Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-11-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3642, 22/1715

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-11-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3642, 22/1715

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 november 2024
Datum publicatie
6 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:3642
Formele relaties
Zaaknummer
22/1715

Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een BV, heeft naar het oordeel van het hof in 2016 op onzakelijke gronden een vordering op de kinderen van de aandeelhouders (echtgenoten) afgewaardeerd. De winst is derhalve door de inspecteur terecht gecorrigeerd met het bedrag van de afwaardering van deze vorderingen. Ook heeft het hof geoordeeld dat een in 2005 gevormde herinvesteringsreserve waarvoor een herinvesteringsvoornemen ontbrak, in 2016 (zijnde het oudste openstaande jaar) op grond van de foutenleer door de inspecteur, terecht aan de winst is toegevoegd. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair playbeginsel en het vertrouwensbeginsel is volgens het hof geen sprake. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 22/1715

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 september 2022, nummer BRE 20/4747 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2016 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft belanghebbende een nader stuk ingediend dat aan de inspecteur is doorgezonden.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, [persoon] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummer 22/1790 en 22/1791.

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

[de man] is gehuwd met [de vrouw] . Samen zijn zij de aandeelhouders van belanghebbende. Samen hebben zij twee zonen: [zoon 1] (hierna: [zoon 1] ) en [zoon 2] (hierna: [zoon 2] ). [de man] is enig bestuurder van belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende heeft per 31 december 2015 een bedrag aan te verrekenen verlies van € 660.085.

2.3.

In 2005 heeft belanghebbende een bedrijfsmiddel verkocht. De ter zake van die verkoop gerealiseerde boekwinst is in 2005 ondergebracht in een herinvesteringsreserve (hierna: HIR) in de zin van artikel 3.54, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Ultimo 2015 stond deze HIR ter grootte van € 1.500.000 op de balans.

2.4.

De aanslag Vpb 2015 is gedagtekend op 8 juli 2017.

2.5.

Belanghebbende heeft op 13 maart 2018 haar aangifte Vpb over 2016 ingediend. In deze aangifte heeft zij een bedrag van in totaal € 111.603 ten laste van haar winst gebracht. Dit bedrag houdt verband met de afwaardering van op de balans opgenomen vorderingen. Verder heeft zij de HIR in de aangifte opgenomen met de vermelding jaar vervreemding 2016.

2.6.

Met betrekking tot de vorderingen zijn in 2016 twee overeenkomsten opgesteld, waarin telkens het volgende, voor zover hier van belang, is vermeld:

“KWIJTSCHELDING

De ondergetekenden:

1.

2. [hof: Belanghebbende = de vennootschap]

Overwegen als volgt:

• Dat [de vennootschap], zeker meer dan l0 jaar geleden aan (...) [achternaam] (en aan zijn broer (...) gelden heeft verstrekt ten behoeve van aankoop van sportvelgen;

• Dat hierdoor een schuld van (...) is ontstaan jegens [de vennootschap], deze schuld op dit moment, inclusief rente en kosten groot (…) euro is;

• Dat (...) [achternaam] (samen met zijn broer (...)) deze vordering betwist, en tevens niet in staat is om de vordering terug te betalen;

• Dat de vordering van [de vennootschap] verjaard is;

• Dat [de vennootschap] bereid is om de schuld van (...) [achternaam] kwijt te schelden per 30 december 2016 voor (…) euro.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. [de vennootschap], heeft per 30 december 2016 een vordering op (...) [achternaam] groot (…) euro, (…).

2. (...) [achternaam] heeft geen middelen om deze schuld dan wel op korte of langere termijn te voldoen. Daarnaast betwist (...) [achternaam] de schuld.

3. Partijen zijn het er over eens dat deze schuld niet voor verwezenlijking vatbaar is.

4. [de vennootschap] scheldt derhalve de vordering die zij heeft op (...) [achternaam] per 30 december 2016 kwijt voor (…) euro, (...).

5. Deze kwijtschelding is ingegeven door het feit dat de schuld niet voor verwezenlijking vatbaar is.

6. Tevens is deze kwijtschelding ingegeven door het feit dat de schuld is verjaard.

7. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing

(….)”

De ene kwijtscheldingsovereenkomst vermeldt een vordering van belanghebbende op [zoon 1] van € 49.504 en de andere vermeldt een vordering van belanghebbende op [zoon 2] van € 62.099. De kwijtscheldingsovereenkomsten zijn namens belanghebbende door [de man] en de zoons getekend.

2.7.

De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag Vpb 2016 de afwaardering van de vorderingen ter grootte van € 111.603 gecorrigeerd en daarnaast het bedrag van de HIR van € 1.500.000 ten gunste van de winst laten vrijvallen. Per saldo heeft de inspecteur het belastbaar bedrag vastgesteld op € 862.300, te specificeren als volgt:

Aangegeven belastbare winst € 89.218 –

Correctie afwaardering vorderingen € 111.603

Correctie HIR € 1.500.000

Gecorrigeerde belastbare winst € 1.522.385

Te verrekenen verliezen € 660.085

Gecorrigeerd belastbaar bedrag € 862.300

2.8.

