Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-11-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3365, 20/00318

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-11-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3365, 20/00318

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
5 november 2021
Datum publicatie
11 november 2021
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:3365
Formele relaties
Zaaknummer
20/00318

Inhoudsindicatie

Diverse formele punten m.b.t. naheffingsaanslag MRB.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00318

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 maart 2020, nummer BRE 18/3073, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) (hierna: de naheffingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.5.

Naar aanleiding van het door de toenmalige gemachtigde, [A] (hierna: [A] ), in het hoger beroepschrift gebezigde onbetamelijke taalgebruik heeft het hof [A] , [B] (hierna: [B] ) en [C] (hierna: [C] ), bij tussenuitspraak van 30 juli 2020 (hierna: de tussenuitspraak), geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen. Het hof heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Belanghebbende heeft binnen deze termijn geen nieuwe gemachtigde aangewezen.

1.6.

De inspecteur heeft bij verweerschrift gereageerd op het door belanghebbende ingestelde hoger beroep.

1.7.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft geen inhoudelijke reactie ingediend.

1.8.

[gemachtigde] heeft bij brief van 5 oktober 2020 een wrakingsverzoek ingediend dat is gericht tegen T.A. Gladpootjes, A.J. Kromhout en L.B.M. Klein Tank (hierna: het wrakingsverzoek). Dit betreffen de raadsheren die de tussenuitspraak hebben gewezen.

1.9.

De gronden waarop het wrakingsverzoek berust zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2020. Bij brief met dezelfde dagtekening is bovendien een volmacht overgelegd waarin [gemachtigde] als nieuwe gemachtigde van belanghebbende is aangewezen.

1.10.

De wrakingskamer heeft bij uitspraak van 25 november 2020 het wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling genomen zal worden. Het hof heeft vervolgens het onderzoek hervat.

1.11.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof.

1.12.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

1.13.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.14.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Op 1 februari 2017 omstreeks 23:30 uur hebben twee verbalisanten geconstateerd dat een auto van het merk Land Rover met kenteken [kenteken 1] (hierna: het voertuig) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, terwijl kentekenplaten behorende bij het kenteken [kenteken 2] op de originele kentekenplaten waren bevestigd. Het kenteken [kenteken 2] betreft een, zogenoemd, handelaarskenteken dat op naam van belanghebbende staat (hierna: het handelaarskenteken). Het voertuig behoorde op 1 februari 2017 tot de bedrijfsvoorraad van belanghebbende.

2.2.

De verbalisanten hebben de bestuurder van het voertuig, [D] , hierop staande gehouden. De verbalisanten hebben een bekeuring uitgeschreven voor het onrechtmatig gebruik van het handelaarskenteken.

2.3.

Het hierboven omschreven gebruik van het handelaarskenteken is de aanleiding geweest voor het opleggen van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Het voornemen om de naheffingsaanslag en boetebeschikking op te leggen is aangekondigd bij brief van 22 mei 2017 (hierna: de vooraankondiging). In de vooraankondiging is met betrekking tot de mogelijkheid om op dit voornemen te reageren het volgende opgenomen:

“Betaling

U kunt de naheffingsaanslag voldoen door middel van een acceptgirokaart die u, samen met het aanslagbiljet binnenkort wordt toegezonden.

Bezwaar

Tegen deze vooraankondiging kunt u geen bezwaar indienen. Bezwaar is pas mogelijk als u de naheffingsaanslag/boetebeschikking ontvangt.

Als u nog vragen hebt, dan kunt u bellen naar de BelastingTelefoon Auto, telefoonnummer 0800-0749.”

2.4.

Op 30 juni 2017 is de naheffingsaanslag van € 424 aan belanghebbende opgelegd. De naheffingsaanslag heeft betrekking op de periode 2 februari 2016 tot en met 1 februari 2017. Gelijktijdig is aan belanghebbende de boetebeschikking van € 424 opgelegd.

2.5.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.6.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

2.7.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag, gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 318, de inspecteur respectievelijk de minister veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende van € 250 respectievelijk € 750, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 338 en de inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.050.

2.8.

Voor zover in de onderhavige procedure relevant is de berekening van de proceskostenvergoeding gebaseerd op de forfaitaire bedragen zoals die volgen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank heeft een wegingsfactor van 1 gehanteerd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel respectievelijk artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschonden?

2. Is van belanghebbende terecht, en, zo ja, naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

3. Heeft de rechtbank de (proces)kostenvergoeding op het juiste bedrag vastgesteld?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van (wettelijke) rente over het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding?

5. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, passend en geboden?

De inspecteur heeft op de zitting de stelling dat de rechtbank de minister in de helft van de vergoeding van de het griffierecht en de proceskosten had moeten veroordelen, ingetrokken.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de proceskosten.

4 Gronden

5 Beslissing