objecten wordt uitgegaan van dezelfde basiswaarde en dat er vervolgens correcties worden toegepast in verband met een uitbouw (die bij [C] en [D] abusievelijk niet is meegewaardeerd), een dakkapel, bijgebouwen en/of onderhoud. Dit algemene uitgangspunt heeft [belanghebbende] niet betwist. [Belanghebbende] heeft ook niet betwist dat die verschillen (uitbouw, dakkapel, bijgebouwen of onderhoud) er hier zijn en dat de onroerende zaak luxe is uitgevoerd en bovengemiddeld is qua onderhoud en voorzieningen. De enkele stelling dat die verschillen nog niet het verschil in WOZ-waarde verklaren, heeft [belanghebbende] niet onderbouwd. [Belanghebbende] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een relevante groep van gelijke gevallen en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Nu [belanghebbende] geen argumenten heeft aangevoerd waarom het eigen aankoopcijfer niet juist zou zijn geweest, is [de heffingsambtenaar] terecht uitgegaan van het eigen aankoopcijfer. Daarmee heeft [de heffingsambtenaar] aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
(…)”