De accountant van belanghebbende schrijft in haar brief van 29 augustus 2019 het volgende:

“De vorderingen zijn ontstaan in de jaarrekening 2010. Eind 2010 betrof de vordering op [garage] € 51.040 en op [bedrijf] / [zoon 1] € 47.759. De vordering op [garage] is vanaf 2011 tot en met 2015 met 4% opgerent en heeft eind 2015 een stand van € 62.099. De vordering op [zoon 1] is vanaf 2013 met 4% opgerent en bedraagt eind 2015 € 53.437.”

2.9.

De accountant van belanghebbende heeft aan de inspecteur geschreven (voor zover hier van belang):

“(…) de oorsprong van deze kwestie al redelijk ver in het verleden ligt (2006/2007), het feit dat de familie (vader, moeder, kinderen) allen als ondernemer actief zijn (of zijn geweest) in de autohandel dan wel aanverwante activiteiten. Door die gezamenlijke interesse worden en werden ook regelmatig onderling dan wel gezamenlijk zaken gedaan. Veelal gebeurd dat mondeling op een van de vestingen van die ondernemingen dan wel aan de keukentafel bij vader en moeder thuis. Zodoende is er een cohesie tussen deze personen met als gevolg dat meestal niet gevoeld werd om dit allemaal in schriftelijke overeenkomsten te gieten. (…) De kwestie begint met het feit, dat [bedrijf] [hof: de eenmanszaak van [zoon 1] ] van [zoon 1] een partij velgen in China heeft gekocht. Hij heeft deze deal zelf ter plaatse in China geregeld in (naar verluidt) 2006. Zodoende is daar door [belanghebbende] en/of haar dochtermaatschappij [dochtermaatschappij] niet in bemiddeld zoals ergens is verondersteld. Wat wel heeft gespeelt is het feit dat de aankoop van de partij velgen vooraf betaald moest worden voordat die op schip naar Nederland werd gezet. Dit was een bedrag dat [zoon 1] niet zelf kon opbrengen. (…) [belanghebbende] (…) [had] de gewenste middelen (…) en hebben deze (in eerste instantie € 35.000 aan [zoon 1] geleend om de transactie te kunnen doen). Toen de partij aan kwam bleek dat er nog een fors (onverwacht) aan douanerechten verschuldigd was zodat men nog eens een bedrag van € 35.000 heeft verschaft aan de onderneming van [zoon 1] . Een leningsovereenkomst is nimmer opgemaakt maar wel is afgesproken dat vader als tegenprestatie (naast de terugbetaling van het bedrag) een bepaald percentage (het exacte % weet men niet ,meer) van de velgen mocht gebruiken om in de eigen onderneming aan te wenden. Dit is ook feitelijk regelmatig gebeurd terwijl [zoon 1] ook zelf velgen verkocht. Vervolgens is er bij het opmaken van de jaarcijfers sindsdien ook rente op de bedragen geboekt. Naast het onverwachte probleem van de douanerechten ging er nog meer mis bij [zoon 1] . De eerste helft van de partij velgen was goed en is ook verhandeld, deels ook via de ondernemingen van de andere broers. De tweede helft die aankwam bleek echter krom te zijn en was in feite niet verkoopbaar. In 2008 krijgt [zoon 1] echter epileptische aanvallen, overlijdt een goede vriend en raakt hij zodanig in de knoop dat hij (naar verluidt in 2010/2011) met zijn onderneming moet stoppen. De ouders hebben echter op dat moment hun geld nog niet terug en er is via [zoon 1] ook geen vooruitzicht dat dit nog ooit goed zal komen. Daarbij is nog van belang dat de B.V.'s van de ouders op dat moment onder bijzonder beheer stonden van de [bank] . Dit was een zeer precaire situatie waarbij het door de accountant van destijds ten strengste werd afgeraden om - met het oog op de bank - over te gaan tot afwaardering c.q. afboeking van welke vordering dan ook. (…) De resten van de waardeloze partij velgen worden via [zoon 2] als schroot verkocht. En de handelsnaam [bedrijf] wordt in de KvK bij de onderneming van [eenmanszaak] [hof: eenmanszaak van [zoon 2] ] bijgeschreven. Echter het is nimmer de bedoeling geweest dat [zoon 2] als zodanig de onderneming (met in feite negatief vermogen/schuld aan vader) over heeft genomen. (…) Helaas is door de vorige accountant echter de vordering op [bedrijf] / [eenmanszaak] bij [belanghebbende] en haar dochtermaatschappij [dochtermaatschappij] gewoon blijven staan en ook jaarlijks opgerent. Toen dan ook door de huidige accountant hiernaar werd gevraagd werd ook aan de kant van de kinderen ontkent c.q. betwist dat dergelijke vordering vanwege de velgenkwestie nog bestond. Dit heeft sindsdien ook tot de nodige wrevel binnen de familie geleid omdat men jaarlijks aan dit onderwerp werd herinnerd. (...) Nogmaals, vanwege de gevoeligheid van dit punt binnen de familie, het ontbreken van schriftelijke vastleggingen van afspraken in het verleden als ook het niet meer voorhanden zijn van administratie/bankafschriften/facturen uit die tijd heeft ertoe geleid dat deze situatie wazig is geworden.”

2.10.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 600 en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.400.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur de aangegeven belastbare winst terecht verhoogd met de afwaardering van de vorderingen?

2. Heeft de inspecteur terecht de HIR ten gunste van de winst laten vrijvallen?

3. Heeft de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het evenredigheidsbeginsel, gehandeld?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van negatief € 89.218 en, naar het hof begrijpt, vaststelling van dit verlies op grond van artikel 20b Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing