Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1899, 21/01226

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1899, 21/01226

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15 juni 2022
Datum publicatie
5 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:1899
Formele relaties
Zaaknummer
21/01226

Inhoudsindicatie

Diverse formele klachten. Verzoek om teruggaaf BPM niet-ontvankelijk. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 21/01226

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 september 2021, nummer BRE 19/777 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft een verzoek om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijtuigen (hierna: BPM ) gedaan. De inspecteur heeft het door belanghebbende ingediende verzoek om teruggaaf van BPM niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, J.J.G. Claassens en [inspecteur 2] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 21/01227 en 21/00628 tot en met 21/00656.

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 19 december 2017, ontvangen door de inspecteur op 1 maart 2018 een verzoek om teruggaaf BPM gedaan voor een bedrag van € 3.840 voor een Porsche 997 Turbo, met voertuigidentificatienummer eindigend op [VIN-nummer] , wegens export van deze in Nederland geregistreerde auto. De registratie in Nederland is op 29 juli 2017 beëindigd. Op 6 december 2017 is de auto in Duitsland geregistreerd.

2.2.

De inspecteur heeft beslist dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat het verzoek niet binnen dertien weken is gedaan na de beëindiging van de registratie van de auto. Tevens heeft de inspecteur dit verzoek aangemerkt als een ambtshalve verzoek om teruggaaf en vervolgens afgewezen omdat het verzoek te laat is gedaan en bovendien de registratie in Duitsland na afloop van de dertien weken heeft plaatsgevonden.

2.3.

Belanghebbende heeft op 13 februari 2019 beroep ingesteld. [gemachtigde] trad in de beroepsfase op namens belanghebbende.

2.4.

[gemachtigde] heeft namens belanghebbende op 15 januari 2021 bij de rechtbank een pleitnota ingediend en op 18 januari 2021 nadere stukken. Deze stukken bevatten beledigend en/of grof taalgebruik. Bij brieven van 20 januari 2021 heeft de rechtbank aan [gemachtigde] en belanghebbende medegedeeld dat de rechtbank voornemens is om [gemachtigde] en de vennootschappen waarvan [gemachtigde] (indirect) aandeelhouder is als gemachtigde te weigeren op grond van artikel 8:25, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en hen in de gelegenheid gesteld te reageren op dit voornemen.

2.5.

[gemachtigde] heeft bij brief van 25 januari 2021 op dit voornemen gereageerd. De rechtbank heeft in de inhoud van deze brieven geen aanleiding gezien om van het voornemen tot weigering af te wijken. De rechtbank heeft [gemachtigde] daarom geweigerd om belanghebbende in onderhavige zaak verder te vertegenwoordigen. Aan het voornemen om de vennootschappen waarvan [gemachtigde] (indirect) aandeelhouder is te weigeren als gemachtigde, is geen uitvoering gegeven. Belanghebbende en [gemachtigde] zijn bij brieven van 26 februari 2021 in kennis gesteld van de weigeringsbeslissing.

2.6.

De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na 26 februari 2021 een andere gemachtigde aan te wijzen. Belanghebbende heeft [A] werkzaam bij [B BV] en [C] als nieuwe gemachtigden aangewezen.

2.7.

Tijdens de zitting van de rechtbank op 17 juni 2021 heeft belanghebbende de behandelend rechter van de rechtbank gewraakt. Bij beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank van 1 juli 2021 is het wrakingsverzoek afgewezen.

2.8.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, zich onbevoegd verklaard om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding op grond van artikel 28c van de Invorderingswet, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 346; de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.154, de inspecteur en de minister veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 37,50 elk, gelast dat de inspecteur en de minister elk de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 174 aan haar vergoedt en beslist dat, voor zover de immateriële schadevergoeding, de in beroep toegekende proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak door de rechtbank is gedaan. De rechtbank heeft de weigeringsbeslissing, zoals kenbaar gemaakt bij brieven van 26 februari 2021, in de uitspraak gelast en nader gemotiveerd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de beslissing van de rechtbank om [gemachtigde] als gemachtigde te weigeren strijdig met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)?

II. Is het verzoek tot teruggaaf van BPM ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?

III. Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie)?

IV. Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag vastgesteld?

V. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?

VI. Dient op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die in de hoofdzaak heeft beslist?

3.2.

Belanghebbende concludeert - naar het hof begrijpt - tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van € 3.840 aan BPM.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing