Home

Gerechtshof Den Haag, 22-12-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638, BK-21/00207 en BK-21/00225

Gerechtshof Den Haag, 22-12-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638, BK-21/00207 en BK-21/00225

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22 december 2021
Datum publicatie
7 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:2638
Zaaknummer
BK-21/00207 en BK-21/00225

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag Bpm; handelsinkoopwaarde; omvang van de schade ten tijde van het belastbare feit. In welke mate moet rekening worden gehouden met het schadeverleden van de auto?

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/00207 en BK-21/00225

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 februari 2021, nummer SGR 20/2052.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.824. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 338 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag Bpm en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 354.

1.4.

De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als “eiseres” en de

Inspecteur als “verweerder”:

“- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 9.521;

- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.598;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.”

1.5.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 541. De Inspecteur heeft in het hoger beroep van belanghebbende een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft in het hoger beroep van de Inspecteur een verweerschrift ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 oktober 2021. De hoger beroepen van belanghebbende en de Inspecteur zijn aldaar tegelijkertijd behandeld. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 26 januari 2018 aangifte Bpm gedaan voor een Mercedes-Benz S-klasse cabrio (de auto) met als datum van eerste toelating 28 februari 2017. De kilometerstand ten tijde van de aangifte bedroeg 2.483. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd dat is opgemaakt op 25 januari 2018 van een taxatie uitgevoerd op 2 juli 2017. Volgens dat taxatierapport bedraagt de schade aan de auto € 85.016. Belanghebbende heeft dit bedrag voor € 83.750 als schade in aanmerking genomen en de handelsinkoopwaarde van de auto (van € 145.750) in beschadigde staat berekend op € 62.000.

2.2.

De verschuldigde BPM heeft belanghebbende berekend op € 11.984.

2.3.

Op 5 februari 2018 heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) een schouw gehouden. DRZ heeft vastgesteld dat een deel van de schade die vermeld staat in het taxatierapport van belanghebbende reeds was hersteld. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto (van € 146.434 volgens XRAY) in beschadigde staat bepaald op € 134.940. De door DRZ vastgestelde schade bedraagt aldus € 12.559. DRZ heeft de waardevermindering die als gevolg daarvan in aanmerking moet worden genomen bepaald op € 11.494 (afgerond 92%).

2.4.

De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ met datum 11 oktober 2019 een naheffingsaanslag Bpm aan belanghebbende opgelegd. De Inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 23.808 (€ 24.316 minus een extra leeftijdskorting van € 508). Op aangifte is voldaan € 11.984, zodat is nageheven € 11.824. Hierover is een bedrag van € 338 aan belastingrente in rekening gebracht.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Waardevermindering door schade

7. Volgens het taxatierapport van eiseres is sprake van schade aan onder andere de

voorbumper, motorkap, de koplampen, rechter zijkant, linker zijkant, dakframe voor,

achterklep en voorruit. Bij het rapport zijn foto's gevoegd waaruit die schade blijkt. Naar het

oordeel van de rechtbank is die schade zodanig dat sprake is van essentiële gebreken

aangezien met een auto met zulke schade niet mag worden deelgenomen aan het verkeer.

8. Wanneer een auto essentiële gebreken vertoont, voldoet die niet aan de vereisten

voor registratie in het kentekenregister en kan die registratie niet plaatsvinden zolang die

gebreken niet zijn hersteld en de auto is goedgekeurd door de RDW. Ook een binnenlands

voertuig dat dergelijke gebreken vertoont, wordt pas weer toegelaten tot het Nederlandse

wegennet als de essentiële gebreken zijn verholpen en de auto door de RDW is

goedgekeurd. Artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling schrijft voor dat de

afschrijving pas wordt vastgesteld als deze gebreken zijn hersteld. Dit leidt ertoe dat de

juiste vergelijking kan worden gemaakt, te weten met een beschikbare referentieauto

waarmee eveneens gebruik kan worden gemaakt van het Nederlandse wegennet. Voor zover

het om de kosten van het herstel van essentiële gebreken gaat, is het buiten beschouwing

laten daarvan dus niet in strijd met het Unierecht: pas na herstel daarvan is sprake van een

auto in de zin van de wet en kan zich een belastbaar feit voordoen. Het gelijk wat betreft de

omvang van de ten tijde van de aangifte in aanmerking te nemen schade is aan verweerder,

aangezien eiseres de schadetaxatie van DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken.

Waardevermindering wegens schadeverleden

9. Eiseres staat een extra waardevermindering wegens schadeverleden voor van

€ 21.250. Zij beroept zich hierbij onder meer op een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-

Leeuwarden van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:6889). Eiseres heeft

aannemelijk gemaakt dat de auto fors beschadigd was, doch gedeeltelijk is hersteld

voorafgaande aan de aangifte. Dit volgt uit de bij het taxatierapport van eiseres gevoegde

foto's en schadecalculatie en het taxatierapport van DRZ waarin melding wordt gemaakt

van reeds uitgevoerd deelherstel. In een situatie als hier voorligt, waarin sprake is van een

auto van amper een jaar oud, zal een koper in verband met schadeverleden minder willen

betalen dan voor eenzelfde auto zonder schadeverleden. De rechtbank ziet daarom

aanleiding om voor de auto een aftrek wegens een schadeverleden toe te passen. Eiseres

heeft echter de door haar bepleite waardevermindering van € 21.250 niet aannemelijk

gemaakt. De rechtbank stelt daarom gelet op de waarde van de auto en het reeds in

aanmerking genomen schadebedrag van € 12.559, de aanvullende aftrek wegens een

schadeverleden in goede justitie vast op € 5.000.

10. Uitgaande van de handelsinkoopwaarde in het DRZ rapport vóór aftrek van schade

van € 146.434, een waardevermindering in verband met schade van € 11.494 en een

waardevermindering in verband met een schadeverleden van € 5.000, bedraagt de

handelsinkoopwaarde na aftrek van schade € 129.940. De historische nieuwprijs is volgens

het DRZ rapport € 275.044. De afschrijving bedraagt derhalve 52.75%. Het door

belanghebbende verschuldigde Bpm-bedrag bedraagt (47.25% van het historische bruto

Bpm bedrag van € 46.589) € 22.013. Rekening houdende met het door eiseres op aangifte

betaalde bedrag van € 11.984 en de toegepaste extra leeftijdskorting van € 508 dient de

naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 9.521.

Belastingrente

11. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres

heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en

ook overigens is niet gebleken dat de rente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van

de Algemene wet inzake rijksbelastingen of op een te hoog bedrag is berekend. Wel moet de

belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de

naheffingsaanslag.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing